Bijlage II Besluit intrekking onderzoekskaders 2017 niet bekostigd primair onderwijs en voortgezet onderwijs onder vaststelling beleidsregels Onderzoekskaders 2022 niet bekostigd primair onderwijs en voortgezet onderwijs: onderzoekskader 2022 niet bekostigd voortgezet onderwijs
augustus 2022 1 Inleiding 20 2 HET TOEZICHT OP HET NIET BEKOSTIGD ONDERWIJS 20 2.1 Niet bekostigd voortgezet onderwijs 20 2.2 Het toezicht op het niet bekostigd voortgezet onderwijs 22 3 DE WERKWIJZE 23 3.1 De toezichtsystematiek 23 3.2 Vervolgtoezicht 24 3.2.1 De risicoanalyse 24 3.2.2 Het kwaliteitsonderzoek 25 3.3 De rapportage en vervolgtoezicht 25 4 HET WAARDERINGSKADER 26 4.1 Inleiding 26 4.2 Het waarderingskader 26 4.3 Uitwerking onderzoekscriteria 28 4.3.1 Kwaliteitsaspect 1: Aanbod 28 4.3.2 Kwaliteitsaspect 2: Leertijd 29 4.3.3 Kwaliteitsaspect 3: Schoolklimaat 29 4.3.4 Kwaliteitsaspect 4: Pedagogisch-didactisch handelen 30 4.3.5 Kwaliteitsaspect 5: Zicht op ontwikkeling 31 4.3.6 Kwaliteitsaspect 6: Extra ondersteuning 31 4.3.7 Kwaliteitsaspect 7: Ontwikkelresultaten 32 4.3.8 Kwaliteitsaspect 8: Kwaliteitszorg 33 4.3.9 Aspect 9: Overige aspecten van naleving 33 4.4 Normering en oordeelsvorming 34 4.5 Bijlage bij het waarderingskader 34 Artikel 13 van de Wet op het Onderwijstoezicht (WOT) bepaalt dat de Inspectie van het Onderwijs (hierna: de inspectie) haar werkwijze voor een kwaliteitsonderzoek als bedoeld in artikel 11, vastlegt in een of meer onderzoekskaders. Het maakt het handelen van de inspectie transparant voor scholen; de inspectie is hiermee aanspreekbaar op het ‘wat’ en het ‘hoe’ van haar werk. Hoofdstuk 2 schetst het wettelijk kader en hoe dit zich vertaalt naar het toezicht. In Hoofdstuk 3 wordt nader ingegaan op de werkwijze die de inspectie bij haar toezicht hanteert. Hoofdstuk 4 gaat dieper in op het waarderingskader en de normering. Dit onderzoekskader niet bekostigd voortgezet onderwijs is tot stand gekomen na overleg met het onderwijsveld. Het is door de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap en de Minister voor Primair en Voortgezet Onderwijs vastgesteld. Dit hoofdstuk zet uiteen hoe het onderzoekskader voor het niet bekostigd voortgezet onderwijs is verankerd7Dit hoofdstuk betreft het zogenoemde B3-onderwijs. Het toezicht op het
- • het onderwijs stelt de leerlingen aantoonbaar in staat om hun onderwijsloopbaan voort te zetten in het vervolgonderwijs op een niveau dat van de leerling verwacht mag worden (artikel 1a1, eerste lid, onder b, Leerplichtwet 1969);
- • de school verantwoordt zich in een schoolplan over de wijze waarop wordt omgegaan met de burgerschapsopdracht (artikel 1a1, eerste lid, onder b, Leerplichtwet 1969 en artikel 2.2 WVO 2020);
- • het bevordert actief burgerschap en sociale cohesie, richt zich op het bijbrengen van respect voor en kennis van de basiswaarden8Basiswaarden van de democratische rechtsstaat Bevordering van basiswaarden vormt een belangrijk aspect van de wettelijke burgerschapsopdracht. Basiswaarden van de democratische rechtsstaat (hierna: basiswaarden) weerspiegelen de algemene, breed erkende essentiële waarden waarop onze democratische manier van samenleven is gebaseerd. Ze zijn breed gelegitimeerd, verankerd in de nationale en internationale rechtsorde en neergelegd in onder meer de Nederlandse Grondwet en de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens. Basiswaarden zijn kort gezegd basale, minimale en breed onderschreven waarden die de democratische rechtsstaat schragen. De basiswaarden waarom het in