Bijlage XXXIII Or: bij artikel 12.71b, onder a en b, van deze regeling (meet- en rekenmethode geluidbelasting)
De waarden van de geluidsbelasting, Lden en Lnight, worden op de waarneempunten bepaald door berekening volgens de rekenmethode en de gegevens zoals uiteengezet in hoofdstuk 2. Metingen kunnen volgens hoofdstuk 3 worden verricht. Berekeningen van de geluidsbelasting worden in het frequentiegebied van 63 Hz tot 8 kHz octaafbanden bepaald. De resultaten van de frequentieband worden op het overeenkomstige frequentie-interval verstrekt. Berekeningen worden voor wegverkeerslawaai, spoorweglawaai en industrielawaai in octaafbanden uitgevoerd, met uitzondering van het geluidsvermogen van de bron van spoorweglawaai, dat van tertsbanden gebruikmaakt. Voor wegverkeerslawaai, spoorweglawaai en industrielawaai wordt, op basis van de resultaten van deze octaafband, het A-gewogen gemiddelde geluidsniveau over lange termijn voor de dag, de avond en nachtperiode, als vastgesteld in bijlage I en bedoeld in artikel 5 van Richtlijn 2002/49/EG, berekend door de methode, beschreven in de punten 2.1.2, 2.2, 2.3, 2.4 en 2.5. Voor het weg- en spoorwegverkeer in agglomeraties wordt het A-gewogen gemiddelde geluidsniveau op lange termijn bepaald op basis van de bijdragen daaraan van de daarin gelegen weg- en spoorwegsegmenten, met inbegrip van de grote wegen en de grote spoorwegen. (2.1.1) waarbij Ai de A-gewogen correctie volgens NEN-EN-IEC 61672-1 aanduidt, i de frequentieband-index is, en T de tijdsperiode is die overeenkomt met dag, avond of nacht. Geluidsparameters zijn: L p Niveau van momentane geluidsdruk [dB] (re. 2 10-5 Pa) L Aeq,LT Globaal langdurig geluidsniveau LAeq als gevolg van alle bronnen en spiegelbronnen op punt R [dB] (re. 2 10-5 Pa) L W In situ geluidsvermogensniveau van een puntbron (bewegende of stilstaande) [dB] (re. 10-12 W) L W,i,dir Richtingsafhankelijk in situ geluidsvermogensniveau voor de i-de-frequentieband [dB] (re. 10-12 W) L W' Gemiddelde in situ geluidsvermogensniveau per meter bronlijn [dB/m] (re. 10-12 W) Andere fysische parameters zijn: p Effectieve waar
- 1. rolgeluid als gevolg van de wisselwerking tussen band en wegoppervlak;
- 2. aandrijfgeluid veroorzaakt door de aandrijflijn (motor, uitlaat enz.) van het voertuig.
- • een constante voertuigsnelheid,
- • een vlakke weg,
- • een luchttemperatuur van τref = 20 °C,
- • een virtueel referentiewegdek, bestaand uit gemiddeld dicht asfaltbeton 0/11 en steenmastiekasfalt 0/11, tussen 2 en 7 jaar oud en in een representatieve onderhoudstoestand,
- • een droog wegdek,
- • geen spijkerbanden.
- 1. De wiel- en railkopruwheid genereren langs drie transmissiepaden naar de afstralende oppervlakken (spoorstaven, wielen en bovenbouw), het rolgeluid. Dit wordt toegewezen aan h = 0,5 m (afstralende oppervlakken A) om de bijdrage van het spoor weer te geven, waaronder de invloed van het oppervlak van de spoorstaven, vooral betonplatenspoor (in overeenstemming met het voortplantende deel), om de bijdrage van de wielen weer te geven, en om de bijdrage van de wagenbovenbouw van het voertuig aan het geluid weer te geven (in goederentreinen).
