Bijlage 1 Regeling beoordelingskader voor de toetsen behorende tot leerling- en onderwijsvolgsystemen po: beoordelingskader voor de toetsen behorende tot leerling- en onderwijs volgsystemen
Regeling beoordelingskader voor de toetsen behorende tot leerling- en onderwijsvolgsystemen po
Bijlage behorende bij artikel 1 van de Regeling beoordelingskader voor de toetsen behorende tot leerling- en onderwijsvolgsystemen po. Aanbieder Een indiener van een leerlingvolgsysteem. Absolute normen Standaarden waaraan de vaardigheidsniveaus van leerlingen gerelateerd kunnen worden. Deze standaarden worden vastgesteld op basis van inhoudelijke en/of toetsspecifieke criteria. Algoritme (beslisregel) Systeem van regels, logische of wiskundige handelingen, die als stappenplan gelden en kunnen worden uitgevoerd om tot een bepaald resultaat te komen. Beoordelaarsovereenstemming De mate waarin verschillende beoordelaars tot gelijke beoordelingen komen van (bijvoorbeeld) het werk van leerlingen. Twee veel gebruikte maten voor beoordelaarsovereenstemming zijn het percentage van overeenstemming tussen twee beoordelaars en Cohen’s Kappa. Betrouwbaarheid De mate waarin toetsscores vrij zijn van toevallige meetfouten. CAT Een computergestuurde adaptieve toets (CAT) op itemniveau, waarbij een item wordt gekozen die qua moeilijkheid het beste aansluit op de vaardigheid zoals ingeschat op basis van de antwoorden op de eerdere opgaven. (Referentie)Cesuur De minimale prestatie (gerepresenteerd als vaardigheid of toetsscore) die net indicatief genoeg is voor het halen van een (referentie)niveau. Constructvaliditeit De eigenschap die een LVS-instrument heeft als kan worden aangetoond dat het instrument het door de constructeur beoogde kenmerk van de leerling (onderliggende trek, vaardigheid) meet. CvTE College voor toetsen en examens DIF Differentieel item functioneren of Differential item functioning (DIF) is een verschijnsel dat items verschillend functioneren voor bepaalde (sub)groepen leerlingen, zelfs wanneer deze (sub)groepen leerlingen een vergelijkbaar prestatieniveau hebben. Het gaat hierbij over de vraagonzuiverheid, dat wil zeggen wanneer de verschillen in de prestaties op het item tussen groepen niet geheel verklaard kunnen worden door verschillen in de (latente) vaard
- I. Observatie- en registratie-instrumenten voor de eerste twee leerjaren.
- II. Observatie- en registratie-instrumenten voor het derde tot en met het achtste leerjaar.
- III. LVS-instrumenten voor het derde tot en met het achtste leerjaar voor de voorgeschreven terreinen Nederlandse taal en Rekenen.
- IV. LVS-instrumenten voor het derde tot en met het achtste leerjaar voor niet voorgeschreven terreinen, zoals genoemd in artikel 8, tweede lid WPO en artikel 11, derde lid, WEC. De instrumenten richten zich bijvoorbeeld op het meten van de emotionele en de verstandelijke ontwikkeling, op de ontwikkeling van creativiteit, en/of op de verwerving van noodzakelijke kennis van sociale, culturele en lichamelijke vaardigheden.
- ○ Er is sprake van een observatie- en registratie-instrument als het als doel heeft de ontwikkeling van leerlingen op basis van een onderbouwde theorie (c.q. inhoud) op een objectieve manier in kaart te brengen en te volgen. Aan deze (kwalitatieve) beschrijvingen geeft ofwel de gebruiker ofwel het instrument vervolgens betekenis.
- ○ Kenmerkend voor het volgen van de ontwikkeling van de leerling met het instrument is dat:
- • er sprake is van een aantal (twee of meer) verschillende observatiemomenten op hetzelfde construct; de afnamemomenten kunnen daarbij vast of variabel zijn;
- • er tenminste vergelijkingen met zichzelf (t.o.v. het vorige observatiemoment) worden gemaakt, en vanaf groep 3 eventueel ook met andere leerlingen.
