Bijlage 1 Regeling dbbc’s, zzp’s en extramurale parameters forensische zorg: toelichting op de nadere regel
Regeling dbbc’s, zzp’s en extramurale parameters forensische zorg
Deze bijlage geeft een toelichting op de Nadere regel; ‘Dbbc’s, zzp’s en extramurale parameters fz’ en is als volgt opgebouwd: Algemene toelichting fz Artikelsgewijze toelichting: Fz in strafrechtelijk kader vindt plaats op basis van indicatiestelling door het Nederlands Instituut voor Forensische Psychiatrie (NIFP/Ifz), de Reclassering of het Psycho Medisch Overleg (PMO, Gevangeniswezen). In de indicatiestelling wordt het recht van de patiënt op fz vastgelegd. De Divisie Forensische Zorg (ForZo/JJI) van het Ministerie van Justitie en Veiligheid (JenV) koopt deze zorg vooraf in bij zorgaanbieders. Voor zorg in het kader van de behandeling van de patiënt (zowel met als zonder verblijf) geldt de dbbc-systematiek. Hieronder valt ook de behandeling aan sterk gedragsgestoorde licht verstandelijk gehandicapten (sglvg), op voorwaarde dat er een indicatie is voor deze zorg met behandeling. Ook de begeleidings- en dagbestedingsactiviteiten die onlosmakelijk onderdeel uitmaken van de behandeling, worden gerekend tot de dbbc-systematiek. De zorgaanbieders verantwoorden de geleverde zorg door middel van de dbbc-registratie. De dbbc-systematiek geldt voor instellingen die aan volwassenen (of jongeren die volgens het volwassenenrecht zijn berecht) psychiatrische zorg, verslavingszorg of verstandelijk gehandicaptenzorg bieden als onderdeel van een straf. De strafrechtelijke titel en bijbehorend advies bepalen welke fz een patiënt zal ontvangen. Een advies over deze titel, bijbehorende zorg en beveiligingsniveau wordt op basis van een indicatiestelling bepaald. De indicatiestelling wordt onafhankelijk en objectief uitgevoerd, zodat het zorgaanbod afgestemd wordt op de zorgbehoefte van de patiënt. Na het afgeven van een indicatieadvies wordt met inachtneming van dit advies door het OM of de Rechtspraak een besluit genomen of de patiënt klinische zorg, ambulante zorg of beschermd wonen nodig heeft. De patiënt wordt geplaatst binnen een instelling5Het begrip instelling sluit aan bij d
- 6. Artikel 1: reikwijdte
- 7. Artikel 2: algemene bepalingen
- 8. Artikel 3: dbbc’s
- 9. Artikel 4: zzp’s
- 1.1: Deze nadere regel gaat over de dbbc’s, zzp’s en extramurale parameters fz en de regels die gelden voor het registreren van activiteiten en verrichtingen. De fz in strafrechtelijk kader is van toepassing op vijf wetten: het Wetboek van strafrecht (Sr), het Wetboek van strafvordering (Sv), de Beginselenwet verpleging ter beschikking gestelden (Bvt), de Penitentiaire Maatregel (PM) en de Penitentiaire beginselenwet (Pbw).
- 2.2: De samenloop tussen dbbc’s en zzp-c in de fz wijkt af van de samenloop tussen dbc’s en zzp-b in de curatieve ggz. Dit wordt veroorzaakt doordat de zzp-c is gericht op begeleiding zonder behandeling, en de zzp-b gericht is op voortgezette behandeling met verblijf. In de fz is het toegestaan om tegelijkertijd een ambulante dbbc te registreren in combinatie met een zzp.
- − Beschikt een zorgaanbieder over meerdere locaties en verandert een patiënt van locatie maar niet van primaire diagnose, dan is er géén sprake van een nieuwe patiënt. De hoofdbehandelaar op de andere locatie mag dan geen initiële dbbc openen. Alle geboden zorg op de andere locatie voor dezelfde primaire diagnose moet op de al geopende dbbc worden geregistreerd.
