Bijlage II Kavelbesluit VII windenergiegebied Hollandse Kust (west): toelichting kavelbesluit VII windenergiegebied Hollandse Kust (west)
Kavelbesluit VII windenergiegebied Hollandse Kust (west)
Nederland voert al enige kabinetsperiodes lang een klimaatbeleid dat binnen de Europese Unie is afgestemd met de andere lidstaten. Hierbij gaan het streven naar het sterk verminderen van de uitstoot van broeikasgassen (met name CO2), het besparen op energieverbruik en het ontwikkelen van bronnen van duurzame energie hand in hand.1Bij het akkoord over het Klimaat- en Energie Beleidsraamwerk voor 2030 is een Europees bindend doel van 27 procent hernieuwbare energie afgesproken. Zie Kamerstukken II, 2014/15, 21 501-20, nr. 922. Doel is het beperken van de opwarming van de atmosfeer tot 2 graden Celsius om ernstige maatschappelijke en economische gevolgen van klimaatverandering af te wenden. Nevendoel is het minder afhankelijk worden van fossiele brandstoffen, met name die uit politiek instabiele regio’s afkomstig zijn. Het Energieakkoord voor duurzame groei2Energieakkoord voor duurzame groei, Kamerstukken II, 2012/13, 30 196, nr. 202. (hierna: Energieakkoord) bevat afspraken tussen de overheid, het bedrijfsleven en maatschappelijke organisaties over het aandeel duurzame energie in 2023. Windenergie op zee speelt daarin een prominente rol. Specifiek voor windparken op zee is afgesproken dat in 2023 circa 4,5 GW operationeel vermogen gerealiseerd is. Ook is vastgelegd dat het kabinet zorgdraagt voor een robuust wettelijk kader om de opschaling van windenergie op zee mogelijk te maken. Korte(re) doorlooptijden en kostenreductie waren daarbij belangrijke uitgangspunten. Het resultaat, de Wet windenergie op zee, voorziet daartoe in een stelsel van uitgifte van kavels in windenergiegebieden (zie paragrafen 1.2 en 2.1). In lijn met het Energieakkoord zijn op grond van de Wet windenergie op zee inmiddels kavels uitgegeven in achtereenvolgens de windenergiegebieden Borssele, Hollandse Kust (zuid) en Hollandse Kust (noord).3De ‘routekaart windenergie op zee 2023’ bevat het uitrolschema tot 2023, zie Kamerstukken I/II 2014/15, 33 561, A/nr. 11 Herdruk. De windparken in genoemde k
- 1) aansturen op CO2-reductie;
- 2) verzilveren van de economische kansen die de energietransitie biedt, en;
- 3) integreren van energie in het ruimtelijk beleid.
- • Hollandse Kust (west) met een vermogen van 1,4 GW, waarvan de ingebruikname zou moeten plaatsvinden in 2025–2026;
- • Ten noorden van de Waddeneilanden met een vermogen van 0,7 GW, waarvan de ingebruikname staat gepland in 2027;
- • IJmuiden Ver, met een vermogen van circa 4 GW het grootste windenergiegebied, waarvan de ingebruikname in de periode 2028–2029 moet plaatsvinden.
- − Voorschrift 3, eerste, tweede en zevende lid, bepaalt dat ten hoogste 60 turbines worden geplaatst van ten minste 14 MW. Het (aangepaste) totale rotoroppervlak is maximaal 2.624.613 m2. Met de aanscherping van de bandbreedte op deze aspecten is beoogd de gevolgen voor het aan te wijzen Natura 2000-gebied Bruine Bank te beperken. Dit is een wijziging ten opzichte van het oorspronkelijke ontwerpkavelbesluit. Ten opzichte van het herziene ontwerpkavelbesluit is het totale maximaal rotoroppervlakte aangepast, van 2.280.780 m2 naar 2.624.613 m2. Voor een toelichting wordt verwezen naar paragraaf 7.2 en de nota van beantwoording (onder IV).
