Bijlage 3 Beleidsregel huisartsenzorg en multidisciplinaire zorg 2022: verantwoordingsdocument
Beleidsregel huisartsenzorg en multidisciplinaire zorg 2022
Inhoudsopgave De NZa heeft in de Beleidsregel algemeen kader tariefprincipes curatieve zorg beschreven welke uitgangspunten de NZa hanteert bij het vaststellen van tarieven. De NZa hanteert binnen de huisartsenzorg als uitgangspunt dat de tarieven, of onderdelen van de tarieven, onderbouwd worden op basis van de werkelijke historische kosten uit het meest recente beschikbare boekjaar van een geselecteerde groep zorgaanbieders. Voor een groot deel baseert de NZa de maximumtarieven huisartsenzorg daarom op het meest recente onderzoek naar kosten, opbrengsten en productie van huisartsenpraktijken in 2015. De NZa heeft Sira Consulting opdracht gegeven om de kosten, opbrengsten, productie en inzet binnen de huisartsenpraktijk te verzamelen. Voor een aantal prestaties en kostensoorten bevat het onderzoek geen gegevens die gebruikt kunnen worden. De ‘Beleidsregel Algemeen kader tariefprincipes curatieve zorg’, artikel 4.3 lid geeft de mogelijkheid om in een dergelijke situatie het tarief via een beschrijvende norm de kostenopbouw van prestaties te bepalen: de tarieven voor de huisartsenzorg zijn voor een deel via een normatieve (modelmatige) methode ontwikkeld. Het betreft de arbeidskosten voor de huisarts-eigenaar, de vergoeding voor gederfd rendement op het eigen vermogen in de praktijkkosten, en de onderbouwing van tarieven voor de opslag poh-ggz, anw-consulten en enkele andere prestaties. De methoden zijn op hoofdlijnen vastgelegd in de hoofdtekst van de Beleidsregel huisartsenzorg en multidisciplinaire zorg. In dit verantwoordingsdocument zijn de methodes uitgewerkt en worden de berekeningen en beleidsmatige keuzes toegelicht. De prestaties die aan de basis liggen van de tariefonderbouwing zijn de inschrijving, het consult en het passantenconsult. Het basistarief van de inschrijving ligt ten grondslag aan het maximumtarief van: Het basistarief van het consult ligt ten grondslag aan het maximumtarief van: Het basistarief van het passantenconsult ligt ten grondslag aan
- 1. Inleiding
- 2. Prestaties
- 3. Basistarieven
- 4. Differentiatie inschrijftarief
- 5. Arbeidskosten
- 6. Praktijkkosten en rekennormen
- 7. Modelmatige tarieven
- 8. Berekening VGREV
- 9. Multidisciplinaire zorg – niet gecontracteerd
- – de acht gedifferentieerde inschrijftarieven, door middel van vermenigvuldiging met de factoren in onderstaande tabel.
- – het abonnementstarief per plaats voor huisartsenzorg aan asielzoekers in de centrale opvang, door middel van vermenigvuldiging van het basistarief met de factor 4,43.
- – zes reguliere consultprestaties, conform de factoren in onderstaande tabel.
- – zes consultprestaties poh-ggz, conform de factoren in onderstaande tabel.
- – één nevenprestatie, het uitstrijkje, conform de factor in onderstaande tabel.
- – Huisartsenzorg elv, intensieve zorg, de ‘overige S1-prestaties’ en de prestatie SCEN, conform onderstaande tabel.
- – de 16 M&I-verrichtingen welke zonder contract10Deze 16 M&I verrichtingen kunnen ook tegen een vrij tarief worden geleverd indien een contract met de zorgverzekeraar is gesloten. met de zorgverzekeraar tegen een maximumtarief in rekening kunnen worden gebracht.
- – zes passantenprestaties en zes prestaties voor militairen, conform onderstaande tabel
- – zes prestaties voor gemoedsbezwaarden en zes prestaties voor tijdelijk in Nederland verblijvende buitenlandse patiënten die niet bij of krachtens de Zorgverzekeringswet verplicht verzekerd zijn, door het basistarief van het passantentarief te vermeerderen met € 2,63 (prijspeil definitief 2021) en het resultaat te vermenigvuldigen met de factor in onderstaande tabel.