het onderwijs gaat, zijn vastgelegd en uitgewerkt in het wettelijk kader in de gewijzigde burgerschapsopdracht in de onderwijswetten voor funderend onderwijs (Gewijzigd voorstel van wet, 17 november 2020. Tweede Kamer der Staten-Generaal, vergaderjaar 2020–2021, 35 352 nr. 2; Memorie van toelichting en Nota naar aanleiding van het verslag, Tweede Kamer der Staten-Generaal, vergaderjaar 2019–2020, 35 352 nr. 3 en nr. 6). Die uitwerking vormt het (hiertoe begrensde) uitgangspunt voor het inspectietoezicht op basiswaarden. De navolgende uitwerking en formuleringen zijn aan dit wettelijk kader ontleend. Basiswaarden van de democratische rechtsstaat Het respect voor de menselijke waardigheid zonder onderscheid des persoons staat aan de basis van de drie basiswaarden van de democratische, pluriforme en Nederlandse rechtsstaat: vrijheid, gelijkwaardigheid en solidariteit. De basiswaarde vrijheid wordt bevorderd door aandacht voor vrijheid van meningsuiting en autonomie. Gelijkwaardigheid wordt bevorderd in de vorm van het gelijkheidsbeginsel en het afwijzen van discriminatie. Solidariteit wordt bevorderd door verdraagzaamheid, begrip en verantwoordelijkheidsbesef en het afwijzen van onverdraagzaamheid. Dit betekent dat scholen aandacht besteden aan vrijheid van meningsuiting, het gelijkheidsbeginsel, begrip, verdraagzaamheid, het afwijzen van onverdraagzaamheid en discriminatie, en autonomie en verantwoordelijkheidsbesef. Deze elementen vormen in de onderwijspraktijk de minimale kern waaraan een school moet voldoen bij de bevordering van respect voor en de kennis van basiswaarden. De burgerschapswet creëert geen nieuwe basiswaarden. Ook onder de eerdere wettelijke opdracht was sprake van bevordering van deze basiswaarden. Wel is het gewicht daarvan groter geworden. In aansluiting bij deze wettelijke kaders en ter bevordering van de continuïteit voor onderwijspraktijk en inspectietoezicht wordt in de op praktijk gerichte operationalisering uitsluitend uitgegaan van de volgende uitwerkingen. Deze uitwerkingen zijn gericht op concrete toepassing in de dagelijkse schoolpraktijk en geformuleerd op voor alle betrokkenen (inclusief leerlingen) toegankelijke wijze: • Vrijheid van meningsuiting betekent dat je mag zeggen of schrijven wat je denkt of tegen de opvatting van anderen in mag gaan. Iedereen mag dus ook zijn of haar geloof uitdragen, of zijn of haar mening aan anderen voorhouden. Daarbij moet je je wel houden aan de wet. • Het gelijkheidsbeginsel (ook wel gelijkheid of gelijkwaardigheid genoemd) betekent dat mensen van gelijke waarde zijn. Daarbij maakt het niet uit wat je denkbeelden zijn of wat je gelooft. Je hoeft niet te vinden dat die denkbeelden of gebruiken zelf waardevol zijn, maar wel dat mensen met andere denkbeelden en gebruiken niet minder waard zijn dan jij of dan jouw groep. • Begrip voor anderen betekent dat je probeert te begrijpen waarom mensen of groepen bepaalde denkbeelden of gebruiken hebben: wat is de achtergrond daarvan en waarom is dat belangrijk voor een ander? • Verdraagzaamheid (ook wel tolerantie genoemd) betekent dat je de mening of het gedrag van een ander accepteert, ook al ben je het er helemaal niet mee eens. En het betekent ook dat je iedereen de ruimte wilt geven om zo’n mening of zulk gedrag te hebben. Natuurlijk moet iedereen zich daarbij wel houden aan de wet. • Afwijzen van onverdraagzaamheid: onverdraagzaamheid (ook wel intolerantie genoemd) is het tegenovergestelde van tolerantie. Het betekent dat je vindt dat andere mensen of groepen, dingen