Bijlage III Kavelbesluit VII windenergiegebied Hollandse Kust (west): voorschriften
Kavelbesluit VII windenergiegebied Hollandse Kust (west)
In dit besluit wordt verstaan onder: De vergunning als bedoeld in artikel 12 van de Wet windenergie op zee wordt verleend voor een termijn van 35 jaar. De vergunninghouder verwijdert het windpark uiterlijk twee jaar nadat de exploitatie is gestaakt, doch uiterlijk binnen de looptijd van de vergunning. Nederlandse naam Wetenschappelijke naam Artikel Vogels (zie lijst hieronder) 3.1, eerste lid, van de Wet natuurbescherming Ruige dwergvleermuis Pipistrellus nathusii 3.5, eerste lid, van de Wet natuurbescherming Rosse vleermuis Nyctalus noctula 3.5, eerste lid, van de Wet natuurbescherming Bruinvis Phocoena phocoena 3.5, tweede lid, van de Wet natuurbescherming Vogelsoorten kleine zwaan torenvalk velduil roodborst kleine rietgans smelleken gierzwaluw nachtegaal grauwe gans boomvalk kauw blauwborst kolgans slechtvalk roek zwarte roodstaart grote Canadese gans waterral goudhaan gekraagde roodstaart brandgans waterhoen zwarte mees paapje rotgans meerkoet boomleeuwerik roodborsttapuit bergeend scholekster veldleeuwerik tapuit tafeleend kluut strandleeuwerik bonte vliegenvanger kuifeend bontbekplevier oeverzwaluw heggenmus topper goudplevier boerenzwaluw ringmus krakeend zilverplevier huiszwaluw gele kwikstaart smient kievit tjiftjaf noordse kwikstaart slobeend kanoet fitis grote gele kwikstaart wilde eend drieteenstrandloper grasmus witte kwikstaart pijlstaart bonte strandloper tuinfluiter rouwkwikstaart zomertaling watersnip zwartkop boompieper wintertaling houtsnip sprinkhaanzanger graspieper eider grutto snor oeverpieper kleine jager rosse grutto spotvogel vink kwartel regenwulp kleine karekiet keep blauwe reiger wulp rietzanger groenling lepelaar oeverloper pestvogel putter dodaars zwarte ruiter winterkoning sijs fuut groenpootruiter spreeuw kneu roodhalsfuut tureluur beflijster grote barmsijs kuifduiker steenloper merel kruisbek geoorde fuut kokmeeuw kramsvogel goudvink bruine kiekendief dwergstern zanglijster appelvink blauwe kiekendief zwarte stern koperwiek sneeuwg
- • akoestisch(e) afschrikmiddel(en): apparaat waarmee door middel van een geluidssignaal zeezoogdieren en vissen worden verjaagd;
- • ashoogte: de hoogte van het middelpunt van de rotoras, waaraan de rotorbladen van de windturbine zijn bevestigd, ten opzichte van het zeeniveau;
- • bevoegd gezag Wet windenergie op zee: de Minister van Economische Zaken en Klimaat;
- • continu gebruik: betreft het voortdurend in gebruik zijn van de windturbine behoudens periodes van onderhoud;
- • cut-in windspeed: de laagste windsnelheid waarbij de turbine energie gaat leveren;
- • dB re 1µPa2s: eenheid voor SEL;
- • funderingsplan: plan waarin de vergunninghouder onder meer uiteenzet op welke wijze de funderingen worden geplaatst, welke geluidsbeperkende maatregelen worden genomen en op welke wijze het geluidsniveau van impulsgeluid wordt gemeten en gerapporteerd;
- • geluidsniveau: het over de frequentiebanden gesommeerde bronniveau;
- • geïnstalleerd vermogen: het vermogen van de productie-installatie dat onder normale condities benut kan worden voor de productie van hernieuwbare elektriciteit en dat door de leverancier gegarandeerd wordt bij continu gebruik, het tijdelijk te leveren vermogen van een booster is hierin niet inbegrepen;
- • Mean Sea Level (MSL): de gemiddelde hoogte van de zeespiegel (het vlak van de zee), als alle variaties die het gevolg zijn van de getijden worden weggemiddeld;
- • migratieperiode (najaar – vogels): vogeltrek in de periode van 15 augustus tot en met 30 november;