- – twee prestaties voor keuringen en onderzoek11De kilometervergoeding die eventueel in rekening gebracht kan worden in verband met deze prestatie heeft een andere onderbouwing, zie par. 7.6. en informatieverstrekking,
- – conform onderstaande tabel
- – Het arbeidskostenbestanddeel bedraagt € 128.311,42 op prijspeil 2015 (prijspeil definitief 2021: € 147.528,02). De onderbouwing van dit bedrag wordt toegelicht in paragraaf 4.
- – Het praktijkkostenbestanddeel bedraagt € 182,110,30 prijspeil definitief 2015 (prijspeil definitief 2021: € 217.913,06). De onderbouwing van dit bedrag wordt toegelicht in paragraaf 5.
- – De rekennorm inschrijvingen bedraagt 2.095 en de rekennorm consulten 8.966. Beide aantallen zijn terug te vinden in paragraaf 5.
- – Jaarlijks vindt een aanpassing (indexering) van zowel het arbeidskosten- als het praktijkkostenbestanddeel plaats. De wijze van indexeren is geregeld in de Beleidsregel indexering.
- – In de voorafgaande beleidsregel BR/REG-22147b die vigeert van 1 januari 2022 en met 31 maart 2022 is geen aanvullende indexering verwerkt voor loon en materieel, omdat deze aanpassing niet tijdig in de systemen van verzekeraars in te regelen viel. In de tarieven vanaf 1 april 2022 wordt om die reden een correctie doorgevoerd. Hierbij wordt rekening gehouden met de gemiste opbrengsten over de periode 1 januari tot en met 31 maart 2022. In de berekening van deze compensatie wordt ook rekening gehouden met seizoensinvloeden in declaratiepatronen. De compensatie is verwerkt via een opslag op de indexatiepercentages OVA (loon) en PPC (materieel). De voorcalculatorische indexatiepercentages 2022 bedragen per 1 april 2022:
- • Loon (OVA): 4.60%
- • Materieel (PPC): 1,89%
- 1. Bepalen zorgzwaartefactor per kenmerk.
- 2. Bepalen aantal zorgzwaarte rekeneenheden voor alle ingeschreven verzekerden.
- 3. Bepalen constante opslagbedrag per rekeneenheid.
- 4. Afleiden landelijke opslagfactor.
- 1. Basis jaarbedrag (jaarsalaris, incl. vakantietoeslag);
- 2. Aankledingsposten (werkgeverslasten als pensioen, vergoeding voor ziekte en arbeidsongeschiktheid, etc.);
- 3. Inconveniënten (toeslag voor werkzaamheden in avond, nacht en weekend).
- – Vergelijking met de publieke sector;
- – Vergelijking binnen de zorg;
- – Vergelijking buiten de zorg;
- – Vergelijking met het buitenland;
- – Vaststellen uurtarief op basis van activiteitenanalyse;
- – Macrorondrekening.
- A. De inschaling van de huisarts in de BBRA, die ten grondslag ligt aan de huidige hoogte van de arbeidscomponent, actualiseren conform de huidige vergoedingen per BBRA-schaal. Dit bedrag dient als basis.
- B. Uitvoeren van een horizontale vergelijking binnen de zorg. Hiertoe wordt bepaald welke CAO(‘s) het best vergelijkbaar is (zijn) en worden de uitkomsten hiervan afgezet tegen de BBRA-inschaling.
- C. Afwegen of de vergelijking aanleiding geeft voor een neerwaartse of opwaartse correctie van de BBRA-inschaling.
- D. Doorvoeren van een correctie voor ondernemerschap.
- E. Bepalen van een norm voor de toeslag voor aankledingsposten.
- F. Het resultaat van stap D en E met elkaar combineren, waarmee de herijkte arbeidskostencomponent ontstaat.
