Art. 4 Tijdelijke beleidsregel pilot kosteloze rechtsbijstand procedures in eerste aanleg met betrekking tot gezagsbeëindiging ex de artikelen 1:266 juncto 1:267 BW, Aanvraag van de rechtsbijstand
1. De rechtbanken wijzen ten behoeve van de ouder of derde die het gezag uitoefent en ten aanzien van wie een verzoek tot gezagsbeëindiging ex de artikelen 1:266 juncto 1:267 BW is ingediend een advocaat aan en stellen hiervan de Raad op de hoogte. Bij een verzoek tot beëindiging van gezamenlijk gezag volgt er een aanwijzing ten behoeve van één van de ouders voorzover die een gezamenlijke huishouding voeren of derden, tenzij de Raad voor de Kinderbescherming aangeeft dat er een tegengesteld belang is tussen de ouders of derden. Dan volgen er twee aanwijzingen voor elke ouder of derde afzonderlijk. De aanwijzing vermeldt, bij toerbeurt, de naam van een gespecialiseerd advocaat civiel jeugdrecht overeenkomstig de verwijzingslijsten van de rechtbanken. Deze advocaat benadert de rechtzoekende om kosteloze rechtsbijstand aan te bieden.
2. Bij de toepassing van deze beleidsregel wordt de financiële draagkracht van de rechtzoekende buiten beschouwing gelaten en wordt er geen eigen bijdrage opgelegd.
3. Indien de rechtzoekende aangeeft dat hij een voorkeursadvocaat wenst, voegt het bestuur die advocaat toe dan wel wijzigt het bestuur de toevoeging, mits de voorkeursadvocaat voldoet aan de specialisatie-eisen zoals vermeld in de artikel 3 van de beleidsregel of (on)voorwaardelijk staat ingeschreven bij de Raad onder het specialisme personen- en familierecht.
4. Indien namens de rechtzoekende al een toevoeging is verleend onder oplegging van een eigen bijdrage en overeenkomstig de artikelen 6 en 8 van de beleidsregel rechtsbijstand op grond van deze beleidsregel onder de werking van de beleidsregel blijkt te vallen en overeenkomstig artikel 28, eerste lid aanhef en onder a, Wrb nog niet reeds feitelijk is verleend, kan de advocaat vragen om wijziging van die toevoeging zodat overeenkomstig het derde lid geen eigen bijdrage wordt opgelegd.
5. Indien de advocaat met de rechtzoekende afspraken heeft gemaakt over betaling van de kosten voor rechtsbijstand en overeenkomstig de artikelen 6 en 8 van de beleidsregel die rechtsbijstand onder de werking van de beleidsregel blijkt te vallen en overeenkomstig artikel 28, eerste lid aanhef en onder a, Wrb nog niet reeds feitelijk is verleend, kan alsnog rechtsbijstand op grond van de beleidsregel worden aangevraagd. De vergoeding op grond van het Bvr kan na beëindiging van de rechtsbijstand door de advocaat vervolgens worden aangevraagd onder het vereiste dat die vergoeding dan in de plaats treedt van de gemaakte afspraken.