- • migratieperiode (voorjaar – vogels): vogeltrek in de periode van 15 februari tot en met 31 mei;
- • monitorings- en evaluatieprogramma: programma waarin de activiteiten zijn beschreven die door of namens de overheid worden uitgevoerd om de leemtes in kennis vast te stellen;
- • nacht: de periode tussen 18:00 uur in de avond tot 06:00 uur in de ochtend, volgens de Midden-Europese Tijd;
- • nachtlichtperiode: deel van een etmaal met omgevingslichtsterkte minder of gelijk aan 50 cd/m2;
- • normale condities: de gemiddelde meteorologische omstandigheden die gedurende 1 jaar in een bepaald gebied voorkomen;
- • put (mijnbouw): boorgat dat na aanleg, inrichting en afwerking in gebruik is genomen;
- • rotordiameter: de diameter van de denkbeeldige cirkel die door de rotorbladen (wieken) van de windturbine wordt bestreken;
- • rotoroppervlak: het oppervlak van de denkbeeldige cirkel die door de rotorbladen (wieken) van de windturbine wordt bestreken;
- • SELss: Sound Exposure Level (single strike);
- • tiphoogte: de ashoogte plus de halve rotordiameter;
- • tiplaagte: de ashoogte min de halve rotordiameter;
- • UXO-onderzoek: onderzoek naar de aanwezigheid van niet ontplofte munitie in de zeebodem
- • vergunninghouder: houder van een vergunning op grond van artikel 12 van de Wet windenergie op zee;
- • voorspelde massale vogeltrek: een korte tijdspanne tijdens migratieperiodes in de nacht waarop de omstandigheden zodanig zijn dat er sprake is van een voorspelde piek in de verplaatsing van het aantal trekvogels, gebaseerd op het voorspellingsmodel;
- • voorspellingsmodel: een door of namens de Rijksoverheid te beheren model dat een signaal afgeeft wanneer massale vogeltrek wordt voorspeld.
- 1. Het windpark wordt geplaatst binnen de contour met de volgende coördinaten: De kaart met de ligging van kavel VII is opgenomen als bijlage bij deze voorschriften.
- 2. Er worden geen windturbines geplaatst in de onderhoudszones van de pijpleiding P12SW-P6A en de veiligheidszones van het net op zee. Deze zones worden begrensd door de punten in onderstaande tabel en die ook zijn weergegeven op de kaart die als bijlage is opgenomen bij deze voorschriften.
- 3. De rotorbladen van de windturbines blijven volledig binnen de in het eerste lid genoemde contour en volledig buiten de in het tweede lid genoemde onderhouds- en veiligheidszones.
- 1. Het aantal op te richten windturbines is ten hoogste 60.
- 2. In het windpark worden uitsluitend turbines geplaatst met, per turbine, een geïnstalleerd vermogen van ten minste 14 MW.
- 3. De afstand tussen windturbines bedraagt ten minste vier maal de rotordiameter.
- 4. De tiplaagte is ten minste 25 meter boven MSL.
- 5. De tiphoogte is ten hoogste 304 meter boven MSL.
- 6. De ashoogte is ten minste 135 meter boven MSL.
- 7. Het totale rotoroppervlak is maximaal 2.624.613 m2.
- 8. Een samenstel van turbines met een gecombineerd geïnstalleerd vermogen tot 760 MW wordt in ieder geval aangesloten op het TenneT platform Hollandse Kust (west Beta).
- 9. De toegestane funderingen voor de windturbines zijn: Indien de vergunninghouder een fundering wil toepassen die niet in dit lid is genoemd, zal hij de milieueffecten hiervan moeten bepalen. De milieueffecten worden voorgelegd aan de Minister van Economische Zaken en Klimaat.
- − monopile;
- − tripod;
- − jacket;
- − gravity based;
- − suction bucket.
- 10. Als opofferingsanodes gebruikt worden als kathodische bescherming van stalen constructies, bestaan deze uit legeringen van aluminium of magnesium. De legeringen mogen kleine hoeveelheden (<5 gewichtsprocent) andere metalen bevatten.
- 1. Maatregelen ter voorkoming van permanente fysieke effecten bij bruinvissen en zeehonden en mortaliteit van vissen.