- – De arbeidskostencomponent heeft enkel betrekking op de arbeidskosten van praktijkeigenaren. De kosten voor huisartsen in loondienst en ander personeel is in het kostenonderzoek meegenomen binnen de praktijkkostencomponent.
- – De arbeidskostencomponent moet niet worden verward met het inkomen van een huisarts. Het daadwerkelijke inkomen dat een praktijkeigenaar genereert is mede afhankelijk van de kostenstructuur van de betreffende huisartsenpraktijk, de geleverde productie en de opbrengsten uit niet-gereguleerde activiteiten. De arbeidskostencomponent is slechts een normering van de arbeidskosten van praktijkeigenaren. Dit vanwege het feit dat de werkelijke kosten niet zijn te meten in een kostenonderzoek (zoals wel het geval is bij de kosten van het personeel in loondienst).
- – De arbeidskostencomponent heeft geen betrekking op de zorg in de anw-uren. Deze zorg wordt separaat bekostigd via het bekostigingssysteem voor hds’en en tarieven die huisartsen voor zorg in anw-uren in rekening kunnen brengen.
- – In de arbeidskostencomponent speelt ondernemersrisico geen rol. Dit aspect is in de tariefbepaling meegenomen binnen de component praktijkkosten, middels een vergoeding voor gederfd rendement op eigen vermogen (GREV).
- – De arbeidskostencomponent heeft betrekking op de jaarkosten van een praktijkeigenaar. Hierbij wordt geabstraheerd van het aantal uren dat een volledige werkweek bevat volgens de geldende CAO en/of het werkelijk gemaakte aantal uren.
- – Vergelijkingen met BBRA en binnen de zorg vinden steeds plaats op basis van functie-eindsalarissen. Idealiter zou een lager salarisniveau als ijkpunt gekozen moeten worden, dat spoort met het gemiddelde niveau van senioriteit en ervaring van de praktijkeigenaars. Hiervoor zijn echter geen gegevens beschikbaar.
- – CAO Hidha;
- – CAO Gezondheidscentra;
- – CAO ziekenhuizen;
- – CAO verpleging, verzorging en thuiszorg.
- – In de CAO Hidha worden de arbeidsvoorwaarden geregeld voor alle in Nederland werkzame huisartsen in dienst van een huisarts (praktijkeigenaar) en sluit daarmee wat betreft functie-inhoud goed aan.
- – De CAO Gezondheidscentra is een aanvulling hierop. Huisartsen in loondienst binnen een gezondheidscentrum zijn niet in dienst van een huisarts praktijkeigenaar, in ieder geval niet in de centra waar geen sprake is van praktijkeigenaars. Dit is een groeiende groep.
- – In de oude CAO gezondheidscentra (2009–2011) was een onderdeel AHG (Arbeidsvoorwaardenregeling Huisartsen in Gezondheidscentra) opgenomen voor huisartsen in loondienst. In het ‘Onderhandelingsresultaat Cao Gezondheidscentra en AHG 2011–2013’ is aangegeven dat partijen tot de conclusie zijn gekomen “dat de huidige AHG niet meer voldoet. Een belangrijk knelpunt is de rekenformule AHG. De leden van het OAG spreken af in 2013 een alternatief voor de AHG te zijn overeengekomen.” Een dergelijk alternatief is nog niet beschikbaar. Hoewel deze CAO hierdoor minder representatief is, kiezen we ervoor hem toch mee te nemen.
- – De functie van een huisarts in een VVT-instelling of in een ziekenhuis is niet op alle punten vergelijkbaar met een vrij gevestigde huisarts.
- – Werknemersverzekeringen (WW Awf/Wgf, WAO/WIA, WGA);
- – Inkomensafhankelijke bijdrage Zvw;
- – Pensioenpremie Ouderdomspensioen ABP voor overheid;
- – Pensioenpremie ArbeidsOngeschiktheidsPensioen.