- − Bij overplaatsing van een patiënt gedurende het fpt is er altijd sprake van een nieuwe patiënt. De zorgaanbieder waarnaar de patiënt overgeplaatst wordt, opent in deze situatie dus een initiële dbbc met het zorgtype fpt proefverlof (144) of fpt voorwaardelijke beëindiging (145).
- 1. Acuut fysiek gevaar Hierbij geeft de hoofdbehandelaar aan in welke mate de patiënt een fysiek gevaar vormt voor zijn omgeving en/of voor zichzelf. Het gaat hier om het gevaar van de patiënt in de behandelsetting gedurende het afgelopen jaar. Als de patiënt korter dan een jaar in de instelling verblijft, gaat het om het gevaar van de patiënt in de behandelsetting sinds opname. De hoofdbehandelaar baseert de mate van gevaar op de eventuele incidenten die zich in het afgelopen jaar/sinds opname hebben voorgedaan.
- • Vluchtgevaar Hier geeft de hoofdbehandelaar aan in welke mate de patiënt, die klinisch is opgenomen, ontsnappingspogingen heeft voorbereid en/of heeft ondernomen. De hoofdbehandelaar gebruikt hiervoor alle hem bekende informatie die hij relevant acht, ook als die ver in het verleden ligt. De mate van vluchtgevaar moet alleen worden beoordeeld als de patiënt klinisch wordt behandeld.
- • Recidivegevaar
- − HKT-30
- − HCR-20
- − SVR-20
- − geen/laag risico
- − matig risico
- − hoog risico
- − onbekend
- 1. ‘Geen of geen relevante diagnose op As 3’ als er geen somatische aandoening aanwezig is of als de somatische aandoening geen consequenties heeft voor de behandeling van de patiënt.
- • ‘Diagnose op As 3 enkelvoudig’ als er sprake is van een somatische aandoening die beperkte consequenties heeft. Doe dit dus alleen als deze aandoening naar verwachting zorgverzwarend is voor de behandeling van de primaire diagnose.
- • ‘Diagnose op As 3 complex’ als er sprake is van een somatische aandoening die veel consequenties heeft dan wel zorgverzwarend werkt voor de behandeling van de As 1- of As 2-stoornis. Van complex is bijvoorbeeld sprake als: een medisch specialistische behandeling door een andere medisch specialist dan de psychiater noodzakelijk is; aanvullende zorg gericht op de somatische aandoening of als gevolg van de somatische aandoening noodzakelijk is. Bijvoorbeeld in geval van doofheid; er een specifieke behandelafdeling (paaz, puk, pmu/gapz/gaaz) nodig is om zorg te kunnen bieden; er sprake is van bepaalde specifieke ziektebeelden, zoals ziekte van Alzheimer of Hypothyreoïdie.
- a. Parallelle zorgtrajecten Er is sprake parallelle zorgtrajecten als de hoofdbehandelaar meerdere initiële dbbc’s en bijbehorende zorgtrajecten opent. Parallelle zorgtrajecten kunnen worden geregistreerd als er sprake is van meerdere primaire diagnoses waarvoor gelijktijdig substantieel verschillende behandelingen moeten worden ingezet. De hoofdbehandelaar moet het openen van parallelle zorgtrajecten op dat punt ook kunnen verantwoorden.
- 1. Dagbesteding sociaal (ontmoeting) De meest basale functie van een dagactiviteitencentrum is de ontmoetingsfunctie. De inloopfunctie is de meest ‘laagdrempelige’ functie in het kader van dag- en arbeidsmatige activiteiten. Aan de deelnemers worden over het algemeen geen strenge eisen gesteld voor wat betreft de deelname aan de inloop.
- • Dagbesteding activering Deze vorm gaat verder dan het ontmoeten van anderen en omvat ook recreatieve, creatieve of sportieve activiteiten. Deze activiteiten worden over het algemeen groepsgewijs aangeboden. De deelname is niet verplicht, maar over het algemeen wel minder vrijblijvend. Voorbeelden van dagbesteding in het kader van activering zijn: tekenen, voetballen en tuinieren.