- a) Indien sprake is van een andere installatietechniek dan heien, maakt de vergunninghouder gebruik van een of meer op de relevante frequenties afgesteld(e) akoestisch(e) afschrikmiddel(en) gedurende een half uur voor het begin van de werkzaamheden, alsmede gedurende de eerste vijf minuten van de werkzaamheden. Deze procedure wordt herhaald indien de werkzaamheden gedurende een uur of langer onderbroken zijn. De vergunninghouder onderbouwt in het funderingsplan, bedoeld in het tweede lid, onderdeel e, welk(e) type(n) afschrikmiddel(en) gebruikt zal of zullen worden, waarbij hij ingaat op de effectiviteit van het of de gekozen type(n).
- b) De heiwerkzaamheden vangen aan met een lage hei-energie. De duur en het vermogen van de lage hei-energie dient zodanig te zijn dat bruinvissen de gelegenheid hebben om naar een veilige locatie te zwemmen. De vergunninghouder onderbouwt in het funderingsplan als bedoeld in het tweede lid, onderdeel e, duur en vermogen van de lage hei-energie.
- c) De vergunninghouder kan van het bepaalde in onderdeel a van dit lid afwijken in het geval de in dat onderdeel bedoelde middelen meer geluid produceren dan de te hanteren installatietechniek op de relevante frequenties of een ter zake deskundige in het funderingsplan, bedoeld in het tweede lid, onderdeel e, motiveert dat de maatregel als zodanig niet bijdraagt aan het voorkomen van permanente effecten op het gehoor van bruinvissen.
- 2. Maatregelen ter voorkoming van verstoring van bruinvissen, zeehonden en vissen (geluidsnorm).
- a) Als gevolg van de bouw van het windpark mag op enig moment het geluidsniveau onder water tijdens het heien de geluidsnorm van 168 dB µPa2s SELss (op 750 meter van de geluidsbron) niet overschrijden, behoudens het bepaalde in onderdeel b.
- b) De vergunninghouder mag bij de eerste tien funderingspalen de in onderdeel a vermelde geluidsnorm overschrijden met maximaal 2 dB re 1 μPa2s SELss.
- c) Het geluidsniveau bij heien (impulsgeluid) dient tijdens het funderen door de vergunninghouder continu gemeten te worden. De resultaten van de geluidsmetingen worden per fundering, uiterlijk 48 uur na de afronding van het plaatsen van de fundering, doorgestuurd naar de Minister van Klimaat en Groene Groei. Daarnaast deelt de vergunninghouder de meetgegevens van impulsgeluid na afronding van alle funderingswerkzaamheden met de Minister van Infrastructuur en Waterstaat ten behoeve van internationale rapportageverplichtingen.
- d) Wanneer na achtereenvolgende geluidsmetingen blijkt dat het geluidsniveau onder water tijdens het heien van de funderingspalen de in onderdeel a vermelde geluidsnorm niet overschrijdt, kan de Minister van Economische Zaken en Klimaat worden verzocht toe te staan dat de frequentie van de geluidsmetingen wordt verlaagd.
- e) De vergunninghouder stelt een funderingsplan op en dient dat uiterlijk acht weken voorafgaand aan de start van de bouw in bij de Minister van Economische Zaken en Klimaat.
- f) De werkzaamheden worden uitgevoerd conform het funderingsplan als bedoeld in onderdeel e.
- g) De vergunninghouder spant zich in om in een zo kort mogelijke aaneengesloten periode onderwatergeluid te produceren.
- h) In het funderingsplan als bedoeld in onderdeel e kan voor test- en onderzoeksdoeleinden passend binnen de wet- en regelgeving en met een openbaar belang worden afgeweken van de geluidsnorm als bedoeld in onderdeel a. De afwijking is beperkt tot het voor de proef strikt noodzakelijke en geldt voor ten hoogste drie funderingspalen, en maximaal 25 minuten per paal. De afwijking wordt in het funderingsplan gemotiveerd. De motivering bevat ten minste:
- – nut en noodzaak van de afwijking;
- – een beschrijving van de te hanteren techniek en middelen;
- – het voorziene geluidsniveau, de voorziene duur van de normoverschrijding in de onderscheidende fasen van het heiproces en het voorziene aantal bruinvisverstoringsdagen;
- – een beschrijving van de maatregelen om het geluidsniveau zoveel mogelijk te beperken;
- – de wijze van monitoring en verwerking van onderzoeksresultaten;
- – de termijn waarbinnen de onderzoeksresultaten worden gedeeld met de Minister van Economische Zaken en Klimaat.