waar jij het niet mee eens bent niet zouden mogen denken of doen; en dat je het niet nodig vindt dat ieder de ruimte krijgt om zo’n mening of zulk gedrag te hebben. • Afwijzen van discriminatie: discriminatie betekent dat mensen of groepen bij anderen achtergesteld worden of dat je vindt dat er voor mensen met andere denkbeelden of gebruiken niet zoveel ruimte hoeft te zijn of dat die denkbeelden of gebruiken misschien zelfs verboden moeten worden. • Autonomie betekent dat iedereen zelf kan bepalen wie hij/zij wil zijn en hoe hij/zij zijn/haar leven wil leiden. Iedereen is dus bijvoorbeeld vrij om zelf te bepalen welke denkbeelden of welk geloof voor hem/haar belangrijk zijn/is. Daarbij moet je je wel houden aan de wet. • Verantwoordelijkheidsbesef betekent dat mensen verantwoordelijkheid willen nemen voor wat ze zeggen en doen (en wat ze niet zeggen en doen) en dat ze daarbij rekening willen houden met wat dat voor anderen betekent. Daarbij is vooral belangrijk dat je probeert anderen niet te schaden en dat je de samenleving en de democratie wilt helpen om goed te functioneren. Hoe je dat doet, mag iedereen zelf weten. Reikwijdte Actieve bevordering van de basiswaarden van de democratische rechtsstaat neemt binnen de wettelijke opdracht een centrale plaats in. Van scholen wordt verwacht dat zij werken aan borging en overdracht van de basiswaarden. Ten overvloede zij daarbij opgemerkt dat uit deze opdracht ook volgt dat onderwijs of handelen van de school niet in strijd met basiswaarden kan zijn. Goed burgerschapsonderwijs sluit aan bij de leefwereld van leerlingen en de interesses, problemen en risico’s die hiermee gepaard gaan. Uitgangspunt bij het toezicht is dat scholen blijk geven van inzicht in hun leerlingenpopulatie en hun leefwereld en dit, indien nodig, vertalen naar het onderwijs. Verder is van belang dat basiswaarden structureel onderdeel zijn van de schoolcultuur en dat deze daarmee in overeenstemming is. De inspectie ziet toe op de naleving daarvan via de zorg van de school voor een schoolcultuur waarin alle betrokkenen basiswaarden als centrale spelregels hanteren en voorleven en voor een omgeving waarin leerlingen worden gestimuleerd actief te oefenen met de omgang met basiswaarden. en het ontwikkelen van sociale en maatschappelijke competenties, het bijbrengen van kennis over en respect voor verschillen in godsdienst, levensovertuiging, politieke gezindheid, afkomst, geslacht, handicap of seksuele gerichtheid alsmede de waarde dat gelijke gevallen gelijk behandeld worden;
- • de school draagt zorg voor een schoolcultuur die in overeenstemming is met de basiswaarden van de democratische rechtstaat en creëert daarmee een omgeving waarin leerlingen worden gestimuleerd actief te oefenen met de omgang met deze waarden en het handelen naar deze waarden en draagt voorts zorg voor een omgeving waarin leerlingen en personeel zich veilig en geaccepteerd weten, ongeacht de zojuist genoemde verschillen;
- • het onderwijs stelt de leerlingen in staat een ononderbroken ontwikkelingsproces door te maken en is afgestemd op de voorgang in hun ontwikkeling (artikel 1.4 WVO 2020);
- • het onderwijs mag uitsluitend door bevoegde leraren worden gegeven (artikel 7.9, eerste lid, en artikel 7.44, WVO 2020);
- • het bevoegd gezag is verplicht tot overleg met de vertrouwensinspecteur en tot het doen van aangifte inzake zedenmisdrijven; het personeel heeft ter zake een meldingsplicht bij het bevoegd gezag (artikel 3.39 WVO 2020), en de school moet een meldcode huiselijk geweld en kindermishandeling hanteren (artikel 3.41 WVO 2020);