- • Dagbesteding educatie Educatieve dagbesteding heeft als doel om de patiënt iets te leren. Bij de educatieve activiteiten is er over het algemeen sprake van een vast weekprogramma en een groepsgewijs aanbod. Denk bijvoorbeeld aan een computercursus, cursus boekbinden en gitaarles.
- • Dagbesteding arbeidsmatig Bij arbeidsmatige dagbesteding zijn activiteiten gericht op het begeleiden van patiënten die aan het werk willen in het reguliere arbeidsproces, zoals het opdoen van arbeidsvaardigheden en -ervaring. Het gaat hierbij om onbetaalde werkzaamheden, soms wordt een beperkte onkostenvergoeding verstrekt.
- • Dagbesteding overig Alle dagbesteding die niet onder sociale, activerende, educatieve of arbeidsmatige dagbesteding valt, maar wel wordt ingezet in het kader van de behandeling van een patiënt met een bepaalde primaire diagnose, kan onder overige dagbesteding worden geregistreerd.
- 1. De verblijfsintensiteit bepalen Een deelprestatie verblijf kan alleen geregistreerd worden als de patiënt op zijn laatst 20:00 uur is opgenomen (dit geldt zowel bij eerste opname als bij heropname) en ’s nachts in de instelling verblijft. De dag van opname en de daarop volgende nacht gelden als één verblijfsdag. De grens van 20:00 uur geldt dus voor de eerste dag van de periode van opname. Voor de overige dagen geldt deze grens niet, maar moet de cliënt wel ’s nachts in de instelling verblijven.
- • Het beveiligingsniveau14Zie bijlage 8 Verschillen in beveiligingsniveaus. vaststellen Met het beveiligingsniveau wordt aangegeven wat het niveau is van de beveiliging die is georganiseerd tijdens het verblijf van de betreffende patiënt, dan wel voor de afdeling waar de patiënt verblijft.
- • De verblijfssoort15Voor extreem vlucht- en beheersgevaarlijke (evbg) ttt-patiënten geldt een extra opslag voor verblijf (deze opslag geldt per patiënt per verblijfsdag). vaststellen In Tabel 8 is te zien tot welke verblijfssoort de verschillende combinaties van beveiligingsniveau en verblijfsintensiteit leiden.
- − Vergoeding aan fpc Het fpc waar een tbs-gestelde geplaatst wordt, registreert de activiteiten, verrichtingen en het verblijf op een eventueel al geopende dbbc. Als er op dat moment geen dbbc geopend is, opent het fpc een initiële dbbc. De benodigde indicatiestelling wordt door het NIFP (achteraf) afgegeven. Wat betreft de duur van de time-out en de vergoeding gelden dezelfde voorwaarden als voor forensische zorgaanbieders. Uitzondering op dezelfde voorwaarden is dat de vergoeding voor het fpc waar een tbs-gestelde geplaatst wordt, voor beveiligingsniveau 4 niet aan een maximale termijn is gebonden.
- 1. Sluitreden 1: een dbbc afsluiten als de situatie van de patiënt verandert. Dit is het geval als de patiënt: is overleden. De dbbc moet worden gesloten op de dag van overlijden. is verhuisd naar een andere regio. tegen het advies van de behandelaar in langdurig niet meer is op komen dagen, niet meewerkt aan de behandeling en/of de door de rechter opgelegde voorwaarden overtreedt. 365 dagen geen zorg meer heeft ontvangen.
- • Sluitreden 2 (Reden voor afsluiting bij behandelaar om inhoudelijke redenen). Als de behandelaar de patiënt voor de behandeling van dezelfde primaire diagnose terug- dan wel doorverwijst naar een andere instelling, moet hij de lopende dbbc sluiten. Sluitreden 2 moet ook gebruikt worden als er een nieuw plaatsingsbesluit is afgegeven door een veranderde zorgvraag, maar de zorg geleverd blijft worden door dezelfde zorgaanbieder.