- i) In het geval (mede) gebruik wordt gemaakt van een techniek die geen impulsgeluid veroorzaakt bevat het funderingsplan, bedoeld in onderdeel e, een berekening van het aantal bruinvisverstoringsdagen door een ter zake deskundige, waaruit volgt dat het aantal bruinvisverstoringsdagen als gevolg van werkzaamheden bij de aanleg van het windpark ten hoogste 58.193 bedraagt.
- 3. Maatregelen ter beperking van aanvaringsslachtoffers onder vogels op rotorhoogte gedurende migratieperiodes:
- a) Tijdens migratieperiodes brengt de vergunninghouder het aantal rotaties per minuut per windturbine terug tot minder dan twee tijdens het tijdvak in de nacht waarin sprake is van voorspelde massale vogeltrek.
- b) Het in onderdeel a van dit lid bedoelde tijdvak waarin sprake is van voorspelde massale vogeltrek wordt bij besluit van de Minister van Klimaat en Groene Groei vastgesteld. De Minister van Klimaat en Groene Groei baseert het besluit op het signaal van het voorspellingsmodel. De Minister van Klimaat en Groene Groei betrekt bij het besluit een advies van de landelijk netbeheerder en kan een advies van vogeldeskundigen betrekken. Het besluit wordt op een zodanig moment bekend gemaakt dat de vergunninghouder redelijkerwijs kan voldoen aan onderdeel a van dit lid.
- c) De vergunninghouder is verplicht zonder financiële tegenprestatie mee te werken aan de plaatsing en installatie van apparatuur op, in of aan de door de Minister van Klimaat en Groene Groei aan te wijzen turbines ter uitvoering van de maatregel zoals bedoeld in onderdeel a van dit lid. Dit betreft mede het ter beschikking stellen van bevestigingsconstructies aan de aangewezen turbines. Voor de plaatsing en installatie van de apparatuur zal een overeenkomst worden gesloten met de vergunninghouder, waarbij zoveel mogelijk rekening wordt gehouden met de operationele werkzaamheden in het windpark.
- d) De vergunninghouder is verplicht zonder financiële tegenprestatie mee te werken aan toegang ten behoeve van het beheer en onderhoud van de apparatuur zoals bedoeld in onderdeel c van dit lid. Voor het beheer en onderhoud van de apparatuur zal een overeenkomst worden gesloten met de vergunninghouder, waarbij zoveel mogelijk rekening wordt gehouden met de operationele werkzaamheden in het windpark.
- e) De in onderdeel a van dit lid bedoelde tijdvakken zullen in totaal niet meer dan 60 uur per jaar betreffen, gerekend van najaar tot najaar.
- f) De Minister van Klimaat en Groene Groei evalueert periodiek de in dit lid bedoelde stilstandsvoorziening.
- 4. Maatregelen voor het voorkomen van aanvaringsslachtoffers van vleermuizen op rotorhoogte.
- a) In de periode tussen zonsondergang en zonsopkomst gedurende de periode 25 augustus tot 10 oktober, is de cut-in-windspeed op ashoogte van de turbines (ook) aangepast aan de temperatuur en windrichting, en bedraagt deze zoals weergegeven in onderstaande tabel.
- b) Bij een windsnelheid lager dan de cut-in-windspeed, bedoeld in onderdeel a, brengt de vergunninghouder in de periode tussen zonsondergang en zonsopkomst, bedoeld in onderdeel a, het aantal rotaties per minuut per windturbine omlaag tot minder dan twee.
- c) Metingen van windsnelheid, windrichting en temperatuur en berekeningen van zonsondergang en zonsopkomst worden per turbine uitgevoerd, met (voor metingen) tijdsintervallen van ten hoogste twintig minuten, waarbij telkens de laatste tijdsinterval-meting bepalend is voor de toepassing van de maatregelen als bedoeld in onderdelen a en b.
- d) De vergunninghouder geeft binnen twee maanden na afloop van de periode, bedoeld in onderdeel a, in een rapportage naar de Minister van Economische Zaken en Klimaat aan op welke wijze aan dit voorschrift uitvoering is gegeven.
- 5. Maatregelen ter beperking van stikstofdepositie in Natura 2000-gebieden.
