Bijlage XVII Or: bij artikel 5.59 van deze regeling (bepaling geluid installaties warmte- en koudeopwekking)
Het geluidsniveau wordt bepaald volgens bijlage IVh. In afwijking van paragraaf 2.2.6.4 van die bijlage wordt het equivalente A gewogen immissieniveau Li gemeten voor een bedrijfstoestand i, zoals genoemd in artikel 2, over een meetperiode van ten minste 1 minuut. Het geluidsniveau van de installatie voor warmte- of koudeopwekking wordt gemeten bij het maximale toerental behorende bij de gekozen instelling van de installatie. Er wordt onderscheid gemaakt tussen een bedrijfstoestand in de dagperiode (7:00 – 19:00 uur) en de avond- en nachtperiode (19:00 – 7:00 uur) als de installatie voor deze perioden afzonderlijke instellingen heeft. Als het instellen van het maximale toerental bij een installatie niet mogelijk is, dan wordt de meting uitgevoerd bij in de tabel 1 beschreven omstandigheden. Bedrijfstoestand Actie Instelling aanvoer temperatuur Buitentemperatuur Tapwaterproductie Warmtapwater-voorraad ten minste 50% leeg tappen met volledig open douche- of badkraan. 50°C tapwater Ten hoogste 18°C Ruimteverwarming 15 minuten voor de meting de systeemregelaar voor alle zones 5°C hoger instellen dan de aanwezige ruimtetemperatuur. Ontwerptemperatuur afgiftesysteem Ten hoogste 10°C Ruimtekoeling 15 minuten voor de meting de systeemregelaar voor alle zones 5°C lager instellen dan de aanwezige ruimtetemperatuur. Ontwerptemperatuur afgiftesysteem Ten minste 23°C Hybride (elektrisch of gas-bijstook) 15 minuten voor de meting de systeemregelaar voor alle zones 5°C hoger instellen dan de aanwezige ruimtetemperatuur en bijstooksysteem blokkeren. Ontwerptemperatuur afgiftesysteem bij T-bivalent Ten minste 5°C en ten hoogste 10°C Naast de genoemde omstandigheden in tabel 1 moet bij installaties voor tapwaterproductie en ruimteverwarming die bij het ontdooien geen gebruik maken van de aanwezige warmte in de woning of van een speciaal warmtebuffer, de meting ook worden uitgevoerd bij het ontdooien. Als een installatie een afzonderlijke instelling heeft voor de avond- en nachtperiod
- − LBi (4x)< 17,5 een tonaliteitscorrectie van 0 dB;
- − 17,5 ≤ LBi < 25 een tonaliteitscorrectie van 3 dB;
- − LBi >= 25 een tonaliteitscorrectie van 6 dB.
- • de verticale positie (hoogte) is 1,5 m boven het maaiveld; en
- • de horizontale positie is waar het hoogste invallende geluidsniveau optreedt.
- ○ als op het naastgelegen perceel voor een andere woonfunctie nergens een geluidsniveau optreedt groter dan 40 dB ter plaatse van het midden van te openen ramen of deuren van verblijfsgebieden van de andere woonfunctie; of
- ○ als op het naastgelegen perceel voor een andere woonfunctie nergens een geluidsniveau optreedt groter dan 40 dB ter plaatse van de mogelijke gevels of daken van de andere woonfunctie.
- • de verticale positie (hoogte) is 1,5 meter boven de onderkant van de installatie; en
- • de horizontale positie is waar het hoogste invallende geluidsniveau optreedt.
- ○ als op het naastgelegen perceel voor een andere woonfunctie nergens een invallend geluidsniveau optreedt groter dan 40 dB ter plaatse van:
- • 1,5 meter boven het maaiveld; en
- • het midden van te openen ramen of deuren van verblijfsgebieden van de andere woonfunctie; of
- ○ als op het naastgelegen perceel voor een andere woonfunctie nergens een invallend geluidsniveau optreedt groter dan 40 dB ter plaatse van:
- • 1,5 meter boven het maaiveld; en
- • de mogelijke gevels of daken van de andere woonfunctie.