- • Sluitreden 3 (In onderling overleg beëindigd zorgtraject/patiënt uitbehandeld). Als de behandelaar en patiënt in onderling overleg besluiten dat het behandeltraject voor de desbetreffende primaire diagnose is beëindigd, moet de behandelaar de lopende dbbc sluiten.
- • Sluitreden 4. (Afsluiten vanwege openen vervolg-dbbc). Als de maximale looptijd van 365 dagen is bereikt en de behandeling nog niet afgerond is (ongeacht of de patiënt gedurende die looptijd wel of niet zorg heeft ontvangen). Er moet een vervolg-dbbc worden geopend. Sluitreden 4 moet ook gebruikt worden als een patiënt overgaat naar de fase proefverlof of fase voorwaardelijke beëindiging en er ook geen sprake is van een time-out. Hier geldt niet dat de dbbc 365 dagen open moet hebben gestaan. Er moet een vervolg-dbbc worden geopend met het zorgtype ‘fpt proefverlof’ of het zorgtype ‘fpt voorwaardelijke beëindiging’.
- • Sluitreden 5 (Afsluiten na alleen pre-intake/intake/diagnostiek) Als de patiënt na de pré-intake, intake of diagnostiek niet in zorg komt. Dit is bijvoorbeeld het geval bij een dbbc met het zorgtype ‘verdiepingsdiagnostiek’.
- • Sluitreden 6 Reden voor afsluiten is het beëindigen van de strafrechtelijke titel. Als de strafrechtelijke titel van de patiënt afloopt en geleverde zorg niet meer onder de fz in strafrechtelijk kader valt moet de dbbc afgesloten worden. Als er verdere zorg nodig is, wordt deze geleverd in het kader van de wet Zvw, Wlz of WMO. Let op: Bij deze reden van afsluiten mogen de activiteiten die uitgevoerd zijn na de einddatum van de strafrechtelijke titel niet meer op de dbbc geregistreerd worden. Deze sluitreden moet ook gebruikt worden als een bekende patiënt in zorg is in het kader van een voorgenomen indicatiestelling en een strafrechtelijke titel krijgt opgelegd. De dbbc met het zorgtype ’voorgenomen indicatiestelling’ wordt gesloten. Vervolgens wordt een nieuwe initiële dbbc met één van de 21 strafrechtelijke titels geopend.
- • Sluitreden 7 Reden voor afsluiting is de onvoorziene beëindiging van de strafrechtelijke titel. Als de strafrechtelijke titel van de patiënt onvoorzien wordt beëindigd en de zorgaanbieder kon dit zes weken voor de beëindigingdatum niet weten, moet de dbbc met deze sluitreden gesloten worden. Voorbeeld: contraire beëindiging van een tbs-maatregel, onmiddellijke invrijheidsstelling of het overlijden van de patiënt. De aanspraak fz vervalt dan op de datum van de definitieve uitspraak van de zitting of op de datum van overlijden. In dit geval mogen maximaal twee weken na de einddatum van de strafrechtelijke titel nog uitgevoerde activiteiten geregistreerd worden. Hiervoor geldt een maximum van tien uur indirecte tijd en twee uur directe tijd. Het registreren van verblijf, dagbesteding en verrichtingen is niet meer mogelijk. Als het gaat om het zorgtype ‘voorgenomen indicatiestelling’ en er een CIZ-indicatie is aangevraagd, mogen er nog maximaal zes weken activiteiten geregistreerd worden na de einddatum van de strafrechtelijke titel.
- • Sluitreden 8 (Afsluiten vanwege Time-out). Als een time-out optreedt tijdens de fase proefverlof of fase voorwaardelijke beëindiging, moet de dbbc met het zorgtype ‘fpt proefverlof’ of ‘fpt voorwaardelijke beëindiging’ worden gesloten. Vervolgens wordt tijdens proefverlof een vervolg-dbbc met het zorgtype ‘tbs met proefverlof’ geopend en tijdens voorwaardelijke beëindiging een vervolg-dbbc met het zorgtype ‘Voorwaardelijke beëindiging van de verpleging van overheidswege’.