- a) Bij het verrichten van aanleg- en verwijderingswerkzaamheden worden adequate maatregelen getroffen om de emissie van stikstofverbindingen naar de lucht zoveel als redelijkerwijs mogelijk te beperken.
- b) De vergunninghouder geeft in de in artikel 6.16e, derde lid, van het Waterbesluit genoemde werkplannen voor de aanleg en verwijdering van het windpark aan welke emissiebeperkende maatregelen als bedoeld in onderdeel a worden ingezet.
- c) De vergunninghouder geeft in een plan van aanpak aan welke vaartuigen voor het onderhoud van het windpark worden ingezet en toont middels een bijgevoegde AERIUS berekening aan dat de stikstofdepositie in de stikstofgevoelige Natura 2000 gebieden als gevolg van de inzet van deze vaartuigen niet meer dan 0,00 mol N/ha/jr bedraagt.
- d) De in onderdeel b genoemde werkplannen en het in onderdeel c genoemde plan van aanpak worden uiterlijk acht weken voorafgaand aan de start van de bouw van het windpark (ook) aan de Minister van Economische Zaken en Klimaat voorgelegd.
- e) De werkzaamheden worden uitgevoerd conform de plannen als bedoeld in onderdelen b en c.
- 6. Maatregelen ter beperking van de verstoring van zeehonden en vogels tijdens constructie- en onderhoudswerkzaamheden.
- a) De schepen die door de vergunninghouder worden ingezet, moeten bij hun vaarbewegingen rekening houden met de aanwezigheid van zeehonden op de aanwezige platen en de aangewezen rustgebieden alsmede rekening te houden met aanwezige vogelconcentraties. Hierbij dienen de maatregelen zoals genoemd in het Beheerplan Voordelta, het Beheerplan Deltawateren, het Beheerplan Waddenzee en het Beheerplan Noordzeekustzone in acht te worden genomen. De bepalingen uit de betreffende Beheerplannen zijn opgenomen in de bijlage bij dit voorschrift.
- b) Dit voorschrift vervalt op het moment dat in het Beheerplan Voordelta, het Beheerplan Deltawateren, het Beheerplan Waddenzee en het Beheerplan Noordzeekustzone de schepen zoals bedoeld in de eerste volzin van onderdeel a zijn opgenomen als bestaand gebruik.
- 7. Maatregelen ter vergroting van het geschikte habitat voor van nature in de Noordzee voortkomende soorten.
- a) Als stenen of andere materialen gebruikt worden als erosiebescherming rondom de windturbinefundatie, dan dient bij minimaal 20 procent van alle turbines het geheel van de bovenste gradatie van de erosiebescherming zo te worden ontworpen dat geen beweging plaatsvindt bij stormcondities met een herhalingsperiode van één jaar.
- b) De onder a genoemde bovenste gradatie van de erosiebescherming dient minimaal twee spleten of holtes per vierkante meter oppervlak te bevatten van minimaal 10 tot maximaal 30 centimeter in diameter en minimaal 20 tot maximaal 50 centimeter diep. Het ontwerp is zodanig dat sedimentatie in de holtes wordt geminimaliseerd.
- c) Onverminderd het onder a bepaalde, mag de verplichting onder b op een alternatieve wijze worden ingevuld door op of in de onder a genoemde bovenste gradatie van de erosiebescherming zes kunstmatige structuren per turbine te installeren. Deze structuren dienen stabiel op de erosiebescherming te staan of daarin (gedeeltelijk) te zijn ingebed en dienen zich te bevinden buiten de door de turbinepaal in de dominante stromingsrichting gecreëerde turbulentie. Het ontwerp is zodanig dat sedimentatie in de holtes wordt geminimaliseerd.
- d) Van de onder c bedoelde kunstmatige structuren zijn (combinaties van) de volgende structuren toegestaan:
- – buizen, geheel cilindervormig of met een hexagonale buitenzijde en een cilindervormige binnenzijde, met zowel een lengte als diameter van minimaal 100 cm. Daarbij dient steeds een van de buisuiteinden te allen tijde toegankelijk te zijn, en is een buis aan de bovenzijde voorzien van minimaal vier gaten van minimaal 15 en maximaal 30 cm per meter om wateruitwisseling te garanderen.