- • het bevoegd gezag moet zorgdragen voor de sociale, psychische en fysieke veiligheid op school en daartoe de veiligheidsbeleving van de leerlingen monitoren, een veiligheidsbeleid hebben en een coördinator hebben voor het veiligheidsbeleid, alsmede een aanspreekpunt in het kader van pesten (artikel 3.40 WVO 2020);
- • in overeenstemming met artikel 2.11 WVO 2020 wordt het onderwijs in het Nederlands gegeven;
- • de school besteedt aantoonbaar aandacht aan de kerndoelen (artikel 2.13 WVO 2020);
- • degene die de school in stand houdt draagt zorg voor de kwaliteit van het onderwijs op de school (artikel 2.78, 1e volzin WVO 2020).
- a. het toezien op:
- 1°. de naleving van de bij of krachtens een onderwijswet gegeven voorschriften, 2°. (...)
- b. het bevorderen van:
- 1°. de ontwikkeling, in het bijzonder van de kwaliteit, van het onderwijs aan en het bestuur van instellingen als bedoeld in de onderwijswetten met uitzondering van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek voor zover het niet betreft het onderzoek bedoeld in artikel 12a, derde lid, (...).
- − onderzoek te doen aan de hand van de bij of krachtens de WVO 2020 gegeven voorschriften die (mede) van toepassing zijn op het niet uit de openbare kas bekostigd onderwijs,
- − onderzoek te doen aan de hand van de criteria die de Leerplichtwet 1969 stelt aan scholen als bedoeld in artikel 1, onder b 3°, van die wet.
- 1. Het aanbod bereidt de leerlingen voor op het vervolgonderwijs en de samenleving (artikel 1a1, eerste lid, onder b, Leerplichtwet 1969, artikel 1.4, artikel 2.13 en artikel 2.2 WVO 2020 en de bijlage bij het Besluit kerndoelen onderbouw VO)
- 2. De leerlingen krijgen voldoende tijd om zich voor te bereiden op passend vervolgonderwijs (artikel 1.4 WVO 2020 en artikel 1a1, eerste lid, onder b, Leerplichtwet 1969)
- 3. Het schoolklimaat leidt tot een leeromgeving die volgens maatschappelijk breed gedragen uitgangspunten veilig en motiverend is (artikel 3.40 WVO 2020)
- 4. Het pedagogisch-didactisch handelen van de leraren stelt leerlingen in staat tot leren en ontwikkelen (artikel 1.4 WVO 2020)
- 5. De school volgt de ontwikkeling van haar leerlingen zodanig dat zij een ononderbroken ontwikkeling kunnen doorlopen (artikel 1.4 WVO 2020)
- 6. De leerlingen met specifieke onderwijsbehoeften krijgen passende ondersteuning en begeleiding (artikel 1.4 WVO 2020 en artikel 1a1, eerste lid, onder b, Leerplichtwet 1969)
- 7. De resultaten van de leerlingen liggen ten minste op het niveau dat mag worden verwacht (artikel 1a1, eerste lid, onder b, Leerplichtwet 1969)
- 8. De school zorgt voor het behoud of verbetering van de kwaliteit van haar onderwijs (artikel 2.87 WVO 2020)
- 9. De school voldoet aan een aantal andere wettelijke eisen (artikel 3.41, 2.11, 2.2 WVO 2020, artikel 1, sub b, onder 3, artikel 1a1, eerste lid, onder b, artikel 18 en artikel 21 Leerplichtwet 1969)
- • De inspectie stelt degene die de school in stand houdt en verantwoordelijk is voor de kwaliteit van het onderwijs in de gelegenheid van het ontwerprapport kennis te nemen en daarover overleg te voeren;
- • Indien in het overleg geen overeenstemming is bereikt over gewenste wijzigingen, wordt de zienswijze van diegene die verantwoordelijk is in een bijlage bij het inspectierapport opgenomen;
- • De inspectie zendt het inspectierapport na vaststelling daarvan onverwijld aan degene die de school in stand houdt en verantwoordelijk is voor de kwaliteit van het onderwijs.