- 2. De equivalente bronhoogten voor tractiegeluid variëren tussen 0,5 m (bron A) en 4,0 m (bron B), afhankelijk van de fysieke plaatsing van de component in kwestie. Bronnen zoals tandwieloverbrengingen en elektromotoren bevinden zich vaak op een ashoogte van 0,5 m (bron A). Louvres en koeleruitlaten kunnen zich op verschillende hoogten bevinden. Motoruitlaten voor dieselvoertuigen bevinden zich vaak op een dakhoogte van 4,0 m (bron B). Andere tractiebronnen zoals ventilatoren of dieselmotorblokken kunnen zich op een hoogte van 0,5 m (bron A) of 4,0 m (bron B) bevinden. Als de exacte bronhoogte zich tussen de modelhoogten bevindt, wordt de geluidsenergie proportioneel over de dichtstbijzijnde aangrenzende bronhoogten verdeeld. Om deze reden voorziet de methode twee bronhoogten op 0,5 m (bron A) en 4,0 m (bron B) en wordt het equivalente geluidsvermogen van beide tussen de twee verdeeld, afhankelijk van de specifieke configuratie van de bronnen op het type eenheid.
- 3. Aerodynamische geluidseffecten houden verband met de bron op 0,5 m (mantels en schermen, bron A) en de bron op 4,0 m (alle inrichtingen op het dak en de stroomafnemer, bron B). De keuze van 4,0 m voor de effecten van de stroomafnemer staat bekend als een eenvoudig model, en moet zorgvuldig worden overwogen als het doel de keuze van een correcte hoogte voor geluidsschermen is.
- 4. Stootgeluid houdt verband met de bron op 0,5 m (bron A).
- 5. Booggeluid houdt verband met de bronnen op 0,5 m (bron A).
- 6. Bruggeluid houdt verband met de bron op 0,5 m (bron A).
- • voor elke frequentieband (i)
- • voor elk gegeven bronhoogte (h) (voor bronnen op 0,5 m h = 1, op 4,0 m h = 2),
- • van alle voertuigentypen (t)
- • op verschillende snelheden (s)
- • onder de specifieke rijcondities (constante snelheid) (c)
- • voor elk fysiek brontype (rollen, contact, booggeluid, tractie, aerodynamische en overige bronnen, zoals bruggeluid) (p).
- • T ref de referentieperiode waarvoor het gemiddelde verkeer wordt beschouwd is;
- • x het totaal aantal bestaande combinaties van i, t, s, c, p voor elk j-de baanvak is;
- • t de index voor voertuigtypen op het j-de baanvak is;
- • s de index voor de treinsnelheid is: er zijn net zo veel indexen als het aantal verschillende gemiddelde treinsnelheden op het j-de baanvak;
- • c de index voor rijcondities is: 1 (voor constante snelheid), 2 (stationair draaien);
- • p de index voor de fysieke brontypen is: 1 (voor rol- en stootgeluid), 2 (booggeluid), 3 (tractiegeluid), 4 (aerodynamisch geluid), 5 (overige bronnen);
- • L W',eq,lijn,x het x-de richtingsafhankelijke geluidsvermogen is per meter voor een bronlijn van één combinatie van t, s, c, p op elk j-de baanvak.
- • Q het gemiddelde aantal voertuigen per uur op het j-de baanvak voor voertuigtype t, gemiddelde treinsnelheid s en rijconditie c is,
- • v hun snelheid [km/u] op het j-de baanvak voor voertuigtype t en gemiddelde treinsnelheid s is,
- • L W, 0, dir het niveau van het richtingsafhankelijke geluidsvermogen is van het specifieke geluid (rol-, stoot-, boog-, rem-, tractie-, aerodynamisch geluid en geluid van andere bronnen) van een enkel voertuig in de richtingen ψ,φ gedefinieerd met betrekking tot de bewegingsrichting van het voertuig (zie figuur 2.3.b).
- • ∆L W,dir,vert,i de correctiefunctie is voor verticaal richteffect (dimensieloos) van Ψ (figuur 2.3.b)
- • ∆L W,dir,hor,i de correctiefunctie is voor horizontaal richteffect (dimensieloos) van φ (figuur 2.3.b),
- • L W, 0, dir,i (Ψ,φ), afgeleid in 1/3-octaafbanden, wordt uitgedrukt in octaafbanden door elke bijbehorende 1/3-octaafband energetisch in de overeenkomstige octaafband toe te voegen.
- • voor een 1/3-octaafbandfrequentie (i),
- • voor elk baanvak (j),
- • bronhoogte (h) (voor bronnen op 0,5 m h = 1, op 4,0 m h = 2),
- • richteffect (d) van de bron.
