Bijlage XVa Or: behorende bij de artikelen 4.14a, tweede lid, en 5.30, tweede lid, van deze regeling (methoden voor de bepaling van de terugverdientijd en de berekening van de emissie van kooldioxide van maatregelen ter verduurzaming van het energiegebruik voor de glastuinbouwsector)
In deze bijlage zijn de methoden voor de bepaling van de terugverdientijd en de berekening van de emissie van kooldioxide11In deze bijlage zal afwisselend gebruik worden gemaakt van de term kooldioxide en CO2. Tussen de beide termen is geen verschil in betekenis beoogd. bij maatregelen ter verduurzaming van het energiegebruik specifiek gericht op de glastuinbouwsector opgenomen. De methodiek voor het berekenen van de terugverdientijd van een maatregel ter verduurzaming van het energiegebruik is evenals de methode voor de berekening van de emissie van kooldioxide van toepassing op de verschillende maatregelen ter verduurzaming van het energiegebruik, bedoeld in artikel 5.15, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving en artikel 3.84, eerste lid, van het Besluit bouwwerken leefomgeving. De methode voor de bepaling van de terugverdientijd, zoals opgenomen in deze bijlage, is specifiek van toepassing wanneer er sprake is van een activiteit zoals aangewezen in artikel 3.205 van het Besluit activiteiten leefomgeving of zoals aangewezen in artikel 3.211 van het Besluit activiteiten leefomgeving, waarbij gebruik wordt gemaakt van het tarief, bedoeld in artikel 60, eerste lid, van de Wet belastingen op milieugrondslag.12In deze bijlage zal in het kader van de leesbaarheid voor aanduiding van deze situaties de term glastuinbouwsector als overkoepelende term worden gebruikt. Met de term glastuinbouwsector wordt gedoeld op een activiteit zoals aangewezen in artikel 3.205 van het Besluit activiteiten leefomgeving of zoals aangewezen in artikel 3.211 van het Besluit activiteiten leefomgeving waarbij gebruik wordt gemaakt van het tarief, bedoeld in artikel 60, eerste lid, van de Wet belastingen op milieugrondslag. Dit is verduidelijkt in de artikelen 4.14a, tweede lid, en 5.30, tweede lid, van de Omgevingsregeling. De terugverdientijd van een maatregel wordt berekend voor een logische eenheid, afhankelijk van het gebouw, het proces, de activiteit en de soort maatregel.
- – bij een energiebesparende maatregel als bedoeld in artikel 5.15, tweede lid, onder a, van het Besluit activiteiten leefomgeving en artikel 3.84, tweede lid, onder a, van het Besluit bouwwerken leefomgeving;
- – bij het overstappen van aardgas naar een warmtenettoepassing; dit betreft een maatregel voor het vervangen van een energiedrager als bedoeld in artikel 5.15, tweede lid, onder c, van het Besluit activiteiten leefomgeving en artikel 3.84, tweede lid, onder c, van het Besluit bouwwerken leefomgeving.
- • voor elektriciteit: de CBS-cijfers voor de CO2-emissiefactor zoals berekend volgens de integrale methode.14De integrale methode gaat uit van de totale (hernieuwbare plus niet hernieuwbare) elektriciteitsproductie in verhouding tot de aan elektriciteit toegerekende inzet van aardgas, kolen en kernenergie. Elektriciteit uit afvalverbrandingsinstallaties en restgassen wordt niet meegenomen. Hierbij moet de emissiefactor worden gebruikt van het meest recente jaar waarover cijfers beschikbaar zijn.15De meest recente cijfers op moment van publicatie: CBS. (2022). Rendementen, CO2-emissie elektriciteitsproductie, 2020. https://www.cbs.nl/nl-nl/maatwerk/2022/05/rendementen-co2-emissie-elektriciteitsproductie-2020
- • voor brandstoffen: de CO2-emissiefactor zoals opgenomen op de meest recente ‘Nederlandse lijst van energiedragers en standaard CO2-emissiefactoren’ die jaarlijks wordt gepubliceerd op de website van de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (rvo.nl).16Nederlandse lijst van energiedragers en standaard CO2-emissiefactoren: https://www.rvo.nl/sites/default/files/2022-05/Nederlandse%20energiedragerlijst%20versie%20januari_2022_definitief.pdf
- a. Bij het bepalen van het CO2-reducerend effect ten aanzien van procesemissies17Met procesemissies van broeikasgassen wordt gedoeld op broeikasgasemissies, niet zijnde verbrandingsemissies, die optreden ten gevolge van bedoelde of onbedoelde reacties tussen stoffen of de transformatie daarvan, waaronder de chemische of elektrolytische reductie van metaalertsen, de thermische ontbinding van stoffen en de vorming van stoffen bedoeld om te worden gebruikt als product of als grondstof. Voorbeelden van dit soort processen zijn vervaardiging van glas en minerale wol en het roosteren en sinteren van metaalerts. in de energie-intensieve industrie. Voor het bepalen van het CO2-reducerend effect moet in dat geval worden aangesloten bij de Uitvoeringsverordening (EU) nr. 2018/2066 van de Commissie van 19 december 2018 inzake de monitoring en rapportage van de emissies van broeikasgassen overeenkomstig Richtlijn 2003/87/EG van het Europees parlement en de Raad en tot wijziging van Verordening (EU) nr. 601/2012 van de Commissie (hierna: de Europese verordening monitoring en rapportage emissiehandel)18Uitvoeringsverordening (EU) nr. 2018/2066 van de Commissie van 19 december 2018 inzake de monitoring en rapportage van de emissies van broeikasgassen overeenkomstig Richtlijn 2003/87/EG van het Europees parlement en de Raad en tot wijziging van Verordening (EU) nr. 601/2012 van de Commissie (PbEU 2018, L 334).. Het bevoegd gezag beoordeelt of het CO2-reducerend effect voldoende onderbouwd en aannemelijk is. Voor de effecten op de scope 2 emissies kan de standaardmethode worden gebruikt.19De Europese verordening monitoring en rapportage emissiehandel bevat alleen regels over het bepalen van scope 1 emissies (directe emissies) en niet voor scope 2 emissies (indirecte emissies door gebruik van elektriciteit, warmte en koude geleverd door derden).