- ○ Een ingevulde leeswijzer, te vinden op de website van het CvTE, met daarin uiteengezet in welk aangeleverd document en hoofdstuk een kwaliteitscriterium uit het beoordelingskader wordt verantwoord;
- ○ Het instrument met bijbehorende ondersteunende materialen voor de gebruiker (c.q. leerkracht) van het instrument;
- ○ Een handleiding voor de leerkracht met informatie over de minimaal vereiste expertise van de leerkracht, en met duidelijke instructies voor de leerkracht over het zo objectief mogelijk en professioneel uitvoeren en periodiek registreren van de observaties van de individuele leerling(en), inclusief richtlijnen voor het veilig bewaren van en omgaan met het materiaal zodra dit op de scholen aanwezig is. Een en ander aangevuld met een overzicht van veel gestelde vragen;
- ○ De (digitale) registratieformulieren waarin de leerkracht periodiek de verzamelde observaties over een langere periode invult;
- ○ Een voorbeeld van het (observatie)rapport waarin de observaties op overzichtelijke wijze zijn weergegeven voor de individuele leerling. Daar waar van toepassing aangevuld met voorbeelden van de (observatie)rapporten per groep en per school;
- ○ het toetsreglement;
- ○ Indien van toepassing: Cd's, dvd's en/of USB-sticks en log-ins en wachtwoorden bij online instrumenten.
- ○ Verder gelden als aanvullende voorwaarden voor observatie- en registratie-instrumenten voor leerlingen in de eerste twee leerjaren (type I):
- ○ Een toets die wordt afgenomen bij leerlingen in het eerste of tweede leerjaar, beschrijft uitsluitend de leervorderingen door de leerling te observeren. ‘Schoolse’ LVS-toetsen voor de eerste twee leerjaren zullen daarom niet door het CvTE worden erkend. Onder een schoolse toets wordt verstaan het in een voor de kleuter onnatuurlijke setting (c.q. klassikaal aan een tafel in stilte) afnemen van een (papieren) toets uit een toetsboekje. Met behulp van concrete gedragsbeschrijvingen observeert en evalueert de leerkracht gedurende de kleuterjaren de leerling in dagelijkse situaties, met als doel het beschreven gedrag meermaals en in verschillende situaties daadwerkelijk waar te nemen en periodiek te registreren in het observatie- en registratie-instrument.
- ○ De rapportage van observatie- en registratie-instrumenten voor leerlingen in de eerste twee leerjaren mag niet bestaan uit relatieve scores of interpretaties.
- ○ Op basis van de rapportage en inhoudelijke gronden wordt onderbouwd dat individuele leerlingen gedurende de eerste twee leerjaren ten opzichte van zichzelf een verandering laten zien, rekening houdend met al dan niet tijdelijke ontwikkelingsgaten en -sprongen. In die zin hebben observatie- en registratie-instrumenten een signaleringsfunctie, doordat de leerkracht op de langere termijn aan de hand van de kwalitatieve beschrijvingen zicht krijgt op de voortgang van de individuele leerling. Het interpreteren van de geobserveerde gedragscriteria mag niet op basis van een relatieve normering plaatsvinden.
- ○ Het aangeleverde informatiepakket bevat de door het CvTE voorgeschreven informatie / documentatie zijnde in ieder geval: een ingevulde leeswijzer, te vinden op de website van het CvTE, met daarin uiteengezet in welk aangeleverd document en hoofdstuk een kwaliteitscriterium uit het beoordelingskader wordt verantwoord;
- ○ het instrument / de toets met bijbehorende ondersteunende materialen voor de leerkracht;
- ○ antwoordformulieren;
- ○ scoringssleutels;
- ○ een praktische handleiding voor de leerkracht inclusief richtlijnen voor het veilig bewaren van en omgaan met het materiaal zodra dit op de scholen aanwezig is;
- ○ een wetenschappelijk inhoudelijke verantwoording, inclusief leeswijzer;
- ○ voorbeeld leerlingrapport en groepsoverzichten / schoolrapportages;
- ○ cd’s, dvd’s en/of USB-sticks bij geautomatiseerde instrumenten en log-ins en wachtwoorden bij online-instrumenten;
- ○ het toetsreglement.
- ○ in geval van normatieve toetsing, het vertrouwelijk delen van de normtabellen, en;
- ○ indien van toepassing: documentatie over geautomatiseerde scoring.