- – r 0 = 1 μm
- – r = kwadratisch gemiddelde van het verschil van de verticale verplaatsing van het contactoppervlak naar het gemiddelde niveau.
- • geluid van de aandrijflijn, zoals dieselmotoren (waaronder inlaat, uitlaat en motorblok), tandwieltransmissie, elektrische generatoren, grotendeels afhankelijk van het toerental van de motor (omw./min.), en elektrische bronnen zoals omvormers, die voornamelijk van de lading afhankelijk kunnen zijn;
- • geluid van ventilatoren en koelsystemen, afhankelijk van het toerental van de ventilator. In sommige gevallen kunnen ventilatoren rechtstreeks aan de aandrijflijn worden gekoppeld;
- • periodieke bronnen zoals compressoren, kleppen en andere met een karakteristieke bedrijfsduur en overeenkomstige bedrijfscycluscorrectie voor de geluidsemissie.
- • lijn- of oppervlaktebronnen waarvan de grootste diameter minder dan de helft van de afstand tussen de bron en het waarneempunt is, kunnen als individuele puntbronnen worden gemodelleerd;
- • bronnen waarvan de grootste afmeting meer dan de helft van de afstand tussen de bron en het waarneempunt is, moeten als een reeks incoherente puntbronnen in een lijn of als een reeks incoherente puntbronnen over een gebied worden gemodelleerd, zodanig dat voor elk van deze bronnen aan de voorwaarde van de halve afstand wordt voldaan. De verdeling over een gebied kan een verticale verdeling van puntbronnen omvatten;
- • voor bronnen waarvan de grootste hoogteafmetingen meer dan 2 m bedragen of die vlakbij de grond zijn, moet bijzondere aandacht aan de hoogte van de bron worden besteed. Verdubbeling van het aantal bronnen, door ze alleen in de z-component te herverdelen, leidt niet noodzakelijkerwijs tot aanzienlijk betere resultaten voor deze bron;
- • voor elke bron geldt dat een verdubbeling van het aantal bronnen over het brongebied (in alle dimensies) niet noodzakelijkerwijs tot aanzienlijk betere resultaten leidt.
- • uitgestraald geluidsvermogensspectrum in octaafbanden,
- • bedrijfstijden (overdag, 's avonds, 's nachts, op basis van jaarlijks gemiddelde),
- • locatie (coördinaten x, y) en hoogte (z) van de geluidsbron,
- • soort bron (punt, lijn, diffuus),
- • afmetingen en oriëntatie,
- • bedrijfscondities van de bron,
- • richteffect van de bron.
- • voor een puntbron, geluidsvermogen LW en richteffect als een functie van de drie orthogonale coördinaten (x,y,z),
- • voor een diffuse bron, geluidsvermogen per vierkante meter Lw/m2, en geen richteffect (kan horizontaal of verticaal zijn).
- • bronlijnen die transportbanden, pijpleidingen enz., weergeven, geluidsvermogen per meter lengte LW’ en richteffect als een functie van de twee orthogonale coördinaten op de as van de bronlijn,
- • bronlijnen die rijdende voertuigen weergeven, worden berekend volgens formule 2.2.1.
- • brongeluidsvermogen en richteffect worden ten opzichte van een bepaalde werkelijke bron bepaald en gegeven wanneer die zich in vrij veld bevindt (exclusief het terreineffect). Dit is in overeenstemming met de definities met betrekking tot de voortplanting, indien aangenomen wordt dat er zich geen nabijgelegen oppervlak op minder dan 0,01 m van de bron bevindt en dat oppervlakken op een afstand van 0,01 m of meer in de berekening van de voortplanting worden opgenomen;
- • brongeluidsvermogen en richteffect worden ten opzichte van een bepaalde werkelijke bron bepaald en gegeven wanneer die in een specifieke locatie is geplaatst, en daarom zijn brongeluidsvermogen en richteffect in feite ‘equivalent’ omdat ze de modellering van het effect van de nabijgelegen oppervlakken bevatten. Dit wordt bepaald in het ‘half-vrije veld’ volgens de definities met betrekking tot de voortplanting. In dit geval worden de gemodelleerde nabijgelegen oppervlakken van de berekening van de voortplanting uitgesloten.