- − Voorschrift 3, zesde lid, bepaalt een minimale turbine-ashoogte van 135 meter boven MSL. Dit is conform het herziene ontwerpkavelbesluit maar was in het oorspronkelijke ontwerp 135,5 meter. De ashoogte van (afgerond) 135 meter is voorgeschreven om te waarborgen dat de toegestane bandbreedte van het windpark in overeenstemming is met de bandbreedte als gehanteerd in relatie tot het gemodelleerde aantal aanvaringsslachtoffers onder vogels in het Kader ecologie en cumulatie (KEC).
- − Voorschrift 3, achtste lid, bepaalt dat een samenstel van turbines met een gecombineerd geïnstalleerd vermogen tot 760 MW in ieder geval wordt aangesloten op het TenneT-platform Hollandse Kust (west Beta). Dit is conform het herziene ontwerpkavelbesluit. Het oorspronkelijk ontwerp ging uit van alle turbines. Het herziene voorschrift houdt rekening met de door de (gewijzigde) Wet windenergie op zee geboden mogelijkheid dat het net op zee niet het enige aansluitpunt is. Zie voor een nadere toelichting paragraaf 4.1.3.
- − Voorschrift 4, vijfde lid, bevat een inspanningsverplichting om de emissie van stikstofverbindingen naar de lucht in de bouw- en verwijderingsfase te beperken. Dit is conform het herziene ontwerpbesluit. Het oorspronkelijke ontwerp bevatte een gekwantificeerd en bindend emissieplafond. Deze bepaling wordt gelet op de wettelijke voorziening als bedoeld in artikel 2.9a van de Wet natuurbescherming en artikel 2.5 Besluit natuurbescherming niet langer passend geacht. Met het vervangende voorschrift wordt aangesloten bij de aanpak van het (voorgestelde) artikel 7.19a van het Besluit bouwwerken leefomgeving, dat voor windparken in de EEZ niet van toepassing is. Een nadere motivering is opgenomen in paragraaf 7.8.7.
- − Aan voorschrift 4, achtste lid, is een coördinatentabel toegevoegd van de in de kavel aanwezige (afgesloten) mijnbouwputten. Dit is conform het herziene ontwerpkavelbesluit maar ontbrak in het oorspronkelijke ontwerpbesluit.
- − De in voorschrift 4, negende lid, genoemde termijn voor het overleggen van een archeologie-werkplan is drie maanden voorafgaand aan de bouwwerkzaamheden. Dit is conform het herziene ontwerpkavelbesluit, maar in het oorspronkelijke ontwerp was deze termijn abusievelijk gesteld op achttien maanden voorafgaand aan de start van de bouw.
- − In het ontwerpkavelbesluit was in voorschrift 4, tiende lid, onderdeel c voorgeschreven dat in ieder geval de contouren van het windpark verlicht dienen te zijn in het kader van de luchtvaartveiligheid, waarbij, vanuit de cockpit van het luchtvaartuig gezien, de afstand op de horizon tussen de afzonderlijke lichten op de windturbines niet meer dan 900 meter is. Dit onderdeel van voorschrift 4, tiende lid, is geschrapt. De reden daarvan is dat in onderdeel a van voorschrift 4, tiende lid, dwingend is bepaald dat de obstakellichten op het hoogste vaste punt op alle windturbines vastbrandende rode lichten zijn. Het voorschrift zoals opgenomen in zowel het oorspronkelijke als herziene ontwerpkavelbesluit was daarmee innerlijk tegenstrijdig en niet in overeenstemming met het informatieblad ‘Aanduiding offshore windturbines en offshore windparken in relatie tot luchtvaartveiligheid’.
- − In voorschrift 4, tiende lid, is ter bevordering van de scheepvaartveiligheid de verplichting opgenomen dat alle turbines zijn voorzien van goed zichtbare herkenningstekens/identificatiecodes die indirect en overkapt zijn verlicht met een eigen lichtbron van lage lichtsterkte. Dit is conform het herziene ontwerpkavelbesluit, maar ontbrak nog in het oorspronkelijke ontwerpkavelbesluit.
