Bijlage 2 Regeling beoordelingsnormen Staatsexamen Nt2: algemene aanwijzingen voor de beoordelaar betreffende de beoordeling van het onderdeel Spreken van het Staatsexamen Nt2, als bedoeld in artikel 3, tweede lid
Regeling beoordelingsnormen Staatsexamen Nt2
De examenonderdelen Spreken I en II bestaan uit verschillende spreekopdrachten. De opgaven bevatten meestal een beschrijving van een situatie en een spreektaak, soms wordt om een mening gevraagd. Regelmatig is ook een tekening of zijn meerdere tekeningen van de situatie toegevoegd. De gegeven situaties en taken passen qua inhoud (werk, opleiding en dagelijks leven) en qua moeilijkheidsgraad bij het beoogde doel van Programma I of Programma II. Zie ook het examenprogramma. De examenduur is maximaal 30 minuten, tenzij anders aangegeven bij het examen. De examens worden afgenomen met een computer. De opdrachten worden via het beeldscherm weergegeven. Ze worden via de computer met een koptelefoon beluisterd en de antwoorden worden via een microfoon ingesproken en digitaal bewaard. Opgavenset per examen Spreken I Spreken II Deel 1 8 korte spreekopdrachten Spreektijd: 20 seconden Deel 1 4 korte spreekopdrachten Spreektijd: 20 seconden Deel 2 8 middellange spreekopdrachten Spreektijd: 30 seconden Deel 2 8 middellange spreekopdrachten Spreektijd: 30 seconden Deel 3 1 lange spreekopdracht Spreektijd: 2 minuten De spreekuitingen van de kandidaten worden op meerdere aspecten beoordeeld: woord- en zinsvorming, uitspraak, tempo, inhoud, woordkeus en woordenschat. Niet alle opgaven worden op alle aspecten beoordeeld. Voordat de uiting van een kandidaat daadwerkelijk op de beoordelingsaspecten wordt beoordeeld, wordt nagegaan of de uiting te beoordelen is. Hier speelt de preconditie een rol. De vraag in de preconditie is: is de uiting te beoordelen? Bij het controleren van de preconditie moet één van de onderstaande keuzemogelijkheden worden aangevinkt: Wanneer bij de preconditie ‘ja’ aangevinkt is, kan de spreekopdracht verder beoordeeld worden. De korte spreekopdracht wordt beoordeeld op twee aspecten: op ‘inhoud’ en op ‘woord- en zinsvorming’ of ‘woordkeus’. Zowel voor inhoud als voor woord- en zinsvorming of woordkeus worden punten toegekend op basis van een 2-puntsschaal: de
- • Nee, want het is geen verstaanbare Nederlandse reactie in relatie tot de context.
- • Ja, want het is een verstaanbare Nederlandse reactie in relatie tot de context.
- • Nee, want de kandidaat zegt niets.
- • Nee, want er is een technisch probleem.
- – Wanneer een kandidaat één of meer plaatjes anders interpreteert dan in de beoordelingsvoorschriften bedoeld wordt, maar de opdracht toch goed uitwerkt (een instructie geven, een beschrijving geven etc.), moet het spreekproduct analoog aan de bestaande voorschriften beoordeeld worden.
- – Bij opdrachten waarbij kandidaten (een mening met) argumenten moeten geven, moet de beoordelaar er alert op zijn dat niet de inhoud van de argumentatie op geldigheid beoordeeld wordt. Iets wat een luisteraar/beoordelaar belachelijk vindt, kan voor de spreker een prima reden zijn. Als de uiting duidelijk is, kan iemand drie punten bij 'inhoud' krijgen.
- – Telefoonconventies: Enkele opdrachten vragen van de kandidaat een telefonische reactie. In de meeste gevallen wordt daarbij gesuggereerd dat het gesprek al even bezig is, zodat de kandidaat zich niet meer hoeft voor te stellen. Een enkele keer moet de kandidaat reageren op iemand die de telefoon opneemt. Vanwege het kunstmatige karakter van de examensituatie is het bij deze opdrachten niet de bedoeling dat er beoordeeld wordt of de kandidaat zich eerst voorstelt, tenzij het beoordelingsvoorschrift dat expliciet vermeldt.