- • voortplantingscondities met neerwaartse breking (positieve verticale gradiënt van effectieve geluidssnelheid) van de bron naar het waarneempunt,
- • homogene atmosferische omstandigheden (geen verticale gradiënt van effectieve geluidssnelheid) over het gehele voortplantingsgebied.
- 1) op elk voortplantingspad:
- • berekening van de demping in gunstige omstandigheden,
- • berekening van de demping in homogene omstandigheden,
- • berekening van langdurig geluidsniveau voor elk pad.
- 2) accumulatie van de langdurige geluidsniveaus voor alle paden die invloed hebben op een specifiek waarneempunt, zodat het totale geluidsniveau op het waarneempunt kan worden berekend.
- • A ground,F , de demping door de grond in gunstige omstandigheden;
- • A dif,F , de demping door diffractie in gunstige omstandigheden.
- • – ofwel Aground,F wordt zonder diffractie (Adif,F = 0 dB) en Aboundary,F = Aground,F berekend;
- • – ofwel Adif,F wordt berekend. Het grondeffect wordt in aanmerking genomen in de Adif,Fvergelijking zelf (Aground,F = 0 dB). Dit levert dus Aboundary,F = Adif,F op.
- • ofwel Aground,H (Adif,H = 0 dB) wordt zonder diffractie en Aboundary,H = Aground,H berekend;
- • ofwel Adif,H (Aground,H= 0 dB) wordt berekend. Het grondeffect wordt in de vergelijking Adif,H zelf in aanmerking genomen. Dit levert dus Aboundary,H= Adif,H op.
- a) In de vergelijking 2.5.15 (Aground,H) worden de hoogten zs en zr vervangen door respectievelijk zs + δzs + δzT en zr + δzr + δzT, waarbij
- b) De ondergrens van Aground,F (berekend met ongewijzigde hoogten) is afhankelijk van de geometrie van het pad:
- – dit padverschil groter is dan – λ/20; en
- – als aan het ‘Rayleigh criterium’ is voldaan.
- • een grondeffect, bronkant, Δground(S,O)
- • een grondeffect, waarneemkant, Δground(O,R)
- • en drie diffracties:
- • tussen de bron S en het waarneempunt R: Δdif(S,R)
- • tussen de spiegelbron S′ en R: Δdif(S′,R)
- • tussen S en de spiegelontvanger R′: Δdif(S,R′).
- • indien Δdif < 0: Δdif = 0 dB
- • indien Δdif > 25: Δdif = 25 dB voor een diffractie op een horizontale rand en alleen op de term Δdif die in de berekening van Adif voorkomt. Deze bovengrens wordt niet toegepast in de Δdif-termen die in de berekening van Δground worden gebruikt, of voor een diffractie op een verticale rand (laterale diffractie) in het geval van kartering van industrielawaai.
- – als de rechte geluidstraal SR door het obstakel (1e en 2e geval in figuur 2.5.e) wordt gemaskeerd:
- – als de rechte geluidstraal SR niet door het obstakel (3e geval in figuur 2.5.e) wordt gemaskeerd:
- • bepaal het convexe omhulsel gedefinieerd door de verschillende mogelijke diffractieranden;
- • elimineer de diffractieranden die zich niet op de grens van het convexe omhulsel bevinden;
- • bereken δF op basis van de lengten van de gebogen geluidsstraal door het gebogen pad in net zo veel gebogen segmenten te verdelen als er nodig zijn (zie figuur 2.5.f)
- • ∆dif(S,R) de demping is door de diffractie tussen de bron S en het waarneempunt R,
- • ∆ground(S,O) de demping is door het grondeffect aan de bronkant, gewogen door de diffractie aan de bronkant. Daarbij wordt er van uitgegaan dat O = O1 in het geval van meervoudige diffracties zoals in figuur 2.5.f,
- • ∆ground(On,R) de demping is door het grondeffect aan de waarneemkant, gewogen door de diffractie aan de waarneemkant (zie de volgende subsectie over de berekening van de term ∆ground(On,R)).