- – bol- of kubusvormige structuren met een binnendiameter van minimaal 100 cm en toegankelijk door minimaal 6 en maximaal 15 openingen met een diameter variërend van 15 tot 50 cm;
- – overige structuren die minimaal 6 afzonderlijke holtes bevatten met de volgende dimensies: minimaal 10 tot maximaal 30 centimeter diameter en minimaal 20 tot maximaal 50 centimeter diepte.
- e) Onverminderd het onder a en c bepaalde mogen andere dan de onder d aangegeven (combinaties van) kunstmatige structuren worden geïnstalleerd. De afmetingen van holtes en openingen en de aantallen openingen van deze structuren dienen zodanig te zijn, dat de structuren op vergelijkbare wijze een habitat bieden aan de beoogde soorten als de onder d aangegeven structuren. Daarbij dient de vergunninghouder ook te voorzien in een locatiespecifiek monitoringsprogramma om de effecten van de maatregelen te kunnen vaststellen.
- f) De vergunninghouder stelt een plan van aanpak op voor de te nemen maatregelen en dient dat uiterlijk acht weken voorafgaand aan de start van de bouw in bij de Minister van Economische Zaken en Klimaat.
- g) De werkzaamheden worden uitgevoerd conform het plan als bedoeld in onderdeel f.
- 8. Maatregelen ter bescherming van (afgesloten) mijnbouwputten.
- a) Er worden geen turbines en kabels geplaatst binnen een straal van 100 meter van de mijnbouwputlocaties in onderstaande tabel. Overdraai van rotorbladen is wel toegestaan.
- b) Indien een (afgesloten) mijnbouwput niet met een afstand van 100 meter gemeden kan worden voor de uitvoering van bodemberoerende activiteiten, dient voorafgaand aan het leggen van kabels en/of het plaatsen van de fundering van de windturbine een nader onderzoek te worden uitgevoerd om aan te tonen dat geen veiligheidsrisico’s kunnen optreden.
- c) De resultaten van het in onderdeel b genoemde onderzoek worden uiterlijk drie maanden voorafgaand aan de start van de bouw van het windpark voorgelegd aan de Minister van Economische Zaken en Klimaat.
- 9. Maatregelen ter bescherming van archeologie en cultuurhistorie.
- a) Indien de locaties met mogelijk archeologisch waardevolle objecten die vermeld zijn in de bijlage bij dit voorschrift met een straal van 100 meter niet gemeden kunnen worden voor de uitvoering van bodemberoerende activiteiten, dient voorafgaand aan het leggen van de kabels en het plaatsen van de funderingen van de windturbines een nader Inventariserend Veldonderzoek (IVO) (verkennend onderwateronderzoek) te worden verricht voor deze locaties naar de mogelijke aanwezigheid van archeologische monumenten. Dit onderzoek dient volgens de vigerende Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie (KNA) Waterbodems te worden uitgevoerd. Overdraai van rotorbladen is wel toegestaan.
- b) Indien de begraven ijzerhoudende objecten die vermeld zijn in de bijlage bij dit voorschrift met een straal van 100 meter niet gemeden kunnen worden voor de uitvoering van bodemberoerende activiteiten, dient het UXO-onderzoek terplekke archeologisch te worden begeleid. Deze begeleiding dient volgens de vigerende Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie (KNA) Waterbodems te worden uitgevoerd.
- c) De resultaten van de onder onderdeel a en b genoemde onderzoeken worden uiterlijk zes maanden voorafgaand aan de start van de bouw van het windpark voorgelegd aan de Minister van Economische Zaken en Klimaat.
- d) Afhankelijk van de conclusies uit het onder onderdeel a en b genoemde onderzoeken:
- – kunnen de werkzaamheden ongewijzigd doorgang vinden;
- – is een vervolgonderzoek nodig;
- – worden fysieke maatregelen getroffen ter bescherming van archeologische vindplaatsen;
- – worden vindplaatsen definitief uitgesloten van ingrepen met inachtneming van een bufferzone;
- – worden de werkzaamheden archeologisch begeleid.
- e) De vergunninghouder stelt een plan op waarin wordt uiteengezet op welke wijze uitvoering wordt gegeven aan de eisen voortvloeiend uit dit voorschrift en artikel 6.16f van het Waterbesluit, en dient dat uiterlijk drie maanden voorafgaand aan de start van de bouw in bij de Minister van Economische Zaken en Klimaat.