- – Basis jaarbedrag < € 50.000, dan aankledingsposten: 31,0%
- – Basis jaarbedrag > € 50.000, dan aankledingsposten: 27,5%
- – Opbrengsten uit huisartsendienstenstructuren (hds)
- – Opbrengsten uit declaraties avond/nacht/weekend (anw)
- – Opbrengsten uit resultaatbeloning
- – Opbrengsten en praktijkkosten poh-ggz
- – Vergoeding voor gederfd rendement op eigen vermogen
- – Jaarlijks vindt een aanpassing (indexering) van zowel het arbeidskosten- als het praktijkkostenbestanddeel plaats. De wijze van indexeren is geregeld in de Beleidsregel indexering.
- – In de voorafgaande beleidsregel BR/REG-22147b die vigeert van 1 januari 2022 en met 31 maart 2022 is geen aanvullende indexering verwerkt voor loon en materieel, omdat deze aanpassing niet tijdig in de systemen van verzekeraars in te regelen viel. In de tarieven vanaf 1 april 2022 wordt om die reden een correctie doorgevoerd. Hierbij wordt rekening gehouden met de gemiste opbrengsten over de periode 1 januari tot en met 31 maart 2022. In de berekening van deze compensatie wordt ook rekening gehouden met seizoensinvloeden in declaratiepatronen. De compensatie is verwerkt via een opslag op de indexatiepercentages OVA (loon) en PPC (materieel). De voorcalculatorische indexatiepercentages 2022 bedragen per 1 april 2022:
- • Loon (OVA): 4.60%
- • Materieel (PPC): 1,89%
- – Voor huisartsen die participeren in een huisartsendienstenstructuur (hds) is voor incidentele en acute huisartsenhulp in avond-, nacht- en weekenduren een maximum uurtarief van kracht. Het maximum anw-uurtarief is op grond van een aanwijzing van de minister van VWS vastgesteld op € 80,16 (definitief niveau 2021). Het uurtarief brengen huisartsen in rekening bij de hds waarin zij participeren. Onder bepaalde voorwaarden kan door de huisarts een toeslag in rekening worden gebracht van maximaal € 15,00 bovenop het vigerende anw. Jaarlijks vindt een aanpassing (indexering) van zowel het arbeidskosten- als het praktijkkostenbestanddeel plaats. De wijze van indexeren is geregeld in de Beleidsregel indexering. De voorcalculatorische indexatiepercentages 2022 bedragen per 1 april 2022:
- • Loon (OVA): 3,87%
- • Materieel (PPC): 1,83%
- – Jaarlijks vindt een aanpassing (indexering) van zowel het arbeidskosten- als het praktijkkostenbestanddeel plaats. De wijze van indexeren is geregeld in de Beleidsregel indexering.
- – In de voorafgaande beleidsregel BR/REG-22147b die vigeert van 1 januari 2022 en met 31 maart 2022 is geen aanvullende indexering verwerkt voor loon en materieel, omdat deze aanpassing niet tijdig in de systemen van verzekeraars in te regelen viel. In de tarieven vanaf 1 april 2022 wordt om die reden een correctie doorgevoerd. Hierbij wordt rekening gehouden met de gemiste opbrengsten over de periode 1 januari tot en met 31 maart 2022. In de berekening van deze compensatie wordt ook rekening gehouden met seizoensinvloeden in declaratiepatronen. De compensatie is verwerkt via een opslag op de indexatiepercentages OVA (loon) en PPC (materieel). De voorcalculatorische indexatiepercentages 2022 bedragen per 1 april 2022:
- • Loon (OVA): 4.60%
- • Materieel (PPC): 1,89%
- – De materiële vaste activa: deze post heeft betrekking op bezittingen van de praktijk zoals gebouwen, kantoorinrichting & inventaris, praktijkinstrumentarium, ICT-middelen, vervoersmiddelen en overige materiële vaste activa (het daarvoor benodigde vermogen is langer dan een jaar vastgelegd).
- – Het werkkapitaal: deze bestaan uit i) vorderingen uit hoofde van financieringstekort, ii) debiteuren en overige vorderingen en iii) liquide middelen. Ter bepaling van het noodzakelijk werkkapitaal gaat de NZa uit van het normatief bepaalde bedrag dat verkregen wordt door 1/12 van de gemiddelde praktijkomzet te nemen. Deze is gebaseerd op gangbare betalingstermijn.