- • A ground(S,O) de demping is door het grondeffect tussen de bron S en het diffractiepunt O. Deze term wordt berekend zoals aangegeven in de vorige subsectie over berekeningen in homogene omstandigheden en in de vorige subsectie over berekening in gunstige omstandigheden, met de volgende hypothesen:
- • zr = zo,s,
- • Gpath tussen S en O wordt berekend,
- • In homogene omstandigheden: Ḡw = G'path in vergelijking (2.5.17), Ḡm = G'path in vergelijking (2.5.18)
- • In gunstige omstandigheden: Ḡw = Gpath in vergelijking (2.5.17), Ḡm = G'path in vergelijking (2.5.20)
- • Δdif(S′,R) is de demping door de diffractie tussen de spiegelbron S′ en R, berekend als in de vorige subsectie over zuivere diffractie,
- • Δdif(S,R) is de demping door de diffractie tussen S en R, berekend als in de vorige subsectie over zuivere diffractie.
- • A ground(O,R) de demping is door het grondeffect tussen het diffractiepunt O en het waarneempunt R. Deze term wordt berekend zoals aangegeven in de vorige subsectie over berekening in homogene omstandigheden en in de vorige subsectie over berekening in gunstige omstandigheden, met de volgende hypothesen:
- • zs = zo,r
- • Gpath wordt berekend tussen O en R.
- – In homogene omstandigheden: Ḡw = Gpath in vergelijking (2.5.17), Ḡm = Gpath in vergelijking (2.5.18);
- – In gunstige omstandigheden: Ḡw = Gpath in vergelijking (2.5.17), Ḡm = Gpath in vergelijking (2.5.20);
- – Δdif(S,R') is de demping door de diffractie tussen S en de spiegelontvanger R', berekend als in de vorige subsectie over zuivere diffractie;
- – Δdif(S,R) is de demping door de diffractie tussen S en R, berekend als in de vorige subsectie over zuivere diffractie.
- • De bron is een echte puntbron – niet geproduceerd door segmentatie van een uitgebreide bron zoals een bronlijn of diffuse bron.
- • De bron is geen gespiegelde bron die is geconstrueerd om een reflectie te berekenen.
- • De rechtstreekse straal tussen de bron en het waarneempunt ligt volledig boven het terreinprofiel.
- • In het verticale vlak met S en R is het padverschil δ groter dan 0, dat wil zeggen de rechtstreekse straal wordt geblokkeerd. Daarom kan in sommige situaties laterale diffractie in aanmerking worden genomen onder homogene voortplantingscondities, maar niet onder gunstige voortplantingscondities.
- • De oorsprong van het coördinatensysteem is de linker railkop
- • Een echte bron bevindt zich op S (ds = 0, hs), waarbij hs de hoogte van de bron ten opzichte van de railkop is
- • Het vlak h = 0 definieert de carrosserie van het voertuig
- • Een verticaal obstakel met de bovenkant bij B (dB, hb)
- • Een waarneempunt dat zich bevindt op een afstand dR > 0 achter het obstakel waar R de coördinaten (dB+ dR, hR) heeft.
- a) Segmenten van meer dan 5 m lengte worden verdeeld in regelmatige intervallen met de langst mogelijke lengte, maar minder dan of gelijk aan 5 m. Waarneempunten worden in het midden van elk regelmatig interval geplaatst.
- b) Overige segmenten van meer dan 2,5 m lengte worden door één waarneempunt in het midden van elk segment weergegeven.
- c) Overige aangrenzende segmenten met een totale lengte van meer dan 5 m worden als polylijn-objecten behandeld op een wijze die vergelijkbaar is met die welke in a) en b) wordt beschreven.
- a) Gevels worden afzonderlijk beschouwd of vanaf de startpositie om de 5 m verdeeld, waarbij een waarneempositie halverwege de gevel of het 5 m-segment wordt geplaatst.
- b) Het waarneempunt van het resterende deel bevindt zich in het middelpunt daarvan.
- a) a) Uit de beschikbare informatie blijkt dat de woningen in een flatgebouw zo zijn ingedeeld dat ze een enkele gevel hebben die aan lawaai wordt blootgesteld.
- b) b) Uit de beschikbare informatie blijkt dat woningen in een flatgebouw zo zijn ingedeeld dat er meer dan een enkele gevel aan lawaai wordt blootgesteld, of dat er geen informatie beschikbaar is over het aantal gevels van de woningen dat aan lawaai wordt blootgesteld.