- 10. Maatregelen ter beperking van hinder door verlichting, het verminderen van de zichtbaarheid van het windpark en het bevorderen van de veiligheid voor zeevarenden.
- a) Aeronautische obstakellichten op het hoogste vaste punt op alle windturbines zijn vastbrandende rode lichten.
- b) Indien de zichtbaarheid tijdens de schemer- en/of nachtlichtperiode meer bedraagt dan 5 kilometer, wordt de nominale lichtintensiteit van deze aeronautische obstakellichten tijdens de schemer- en/of nachtlichtperiode tot 30 procent verlaagd, indien de zichtbaarheid tijdens de schemer- en/of nachtlichtperiode meer bedraagt dan 10 kilometer wordt de intensiteit tijdens de schemer- en/of nachtlichtperiode tot 10 procent verlaagd.
- c) Op aanwijzing van de Minister van Economische Zaken en Klimaat of de Kustwacht wordt het windpark geheel of gedeeltelijk verlicht in het geval van een reddingsoperatie in of in de directe omgeving van het windpark.
- d) De mast, de gondel en de bladen van de windturbines worden uitgevoerd in de kleur lichtgrijs (RAL 7035).
- e) Alle turbines zijn voorzien van nautische herkenningstekens/identificatiecodes die indirect en overkapt zijn verlicht met een eigen lichtbron van lage lichtsterkte. De herkenningstekens zijn met intervallen van 120 graden gepositioneerd op het transitiestuk of de mast. De identificatiecodes zijn duidelijk leesbaar vanaf een positie op 3 meter boven MSL en ten minste 150 meter afstand van de turbine.
- f) In afwijking van artikel 7.40, tweede lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, stelt de vergunninghouder de melding, bedoeld in artikel 7.34, tweede lid, onderdeel d, van het Besluit activiteiten leefomgeving, op in overeenstemming met het informatieblad ‘Aanduiding offshore windturbines en offshore windparken in relatie tot luchtvaartveiligheid’ en de IALA-richtlijn G1162.
- g) Onverminderd het bepaalde in onderdeel f van dit lid, kan de vergunninghouder in de melding, bedoeld in artikel 7.34, tweede lid, onderdeel d, van het Besluit activiteiten leefomgeving, in het belang van de bescherming van vogels of in het belang van onderzoek naar de bescherming van vogels, afwijken van de onderdelen b en d van dit lid.
- 11. Maatregel ter bevordering van de scheepvaartveiligheid en handhaving in en rond het windpark.
- a) De vergunninghouder is verplicht om zonder financiële tegenprestatie mee te werken aan de plaatsing en installatie van nautische apparatuur die de scheepsbewegingen in en rond het windpark kan waarnemen op de door de overheid bepaalde plek(ken). Dit betreft onder meer het ter beschikking stellen van bevestigingsconstructies aan de aangewezen turbines. Voor de plaatsing en installatie van de apparatuur zal een overeenkomst worden gesloten met de vergunninghouder van het windpark. De in het windpark geldende veiligheidsregels worden daarbij in acht genomen.
- b) De vergunninghouder is verplicht zonder financiële tegenprestatie mee te werken aan toegang ten behoeve van het beheer en onderhoud van deze apparatuur. Voor het beheer en onderhoud van de apparatuur zal een overeenkomst worden gesloten met de vergunninghouder van het windpark.
- 12. Maatregel ter bevordering van de veiligheid bij reparaties en onderhoud aan kabels en leidingen.
- a) Tijdens reparaties en onderhoud van kabels en leidingen moet het aantal rotaties per minuut per windturbine van de windturbines die zich in een straal van 1.000 meter van de reparatie- en onderhoudslocatie bevinden, tot minder dan twee worden teruggebracht.
- 1. Monitorings- en evaluatieprogramma
- a) De Minister van Economische Zaken en Klimaat laat een monitorings- en evaluatieprogramma opstellen. De vergunninghouder werkt zonder financiële tegenprestatie mee aan de uitvoering van dit monitorings- en evaluatieprogramma. De in het windpark geldende veiligheidsregels worden daarbij in acht genomen.
- b) De Minister van Economische Zaken en Klimaat maakt de gegevens die voortkomen uit het monitorings- en evaluatieprogramma openbaar.