- 1.1 Het aanbod in de eerste twee leerjaren is dekkend voor de kerndoelen van de onderbouw.6zijn op grond van artikel 1a1 van de Leerplichtwet 1969 onderdeel van de norm.
- 1.2 Het aanbod in de eerste twee leerjaren is eveneens gericht op het verwerven van kennis, inzicht en vaardigheden van één of meer andere vreemde talen dan de Engelse taal, en de keuze van die talen is afgestemd op het niveau van het vervolgonderwijs aansluitend aan de kerndoelen dat van de leerling mag worden verwacht.6zijn op grond van artikel 1a1 van de Leerplichtwet 1969 onderdeel van de norm.
- 1.3 Het aanbod stelt na de kerndoelen leerlingen in staat hun onderwijsloopbaan voort te zetten op een niveau dat van de leerling verwacht mag worden.6zijn op grond van artikel 1a1 van de Leerplichtwet 1969 onderdeel van de norm.
- 1.4 De school neemt de referentieniveaus voor Nederlandse taal en rekenen als uitgangspunt.
- 1.5 Het onderwijs bevordert actief burgerschap en sociale cohesie op doelgerichte, samenhangende en herkenbare wijze, richt zich onder andere op het bijbrengen van respect voor en kennis van de basiswaarden en het ontwikkelen van sociale en maatschappelijke competenties en het bijbrengen van kennis over en respect voor verschillen in godsdienst. Levensovertuiging, politieke gezindheid, afkomst, geslacht, handicap of seksuele gerichtheid alsmede de waarde dat gelijke gevallen gelijk behandeld worden.6zijn op grond van artikel 1a1 van de Leerplichtwet 1969 onderdeel van de norm.
- 3.1 De school draagt zorg voor de fysieke, psychische en sociale veiligheid van de leerlingen.6zijn op grond van artikel 1a1 van de Leerplichtwet 1969 onderdeel van de norm.
- 3.2 De leraren bevorderen het zelfvertrouwen van de leerlingen.
- 3.3 De leraren bevorderen dat leerlingen op een respectvolle wijze met elkaar omgaan.
- 3.4 De leraren/de leerlingen handhaven de afgesproken gedragsregels.
- 3.5 De school draagt zorg voor een schoolcultuur die in overeenstemming is met de basiswaarden van de democratische rechtstaat, en creëert daarmee een omgeving waarin leerlingen worden gestimuleerd actief te oefenen met de omgang met deze waarden en draagt voorts zorg voor een omgeving waarin leerlingen en personeel zich veilig en geaccepteerd weten, ongeacht de in artikel 2.2, eerste lid, onder, WVO 2020 genoemde verschillen.6zijn op grond van artikel 1a1 van de Leerplichtwet 1969 onderdeel van de norm.
- 4.1 De inrichting van het onderwijs maakt een ononderbroken ontwikkelproces mogelijk.6zijn op grond van artikel 1a1 van de Leerplichtwet 1969 onderdeel van de norm.