- − Voorschrift 6 bepaalt dat de vergunning wordt verleend voor 35 jaar. Dit is conform het herziene ontwerpkavelbesluit maar gelet op de gewijzigde Wet windenergie op zee vijf jaar langer dan bepaald in het oorspronkelijke ontwerpkavelbesluit. De nadere motivering is opgenomen in paragraaf 4.4.1.
- − Voorschrift 8, waarin de financiële zekerheidsstelling is geregeld, is gelet op het bovenstaande aangepast op de wijziging van de vergunningsduur. Dit is conform het herziene ontwerpkavelbesluit, maar ontbrak nog in het oorspronkelijke ontwerpkavelbesluit. Daarnaast is aanvullend het vierde lid geschrapt, dat gelet op de gewijzigde Wet windenergie op zee niet meer relevant is.
- − Bij voorschrift 2, tweede lid, in het oorspronkelijke ontwerp was een foutieve bijlage gevoegd. Deze is vervangen door de correcte versie, conform het herziene ontwerpkavelbesluit.
- − In paragraaf 6.5.4 van het oorspronkelijke ontwerpkavelbesluit stond in relatie tot voorschrift 4, achtste lid, ten onrechte vermeld dat onder voorwaarden steenbestorting aanwezig mag zijn in een straal van 100 meter rond een (afgesloten) mijnbouwput. Deze passage is reeds in de toelichting bij het herziene ontwerpkavelbesluit verwijderd.
- − In paragraaf 6.8.2 is conform het herziene ontwerpkavelbesluit in de toelichting verduidelijkt dat (gedeeltelijke) overdraai van turbinebladen is toegestaan in een straal van 100 meter rond de mogelijk archeologisch waardevolle objecten en de begraven ijzerhoudende voorwerpen. In afwijking van het herziene ontwerpbesluit is het tevens in de betreffende voorschriften (voorschriften vier, achtste en negende lid) tot uitdrukking gebracht.
- − In de paragrafen 6.10.2 en 6.10.3 is conform het herziene ontwerpkavelbesluit toegevoegd dat de (verlaten) telecomkabel UK-NL10 aanwezig is in het gebied.
- − In paragraaf 6.11.3 is conform het herziene ontwerpkavelbesluit nader toegelicht dat in het kavelbesluit geen (bindende) ruimtelijke reservering/uitsluiting wordt opgenomen voor de straalverbindingen die de kavel doorkruisen.
- • De gevolgen van stikstofdepositie in de aanlegfase voor daarvoor gevoelige natuurgebieden.
- • De gevolgen voor het toekomstige Natura 2000-gebied Bruine Bank.
- • De gebiedsspecifieke effecten op soorten die in of op de zeebodem leven.
- • een platform op zee;
- • elektriciteitskabels van het platform door de zeebodem en ondergronds vanaf de kust naar een nieuw te bouwen transformatorstation op land;
- • een verbindingskabel vanaf het platform Hollandse Kust (west Beta) met het platform Hollandse Kust (west Alpha).
- • Door het vrijhouden van een deel van het windenergiegebied wordt de hinder voor het scheepvaartverkeer beperkt, in het bijzonder voor de ferrydiensten tussen Nederland en het Verenigd Koninkrijk die gebruik gaan maken van de meest noordelijke punt.
- • Het verlies aan visgrond is minder. Een gedeelte van het windenergiegebied met een betrekkelijk hoge visvangstopbrengst in het zuiden blijft vooralsnog beschikbaar.
- • Minder habitatverlies voor soorten in de Noordzee.
- • windturbines opgebouwd uit een fundering, een eventueel transitiestuk, een mast, een gondel en rotorbladen;
- • bekabeling die de individuele turbines verbindt en aansluit op een platform (inter-array-kabels).
- • tiphoogte: bovenste stand van een individueel blad;
- • tiplaagte: laagste stand van een individueel blad;
- • rotordiameter;
- • aantal bladen per turbine.
