Bijlage II Beleidsregel ontheffingverlening voertuigen met geautomatiseerde functies 2022: bij artikel 6, tweede lid, onder f. EMC statement
Beleidsregel ontheffingverlening voertuigen met geautomatiseerde functies 2022
In aanvulling op de EMC testen zoals beschreven in ECE R10 annex 4-22, volgt de RDW de volgende procedure vóór en tijdens de initiële EMC testen voor een ontheffing:
- 1. Bij een EMC test aan een autonoom voertuig of een voertuig met geautomatiseerde functies, moeten alle geautomatiseerde functies zijn ingeschakeld en in de actieve modus functioneren. In het bijzonder: De geautomatiseerde functies moeten actief zijn en gemonitord op het correct en continu functioneren van deze functies. Het rapport van het EMC-lab moet verklaren en bewijzen dat alle bovengenoemde systemen actief waren tijdens de test, b.v. gps, heartbeat tussen ego-voertuig en ghost-voertuig of controlekamer of basisstation. In het EMC-rapport moet bevestiging worden gegeven van continue heartbeat/ logging tijdens de hele test. Een rapport zonder logging van de essentiële autonome/geautomatiseerde functionaliteiten wordt niet geaccepteerd door de RDW.
- 2. Indien één voertuig van een serie wordt getest, worden de overige voertuigen uit de serie eveneens geïnspecteerd op overeenstemming met het geteste voertuig. Hierbij wordt in ieder geval gecontroleerd op de elektrische en elektronische componenten, de kabelgeleiding en de softwarenummers. Deze vereenvoudigde manier van testen van het tweede of volgende voertuig wordt alléén toegepast als:
- a. het eerste voertuig de EMC- tests heeft doorstaan zonder het gebruik van ferrietblokken of – tijdelijk – aangebracht aluminiumfolie;
- b. de RDW tijdig is voorzien van voldoende informatie over de EMC test van het eerste voertuig;
- c. het testrapport van het EMC-lab voldoende gedetailleerde informatie, zoals foto’s, bevat om vast te stellen dat het tweede en volgende voertuig gelijk is aan het eerste geteste voertuig.
- 3. Alvorens de EMC-test uit te voeren wordt de RDW geraadpleegd over het testprogramma om overeenstemming te bereiken over het door het EMC-lab opgestelde Pass/Fail-criteriavoorstel volgens ECE R10 paragraaf 6.1.2.
- 4. De voertuig- of ESA-fabrikant vult de informatie in volgens ECE R10 bijlage 2A of 2B. Het EMC-lab voegt dit toe als bijlage bij het testrapport.
- 5. Indien een RPS (Remote Pilot System) wordt gebruikt en dit het gedrag van het voertuig kan beïnvloeden, moet de RPS deel uitmaken van het EMC-testplan.
- 6. Indien bij de EMC test gebruik is gemaakt van ferrietblokken of aluminiumfolie op verschillende elementen in het systeem om de EMC-tests te doorstaan, kan het EMC-rapport niet gebruikt worden voor:
- a. verdere revisie of extensie;
- b. andere voertuigen;
- c. het toevoegen/wijzigen van ESA's aan het geteste voertuig.
- 7. Het EMC-lab moet door de RDW als Technische Dienst geaccrediteerd zijn.