- 4.2 De leraren stemmen het pedagogisch-didactisch handelen af op de voortgang in ontwikkeling van leerlingen.6zijn op grond van artikel 1a1 van de Leerplichtwet 1969 onderdeel van de norm.
- 6.1 De school signaleert welke leerlingen extra ondersteuning nodig hebben.6zijn op grond van artikel 1a1 van de Leerplichtwet 1969 onderdeel van de norm.
- 6.2 De school bepaalt de aard van de extra ondersteuning die gesignaleerde leerlingen nodig hebben.
- 6.3 De school voert de extra ondersteuning daadwerkelijk uit.
- 8.1 De school draagt zorg voor continuïteit van het onderwijs.
- 8.2 De school laat zien dat zij werkt aan de verbetering van de onderwijskwaliteit.
- 9.1 De school zorgt voor bevoegde leraren.6zijn op grond van artikel 1a1 van de Leerplichtwet 1969 onderdeel van de norm.
- 9.2 De school is een dagschool.6zijn op grond van artikel 1a1 van de Leerplichtwet 1969 onderdeel van de norm.
- 9.3 Het onderwijs wordt in het Nederlands gegeven.6zijn op grond van artikel 1a1 van de Leerplichtwet 1969 onderdeel van de norm.
- 9.4 De school heeft een schoolplan waarin het beleid ten aanzien van burgerschapsonderwijs is opgenomen.6zijn op grond van artikel 1a1 van de Leerplichtwet 1969 onderdeel van de norm.
- 9.5 De school heeft een meldcode huiselijk geweld en kindermishandeling die aan de eisen voldoet.6zijn op grond van artikel 1a1 van de Leerplichtwet 1969 onderdeel van de norm.
- 9.6 De school meldt de in- en uitschrijving en verwijdering van leerlingen en ongeoorloofd verzuim van meer dan 16 uur per vier weken aan de gemeente.6zijn op grond van artikel 1a1 van de Leerplichtwet 1969 onderdeel van de norm.
- 1.1 Het aanbod in de eerste twee leerjaren is dekkend voor de kerndoelen van de onderbouw;6zijn op grond van artikel 1a1 van de Leerplichtwet 1969 onderdeel van de norm.
- 1.2 Het aanbod in de eerste twee leerjaren is eveneens gericht op het verwerven van kennis, inzicht en vaardigheden van één of meer andere vreemde talen dan Engelse taal, en de keuze van die talen is afgestemd op het niveau van het vervolgonderwijs aansluitend aan de kerndoelen dat van de leerling mag worden verwacht;6zijn op grond van artikel 1a1 van de Leerplichtwet 1969 onderdeel van de norm.
- 1.3 Het aanbod na de eerste twee leerjaren stelt leerlingen in staat hun onderwijsloopbaan voort te zetten op een niveau dat van de leerling verwacht mag worden;6zijn op grond van artikel 1a1 van de Leerplichtwet 1969 onderdeel van de norm.
- 1.4 De school neemt de referentieniveaus voor Nederlandse taal en rekenen als uitgangspunt;
- 1.5 Het onderwijs bevordert actief burgerschap en sociale cohesie op doelgerichte, samenhangende en herkenbare wijze, richt zich onder andere op het bijbrengen van respect voor en kennis van de basiswaarden en het ontwikkelen van sociale en maatschappelijke competenties en het bijbrengen van kennis over en respect voor verschillen in godsdienst. Levensovertuiging, politieke gezindheid, afkomst, geslacht, handicap of seksuele gerichtheid alsmede de waarde dat gelijke gevallen gelijk behandeld worden.6zijn op grond van artikel 1a1 van de Leerplichtwet 1969 onderdeel van de norm.
- 3.1 De school draagt zorg voor de fysieke, psychische en sociale veiligheid van de leerlingen.6zijn op grond van artikel 1a1 van de Leerplichtwet 1969 onderdeel van de norm.