- a) de wijze waarop de ontwikkeling van leerlingen op cognitief of niet-cognitief gebied met behulp van het instrument systematisch wordt geobserveerd en in het instrument wordt geregistreerd op één of meerdere van de onder b genoemde gebieden;
- b) de mate waarin de instrumenten de ontwikkelingsmomenten van de leerling(en) registreren op de gebieden, genoemd in artikel 8, tweede lid WPO of artikel 11, derde lid WEC: de emotionele en de verstandelijke ontwikkeling, het ontwikkelen van creativiteit, het verwerven van kennis en sociale, culturele en lichamelijke vaardigheden;
- c) de wijze waarop de ontwikkeling van leerlingen voor de ouders, voogden of verzorgers en leerkrachten inzichtelijk worden gemaakt.
- a) de wijze waarop de vorderingen van leerlingen op cognitief of niet-cognitief gebied systematisch worden gemeten op de onder b genoemde gebieden;
- b) de mate waarin de instrumenten de kennis en/of vaardigheden van de leerling(en) meten op de gebieden, genoemd in artikel 8, tweede lid WPO of artikel 11, derde lid WEC: de emotionele en de verstandelijke ontwikkeling, het ontwikkelen van creativiteit, het verwerven van kennis en van sociale, culturele en lichamelijke vaardigheden;
- c) de wijze waarop de leervorderingen van leerlingen voor de ouders, voogden of verzorgers en docenten inzichtelijk worden gemaakt.
- ○ voldoende;
- ○ onvoldoende.
- a) Geen wijzigingen Voor een instrument dat in tien jaar niet is gewijzigd, vindt vijf jaar na het afgeven van een kwaliteitsoordeel een tussentijdse check plaats. De aanbieder wordt hierbij gevraagd om aan te tonen dat het instrument nog steeds aan alle kwaliteitseisen uit het kader voldoet. Dit houdt in dat het instrument aansluit bij de actuele eisen en standaarden, en dat de items, observatiecategorieën en normering nog steeds actueel en passend zijn. De volgende drie vragen dienen als leidraad voor de verantwoording van de beoordelingscriteria tijdens de tussentijdse check:
- 1. Zijn de items of de observatie-categorieën nog steeds actueel? Dit kan onderzocht worden door middel van een inhoudsanalyse van de opgaven.
- ○ Is het taalgebruik in de opgaven verouderd of niet langer passend?
- ○ Zijn er veranderingen in het onderwijsaanbod geweest (bijv. wijzigingen in het curriculum en dus in methodes, toetswijzer en referentiekader)?
- ○ Zijn er maatschappelijke ontwikkelingen geweest (bijv. verandering munteenheid of nieuw ontstane gevoeligheden)?
- 2. Is de normering nog steeds passend en actueel?
- ○ Functioneren de items of observatiecategorieën nog steeds hetzelfde als bij eerdere indiening? Dat wil zeggen, zijn de psychometrische eigenschappen (p-waarden of IRT itemparameters, en de relatie tussen items of observatiecategorieën en het totale instrument, zoals IRT discriminatie waarden, en/of item/testcorrelaties) nog vergelijkbaar?
- ○ Zijn items niet te zeer bekend geworden of hebben de onder punt 1 aangehaalde problemen de psychometrische eigenschappen van de items of observatiecategorieën veranderd?
- ○ Meet het instrument nog steeds op een betrouwbare en valide manier de beoogde vaardigheden van leerlingen?
- 3. Sluiten de beveiligingsmaatregelen aan bij de actuele richtlijnen? Indien nodig wordt voor een tussentijdse check zonder wijzigingen in de toelichtingen van bepaalde eisen aanvullende informatie gegeven.
- b) Periodieke wijzigingen Als de inhoud van de toets periodiek wezenlijk verandert en dit in de verantwoording beschreven staat, maakt het CvTE bij de initiële beoordeling met de aanbieder afspraken over de frequentie en omvang van tussentijdse checks. Dit zou bijvoorbeeld bij jaarlijkse verversing van items in een itembank het geval kunnen zijn.