- – De post voorraden en onderhanden werk.
- 1. (Materiële) vaste activa = 100% van € 83.881
- 2. Voorraden en onderhandenwerk = 100% van € 914
- 3. Werkkapitaal = (1/12) van € 541.203 (gemiddelde praktijkomzet huisartsenzorg)
- 4. Eigen vermogen is vervolgens 30% van € 129.895
- – Multidisciplinaire zorg Diabetes Mellitus type 2 bij een zorgverlener zonder contract
- – Multidisciplinaire zorg COPD bij een zorgverlener zonder contract
- – Multidisciplinaire zorg HVZ bij een zorgverlener zonder contract.
- – de organisatie van multidisciplinaire zorg;
- – de huisartsenzorg, incl. de eventuele inzet van een gespecialiseerd verpleegkundige;
- – de diëtetiek.
- – Bij DM2: alle kosten van diabetesteststrips, spleetlamponderzoek door of onder verantwoordelijkheid van de huisarts, instellen op insuline en structurele diabetesbegeleiding; en tevens kosten voor consulten en visites en dergelijke die samenhangen met de DM2-aandoening van de patiënt. Ook biedt het vergoeding voor het geheel aan huisartsenzorg aan HVZ-patiënten in de DM2-keten, inclusief alle kosten voor Doppleronderzoek en 24-uursbloeddrukonderzoek; en tevens kosten voor ECG maken, ECG-diagnostiek en consulten en visites en dergelijke die samenhangen met de HVZ-aandoening van de patiënt.
- – Bij COPD: alle kosten voor longfunctiemeting; en tevens kosten voor ECG maken, ECG-diagnostiek en consulten en visites en dergelijke die samenhangen met de COPD-aandoening van de patiënt
- – Bij CVRM-HVZ: alle kosten voor Doppleronderzoek en 24-uursbloeddrukonderzoek; en tevens kosten voor ECG maken, ECG-diagnostiek en consulten en visites en dergelijke die samenhangen met de HVZ-aandoening van de patiënt.
- – Bij DM2: DM2 en HVZ,
- – Bij COPD: COPD,
- – Bij CVRM-HVZ: HVZ.
- – Van alle respondenten (zorgaanbieders) met gevalideerde data eerst die respondenten te selecteren die in de betreffende keten minstens twee zorgvormen in het integrale tarief hebben opgenomen. Van deze respondenten de som van de kosten van organisatie, huisartsenzorg, diëtetiek en verpleging (OHDV-kosten) voor die keten per patiënt per kwartaal te bepalen.
- – De respondenten waarvan de OHDV-kosten meer dan 1,96 standaarddeviaties van het gemiddelde liggen buiten beschouwing te laten (de overgebleven waarnemingen liggen in het 95%-betrouwbaarheidsinterval als sprake is van een normale verdeling).
- – Het tarief vast te stellen op het laagste OHDV-kostenniveau van de overgebleven groep, tenzij analyse van de data bij deze respondent uitwijst dat er een goede reden is om ook deze respondent buiten beschouwing te laten, bijvoorbeeld als aan de aanbieder substantieel lagere eisen worden gesteld, of als het aannemelijk is dat er substantiële kosten voor huisartsenzorg verborgen zitten in andere zorgvormen. In dat geval wordt deze stap herhaald.
- – DM2: € 59,52
- – COPD: € 47,15
- – CVRM-HVZ: € 25,52.
- 1. Door allereerst de natuurlijke logaritme te nemen van het kenmerk (X), verminderd de scheefheid van de verdeling en krijgt die meer de symmetrische vorm van de normale verdeling;
- 2. Vervolgens worden van die log-getransformeerde waarden voor kenmerk (X) het gemiddelde (ln(X)) en de standaard deviatie SD(ln(X)) berekend.
- 3. Door daarna van de individuele log-getransformeerde waarden van kenmerk X het in stap 2 t berekende gemiddelde af te trekken en vervolgens te delen door de in stap 2 berekende standaarddeviatie, transformeren de getallen naar de standaard normale verdeling.