- 3.2 De leraren bevorderen het zelfvertrouwen van de leerlingen:
- 3.3 De leraren bevorderen dat leerlingen op een respectvolle wijze met elkaar omgaan:
- 3.4 De leraren/de leerlingen handhaven de afgesproken gedragsregels:
- 3.5 De school draagt zorg voor een schoolcultuur die in overeenstemming is met de basiswaarden van de democratische rechtstaat, en creëert daarmee een omgeving waarin leerlingen worden gestimuleerd actief te oefenen met de omgang met deze waarden en draagt voorts zorg voor een omgeving waarin leerlingen en personeel zich veilig en geaccepteerd weten, ongeacht de in artikel 2.2, eerste lid, onder, WVO 2020 genoemde verschillen.6zijn op grond van artikel 1a1 van de Leerplichtwet 1969 onderdeel van de norm.
- 4.1 De inrichting van het onderwijs maakt een ononderbroken ontwikkelproces mogelijk:6zijn op grond van artikel 1a1 van de Leerplichtwet 1969 onderdeel van de norm.
- 4.2 De leraren stemmen het onderwijsleerproces af op de voortgang in ontwikkeling van leerlingen.6zijn op grond van artikel 1a1 van de Leerplichtwet 1969 onderdeel van de norm.
- 6.1 De school signaleert welke leerlingen extra ondersteuning nodig hebben:6zijn op grond van artikel 1a1 van de Leerplichtwet 1969 onderdeel van de norm.
- 6.2 De school bepaalt de aard van de extra ondersteuning die gesignaleerde leerlingen nodig hebben:
- 6.3 De school voert de extra ondersteuning daadwerkelijk uit.
- • de leerling behaalt een diploma dat toegang geeft tot een vervolgopleiding op het verwachte niveau;
- • de leerling behaalt een diploma dat toegang geeft tot een vervolgopleiding onder het verwachte niveau;
- • de leerling stroomt zonder diploma door naar een vervolgopleiding;
- • de leerling kiest er zelf voor om geen examen af te leggen en niet door te stromen naar een vervolgopleiding.
- 8.1 De school draagt zorg voor continuïteit van het onderwijs.
- 8.2 De school laat zien dat zij werkt aan de verbetering van de onderwijskwaliteit.
- 9.1 De school zorgt voor bevoegde leraren die in het bezit zijn van een Verklaring omtrent het gedrag (VOG);6zijn op grond van artikel 1a1 van de Leerplichtwet 1969 onderdeel van de norm.
- 9.2 De school is een dagschool;6zijn op grond van artikel 1a1 van de Leerplichtwet 1969 onderdeel van de norm.
- 9.3 Het onderwijs wordt in het Nederlands gegeven;6zijn op grond van artikel 1a1 van de Leerplichtwet 1969 onderdeel van de norm.
- 9.4 De school heeft een schoolplan waarin het beleid ten aanzien van burgerschapsonderwijs is opgenomen;6zijn op grond van artikel 1a1 van de Leerplichtwet 1969 onderdeel van de norm.
- 9.5 De school heeft een meldcode huiselijk geweld en kindermishandeling die aan de eisen voldoet;6zijn op grond van artikel 1a1 van de Leerplichtwet 1969 onderdeel van de norm.
- 9.6 De school meldt de in- en uitschrijving en verwijdering van leerlingen en ongeoorloofd verzuim van meer dan 16 uur per vier weken aan de gemeente.6zijn op grond van artikel 1a1 van de Leerplichtwet 1969 onderdeel van de norm.
- a. er mede vanuit gaat dat leerlingen opgroeien in een pluriforme samenleving,
- b. mede gericht is op het bevorderen van actief burgerschap en sociale cohesie, en
- c. de school een oefenplaats is waarin leerlingen gestimuleerd worden om actief te oefenen met de omgang met en het handelen naar de basiswaarden; (artikel 1a1, eerste lid, onder b, Leerplichtwet 1969). Dit betreft subcriterium 9.4.