- c) Ten behoeve van de uitvoering van het monitoring- en evaluatieprogramma werkt de vergunninghouder mee ten aanzien van onder meer:
- – toegang tot het windpark met vaartuigen ten behoeve van tellingen van natuurwaarden;
- – toegang tot de bodem van een windpark en het nemen van monsters;
- – het (laten) bevestigen van apparatuur zoals camera’s en batdetectors op of aan (onderdelen van) de windturbines en toegang ten behoeve van beheer en onderhoud van deze apparatuur;
- – het (laten) bevestigen van radar op of aan (onderdelen van) de windturbines en toegang ten behoeve van beheer en onderhoud van deze radars;
- – het (laten) bevestigen van meetapparatuur (bijvoorbeeld meetboeien, c-pods etc.) in het windpark en toegang ten behoeve van het beheer en onderhoud van deze apparatuur;
- – het beschikbaar stellen van bandbreedte op de datakabel.
- 2. De vergunninghouder verstrekt driemaal inzicht in de aan lokale en regionale ondernemingen gegunde opdrachten voor ontwerp, bouw en exploitatie van het windpark uitgesplitst naar toeleveranciers, havens, (onder)aannemers en ondersteunende dienstverleners en de geschatte daaruit voortvloeiende omzet en werkgelegenheid. De eerste rapportage wordt uiterlijk twee jaar na de datum van afgifte van de vergunning overgelegd aan de Minister van Economische Zaken en Klimaat. Het tweede rapport wordt uiterlijk vijf jaar na de datum van afgifte van de vergunning overgelegd aan de Minister van Economische Zaken en Klimaat. Voor het laatst vindt overlegging plaats acht jaar na de datum van afgifte van de vergunning.
- 1. Uiterlijk op het moment dat de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO) bewijs heeft ontvangen dat Garanties van Oorsprong (GvO) zijn afgegeven over de geleverde stroom stelt de vergunninghouder zich garant door middel van een bankgarantie aan de Staat voor een bedrag van € 120.000 per geïnstalleerde MW ten bate van de verwijdering van het windpark.
- 2. De vergunninghouder verhoogt het in het eerste lid genoemde bedrag jaarlijks met 2 procent als gevolg van indexatie gedurende een periode van twaalf jaar na afgifte van de bankgarantie.
- 3. Na een periode van twaalf jaar exploitatie, 24 jaar exploitatie en één jaar voor het tijdstip van verwijdering verzoekt de vergunninghouder de Minister van Economische Zaken en Klimaat om zowel het bedrag genoemd in het eerste lid als de indexatie daarvan opnieuw vast te stellen.
- • Slikken van Voorne (Voordelta);
- • Hinderplaat (Voordelta);
- • Bollen van de Ooster (Voordelta);
- • Middelplaat (voorheen Verklikkerplaat) (Voordelta);
- • Bollen van het Nieuwe Zand (Voordelta).
- • Buiten de winterrustgebieden blijven (in ieder geval geen toegang in de periode 15 december – 1 april) en op ruime afstand (>1.500 m, of zoveel als minimaal haalbaar) van de rustgebieden varen om effecten in de rand-zone van het rustgebied te minimaliseren.
- • Minimaal 1.200 meter afstand van vaste rustgebieden voor zeehonden (zandplaten bij Middelplaat, Bollen van de Ooster en Hinderplaat). Wanneer dit niet mogelijk is, dient in ieder geval verstoring van pups te worden voorkomen.
- • Bij aanwezigheid van pups niet in de directe nabijheid (>1.200 m) varen in de zoogperiode (mei-juli) van de gewone zeehond.
- • Bij aanwezigheid van pups niet in de directe nabijheid (>1.200 m) varen in de zoogperiode (dec-feb) van de grijze zeehond.
- • Roggenplaat (voor rusten, verharen, zogen) (Oosterschelde);
- • Galgeplaat (of Vondelingsplaat, voor verharen en rusten) (Oosterschelde);
- • Zimmermangeul (Westerschelde);
- • Rug van Baarland (Westerschelde);
- • de Middelplaat (Westerschelde);
- • de Hooge Platen (Westerschelde);
- • Everingen (Westerschelde);
- • Plaat van Breskens (Westerschelde);
- • de Platen van Ossenisse (Westerschelde);
- • de Platen van Valkenisse (Westerschelde).
- • Hooge Platen;
- • Hooge Springer;
- • Rug van Baarland;
- • platen van Valkenisse.