- • monopile: een stalen buis met een verschillende doorsnede afhankelijk van het gewicht van de turbine en de grondsoort, waarop de turbine geplaatst wordt;
- • jacket: een open constructie die met vier piles in de bodem is verankerd;
- • tripod: een open constructie die met drie piles in de bodem is verankerd;
- • gravity based fundering: een betonnen voet bestaande uit een holle kegel die ter plaatse wordt afgezonken en op de bodem wordt geplaatst en gevuld wordt met zand;
- • suction bucket34Een suction bucket wordt geïnstalleerd door het op de zeebodem te plaatsen en vervolgens een pomp te activeren die water uit de bucket verwijdert, waardoor de bucket zich vastzuigt en in de bodem dringt. Bovenop de suction bucket wordt de turbinepaal gemonteerd.: een cilindrische constructie geplaatst onder een jacket waarvan de bovenkant is afgesloten.
- • na 12 jaar exploitatie;
- • na 24 jaar exploitatie;
- • 1 jaar voor start van de verwijdering van het windpark.
- − eigenschappen van het object;
- − kromming van de aarde (kimduiking);
- − visus van het menselijke oog;
- − meteorologische omstandigheden, en;
- − ooghoogte van de waarnemer.
- 1. De cumulatieve effecten op de relevante soorten worden primair getoetst aan de Zuidelijke Noordzee populaties77Bij het in beeld brengen van effecten op het niveau van biogeografische regio’s is om pragmatische redenen een studiegebied gedefinieerd voor vogels en vleermuizen; de Zuidelijke Noordzee. Bij deze keuze hebben vooral de karakteristieken van dit gebied en de functies die het heeft voor de relevante soorten een rol gespeeld. Het omvat nu de Zuidelijke Noordzee tussen 51°N (ongeveer Calais) tot aan 56°N (net ten noorden van het drielandenpunt aan de noordzijde van het NCP, en van de Britse oostkust tot aan de Europese continentale kustlijn (exclusief de Waddenzee en Zeeuwse stromen). Zie figuur 3, kader ecologie en cumulatie 3.0, deelrapport A., zodat een beeld wordt verkregen van het effect op de staat van instandhouding van de betreffende soorten. In overeenstemming met deze aanpak is een analyse opgesteld met inbegrip van windparken in de gehele Zuidelijke Noordzee (ten behoeve van internationale cumulatie). Voor mariene diersoorten wordt deze toetsing op populatieniveau tevens gebruikt om de mogelijke effecten op de aanwezige aantallen van de relevante soorten in Natura 2000-gebieden te bepalen en te beoordelen. Dit vanwege het feit dat mariene soorten een diffuse verspreiding kennen en hun migratiepatronen zich door de gehele Zuidelijke Noordzee uitstrekken. De aanwezigheid van deze soorten in Natura 2000-gebieden is in grote mate afhankelijk van de totale aantallen in de populatie78Deze aanpak is onderschreven in de uitwerking van het bruinvisbeschermingsplan waarin is aangegeven dat bescherming van deze migrerende soort in alleen Natura 2000-gebieden onvoldoende is om de gunstige staat van instandhouding van deze soort te bereiken en te behouden. Daarom is een Noordzee-brede bescherming voor deze soort meer gepast.. De realisatie van windenergie op zee zoals verwoord in de routekaart windenergie op zee 2030 is als uitgangspunt meegenomen voor de cumulatieve effectbeoordeling (t/m 2030).