- – Het kan voorkomen dat een kandidaat een reactie geeft die niet expliciet in de voorschriften opgenomen is. Wanneer deze reactie adequaat is in de gegeven situatie, dan kan een kandidaat toch het maximale aantal punten krijgen bij ‘inhoud’, afhankelijk van de duidelijkheid van de uiting.
- – Als er echt alleen maar voorgelezen wordt, geldt dat bij ‘inhoud’ maximaal één punt toegekend mag worden. De kandidaten zijn gewaarschuwd tegen het uitsluitend voorlezen (via de ‘Aanwijzingen’ die bij het begin van het examen worden vertoond op het scherm).
- – Bij sommige opdrachten moet de beoordelaar ook letten op het volgende: wanneer een kandidaat de gevraagde taalhandeling niet realiseert, kan bij ‘inhoud’ maximaal één punt toegekend worden. Wanneer de gevraagde taalhandeling bijvoorbeeld het geven van een instructie is en een kandidaat geeft een beschrijving, dan kan dus maximaal één punt worden toegekend. Aan de beoordelaar wordt in de beoordelingsvoorschriften die bij de opgaven horen, duidelijk gemaakt wanneer hij hiermee rekening moet houden.
- – Benutten van de spreektijd: Het is niet de bedoeling dat de beoordelaar, ongeacht de inhoud van een antwoord van een kandidaat, alleen kijkt of de kandidaat de spreektijd volledig heeft benut. Het benutten van de spreektijd wordt pas belangrijk als een kandidaat geen tijd meer heeft om bijvoorbeeld drie gegeven plaatjes te beschrijven, doordat hij één of twee van de drie plaatjes uitvoerig beschrijft. Je mag dan redelijkerwijs aannemen dat deze kandidaat bij iets meer tijd wel alle plaatjes had kunnen beschrijven. Als de uiting van de kandidaat duidelijk is en hij de spreektijd volledig heeft benut, dan kan hij toch het maximaal aantal punten behalen bij ‘inhoud’, ook al heeft hij niet alle plaatjes beschreven.
- – Als een kandidaat bij een plaatje waarop een pot verf te zien is bijvoorbeeld zegt: 'een pot met dat spul', dan krijgt hij nul punten bij dit aspect. Hij heeft wel laten zien een zodanige woordenschat te hebben dat hij kan omschrijven wat hij bedoelt, maar de woordkeus is in dit geval (te) beperkt. Een ander voorbeeld: een kandidaat zegt, wanneer hij een kleiner uniform wil: 'Mag ik één nummer kleiner?', in plaats van het correcte 'Mag ik één maat kleiner?'. Ook hier geldt: de woordenschat is groot genoeg om de bedoeling duidelijk te maken, maar er is sprake van een verkeerde woordkeus.
- – Bij de middellange opdrachten wordt een onderscheid gemaakt tussen kleine fouten (categorie-1-fouten) en andere dan kleine fouten (categorie-2-fouten). Onder kleine fouten (categorie-1-fouten) verstaan we lidwoordfouten en fouten die daaruit voortvloeien. Fouten in verkleinwoorden en meervoudsvormen vallen ook onder kleine fouten. Met andere dan kleine fouten (categorie-2-fouten) worden fouten bedoeld zoals verkeerde werkwoordvervoegingen, fouten in de woordvolgorde of het weglaten van 'het' als persoonlijk voornaamwoord (bijvoorbeeld: 'Ik heb een mooi boek gekocht maar was heel duur').
- – Bij de middellange opdrachten wordt bij de beoordeling een onderscheid gemaakt tussen langere en kortere uitingen en wel tussen uitingen die uit minimaal drie zinnen bestaan (>2 zinnen) en uitingen die uit maximaal twee zinnen bestaan (≤2 zinnen). Dit is gedaan om kandidaten die langer spreken en dus ook meer fouten kunnen maken, niet te straffen voor het feit dat ze een langere reactie geven dan een ander.
- – Wanneer een kandidaat alleen maar voorleest, geldt dat bij ‘Woord- en zinsvorming’ maximaal één punt toegekend mag worden.