- c) Incidentele wijzigingen Als er incidenteel fundamentele wijzigingen worden voorzien, zoals het vervangen van enkele items, het wijzigen van de afnamevorm (digitaal in plaats van papier) of het wijzigen van de normering (bijvoorbeeld het type normering of een wijziging van de schaal) meldt de aanbieder dit bij het CvTE. Over de relevantie en impact van de veranderingen en de noodzaak van een tussentijdse check, vindt overleg plaats tussen het CvTE en de aanbieder. Afhankelijk van de wijzigingen vindt er al dan niet een extra tussentijdse check plaats of dient de aanbieder de instrumenten (deels) opnieuw in.
- ○ de toetstermen concreet en eenduidig zijn omschreven;
- ○ een aanbieder aantoont in welke mate het instrument type (III) vanaf groep 6 aansluit bij de referentieniveaus voor de onderdelen Nederlandse taal en Rekenen;
- ○ de toetsmatrijs in ieder geval bevat:
- 1. het aantal vragen met bijbehorende scorepunten;
- 2. de toetsvorm en/of het type vragen;
- 3. de verdeling van de verschillende vraag- en teksttypes in de toets;
- 4. de verdeling van de toetsopgaven over de onderdelen en domeinen in de toets, inclusief een verantwoording of toelichting die inzicht biedt in de gemaakte keuzes bij deze verdeling;
- 5. de toegestane hulpmiddelen;
- 6. en in het geval van een niet adaptieve toets: de toetsduur.
- ○ voor Nederlandse taal: 1F (fundamenteel) en 2F (streef);
- ○ voor Rekenen: 1F (fundamenteel) en 1S (streef).
- ○ het totaal aantal boekjes (‘booklets’);
- ○ het aantal booklets per deelpopulatie óf het aantal beantwoorde items per kandidaat bij een adaptieve toets;
- ○ het aantal items per domein én per niveau.
- ○ Met het oog op de kalibratie moeten de boekjes voldoende verbonden zijn. Dat betekent dat er voldoende overlap in observaties tussen de verschillende items en boekjes moet zijn.
- ○ Bij gebruik van een IRT model moet er voldoende evidentie voor de passing van dat IRT model worden gepresenteerd, zodat kan worden nagegaan of de dataverzameling adequaat is en of er aan de eisen van steekproefgrootten voor het schatten van (item)parameters is voldaan. De toetsaanbieder beschrijft hiertoe als volgt hoe de passing van het IRT model is geëvalueerd:
- − de aanbieder toont aan dat de itemparameters tussen verschillende afnamen of boekjes niet veranderen, en;
- − de aanbieder voert een DIF analyse op itemniveau uit op minimaal de achtergrondvariabel schoolweging, waarbij de itemparameterschattingen uit de verschillende boekjes in de pretest worden vergeleken. Wanneer er sprake is van DIF op itemniveau, dient de toetsaanbieder aan te tonen dat dit in overeenstemming is met de verwachting op basis van de relevante literatuur. De aanbieder wordt verzocht ook effectgroottes te vermelden.
- − De aanbieder vermeldt effectgroottes waarop de modelpassing is geëvalueerd (berekend als het gemiddelde absolute verschil tussen de geobserveerde en verwachte proporties juiste antwoorden, gegeven het IRT-model). De aanbieder toont aan dat dit verschil op itemniveau ≤ 10%. De toetsaanbieder mag hier met de juiste motivering van afwijken.
- − de toetsaanbieder onderbouwt de modelpassing aan de hand van een grafische weergave van de modelfit en de geobserveerde scores van alle items.
- ○ De aanbieder wordt verzocht om informatie over de scoreverdeling aan te leveren, zodat inzichtelijk is welke informatiewaarde (en omgekeerd de standard error) correspondeert met een klassieke betrouwbaarheidscoëfficiënt van 0,70.
- ○ Andere kalibratiemethoden, zoals bijvoorbeeld kernel-equating van Von Davier en Holland (2004), zijn ook toegestaan, zolang de betrouwbaarheid analoog is aan de voor IRT geformuleerde eisen.
- ○ Er is beargumenteerd op welke wijze er rekening is gehouden met vermoeidheids- en/of volgorde effecten.
- ○ Wanneer de pretestdata zijn verzameld met een CAT of MST is het niet zinvol om het hele onvolledige design weer te geven, omdat iedere leerling dan in principe een unieke verzameling items maakt. Ook dan moet de aanbieder duidelijk verantwoorden op welke gegevens de linking en normering gebaseerd zijn.