- 2. In het KEC 3.0 is er voor vogelsoorten en vleermuissoorten voor gekozen om de effecten te toetsen aan de ´Potential Biological Removal79Het effect wordt weergegeven als percentage van de PBR. Indien het effect groter is dan 100 procent PBR is sprake van aantasting van de staat van instandhouding/significant negatieve effecten.´(PBR). De PBR is een maat voor het aantal exemplaren van een soort dat jaarlijks (bovenop de jaarlijkse sterfte en emigratie) aan de populatie onttrokken kan worden, zonder dat die populatie daardoor structureel achteruit zal gaan. Populatiekenmerken als groei- en herstelcapaciteit, omvang en trend van de betreffende populatie zijn in deze maat gebruikt. Zolang de PBR niet overschreden wordt, is de aanname dat geen sprake zal zijn van significant negatieve effecten of een aantasting van de staat van instandhouding80In het KEC 3.0 is aangegeven dat voor initiatieven in de nabijheid van Natura 2000-gebieden die voor sommige soorten wel een extra of speciale functie hebben (zoals bv. broedgebied voor zeegaande vogelsoorten als grote stern en kleine mantelmeeuw, rust-, rui- of zooggebied voor gewone en grijze zeehond, of ruigebied voor zeekoet) nog een locatie specifieke toetsing dient plaats te vinden binnen de Wnb. Binnen deze toetsing, die heeft plaatsgevonden in de Passende beoordeling, dient te worden bepaald of de (cumulatieve) effecten van het initiatief afbreuk doen aan omvang, kwaliteit en draagkracht van de habitats en leefgebieden van soorten met instandhoudingsdoelstellingen binnen die Natura 2000-gebieden. In deze situaties wordt niet aan de PBR getoetst.. Voor bruinvissen zijn de te verwachten effecten berekend met het recent herziene interim- PCoD 5.081Interim Population Consequences of Disturbance (interim- PCoD) van, Sea Mammal Research Unit (SMRU2019). Het interim- PCoD model is een methode om te bepalen in welke mate verstoring van individuele dieren doorwerkt op de gehele populatie (http://www.smruconsulting.com/products-tools/pcod/ipcod/). populatiemodel en getoetst aan de doelstelling ‘het met grote zekerheid (95 procent) in stand houden van de Nederlandse bruinvispopulatie op minimaal 95 procent van de in 2016 vastgestelde omvang van 51.000 dieren. Dit betekent dat de totale populatie op het NCP als gevolg van de aanleg van windparken op zee in de periode 2016 – 2030 niet verder mag dalen dan tot 48.450 dieren. In 2019 is de staat van instandhouding van de bruinvis veranderd van matig ongunstig naar gunstig met onzekerheden over de populatieontwikkeling82https://cdr.eionet.europa.eu/Converters/run_conversion?file=nl/eu/art17/envxuhrwa/NL_species_reports-20190819.xml&conv=593&source=remote.
- 3. In het KEC 3.0 is uitgegaan van een scenario van 8 MW turbines voor de windparken in kavels I en II windenergiegebied Borssele, 9,5 MW voor de windparken in kavels III-V windenergiegebied Borssele en 8 MW in kavels I-IV windenergiegebied Hollandse Kust (zuid) en 8 MW voor het windpark in de kavel van windenergiegebied Hollandse Kust (noord). Kleinere rotors, en relatief meer turbines, zijn schadelijker voor vogels, vleermuizen en zeezoogdieren. Naar verwachting zullen windturbines in de toekomst steeds groter worden. Wanneer met dit worst case scenario geen negatieve effecten op beschermde Natura 2000-gebieden of de staat van instandhouding van beschermde soorten is geconstateerd, zullen de effecten bij grotere (en daarmee in aantal minder) turbines afnemen, bij voldoende mitigerende maatregelen.
- − De voorkeursligging als beschreven in paragraaf 4.2.
- − Een bovengrens van het aantal te plaatsen turbines, te weten 76.
- − Een stilstandvoorziening voor het verminderen van aanvaringsslachtoffers onder vogels op basis van een vogelvoorspellingsmodel.
- − Een stilstandvoorziening voor het verminderen van aanvaringsslachtoffers onder vleermuizen in perioden en omstandigheden waarin vleermuizen migreren.
- − Een voorziening waarbij de geluidsproductie tijdens het heien wordt begrensd tot een maximale waarde van 168 dB re µPa2s op 750 meter. Naast de geluidsnormering dient gebruik gemaakt te worden van zogenaamde ‘Acoustic Deterrent Devices’ en ‘soft start’ procedure.
- • Vogels tijdens het trekseizoen;
- • Lokaal verblijvende niet-broedvogels;
- • Broedende kolonievogels uit beschermde Natura 2000-gebieden die het plangebied kunnen bereiken.