- b. Wanneer de CO2-emissiefactor voor elektriciteit niet representatief is voor de elektriciteit die wordt gebruikt of geproduceerd, zoals bij elektrische boilers die alleen worden gebruikt als er een overschot is aan hernieuwbare elektriciteit of in vergelijkbare situaties. In dergelijke gevallen kan het effect door de gebouweigenaar of degene die de activiteit verricht worden bepaald en onderbouwd. Het bevoegd gezag beoordeelt of het CO2-reducerend effect voldoende onderbouwd en aannemelijk is.
- • eenmalige aansluitingskosten;
- • aanschafkosten;
- • bouw- en installatiekosten; en
- • sloop- en verwijderingskosten.
- • kosten voor het verrichten van haalbaarheidsstudies;
- • kosten voor detailontwerp;
- • materiaal- en montagekosten voor installatie;
- • kosten voor het testen van een maatregel; en
- • kosten voor het doen van een vergunningaanvraag als de vergunning noodzakelijk is om de maatregel te kunnen treffen.
- a. aardgas gebruikt in een ketel, als de jaarlijks afgenomen hoeveelheid:
- • niet hoger is dan 170.000 m3: € 0,72/m3:
- • hoger is dan 170.000 m3, maar niet hoger dan 1 miljoen m3: € 0,68/m3;
- • hoger is dan 1 miljoen m3, maar niet hoger dan 10 miljoen m3: € 0,72/m3;
- • hoger is dan 10 miljoen m3: € 0,62/m3.
- b. aardgas, gebruikt in een WKK-installatie als de jaarlijks afgenomen hoeveelheid:
- • niet hoger is dan 170.000 m3: € 0,63/m3;
- • hoger is dan 170.000 m3, maar niet hoger dan 1 miljoen m3: € 0,59/m3;
- • hoger is dan 1 miljoen m3, maar niet hoger dan 10 miljoen m3: € 0,57/m3;
- • hoger is dan 10 miljoen m3: € 0,57/m3.
- c. elektriciteit uit het elektriciteitsnet, als de jaarlijks afgenomen hoeveelheid:
- • niet hoger is dan 10.000 kWh: € 0,26/kWh;
- • hoger is dan 10.000 kWh, maar niet hoger dan 50.000 kWh: € 0,29/kWh;
- • hoger is dan 50.000 kWh, maar niet hoger dan 10 miljoen kWh: € 0,21/kWh;
- • hoger is dan 10 miljoen kWh: € 0,16/kWh.
- d. warmte geleverd via een warmtenet, als de jaarlijks afgenomen hoeveelheid:
- • niet hoger is dan 4.830 GJ: € 12,61/GJ;
- • hoger is dan 4.830 GJ, maar niet hoger dan 28.409 GJ: € 12,61/GJ;
- • hoger is dan 28.409 GJ, maar niet hoger dan 284.091 GJ: € 12,61/GJ.
- • hoger is dan 284.091 GJ: € 12,61/GJ.
- • met de marginale energieprijs uit het meest recente eigen energiecontract; of
- • wanneer er (ook) wordt ingekocht op de spotmarkt, kan de gebruikte energieprijs worden onderbouwd op basis van een gewogen gemiddelde van:
- o de marginale energieprijs uit het meest recente eigen energiecontract; en
- o een onderbouwde gemiddelde futureprijs. Deze bestaat uit de gemiddelde futureprijzen voor levering voor de komende vijf jaar (voor zover bekend), gemeten vanaf het jaar waarin het onderzoek moet worden verstrekt. Hierbij wordt het gemiddelde genomen van de gemiddelde futureprijzen voor levering van elke dag van de eerste maand van het jaar waarin het onderzoek moet worden ingediend.
- o de standaardwaarde voor aardgas ‘aardgas gebruikt in een ketel’, onder a hierboven en voor elektriciteit ‘elektriciteit uit het elektriciteitsnet’, onder c hierboven; of
- o wanneer er sprake is van een milieubelastende activiteit waarop artikel 5.15b van het Besluit activiteiten leefomgeving van toepassing is, wordt de marginale energieprijs bepaald zoals opgenomen onder ‘Uitzondering op standaardmethode (Pi)’ hierboven.
- a. KWW; de marginale energieprijs van warmte uit WKK-installatie als het jaarlijks aardgasgebruik van de WKK-installatie:
- • niet hoger is dan 170.000 m3: € 5,40/GJ;
- • hoger is dan 170.000 m3, maar niet hoger dan 1.000.000 m3: € 2,77/GJ;
- • hoger is dan 1 miljoen m3, maar niet hoger dan 10 miljoen m3: € 1,45/GJ;
- • hoger is dan 10 miljoen m3: € 1,45/GJ.
- b. KWK; de marginale energieprijs van warmte uit een ketel, als het jaarlijks aardgasgebruik van de ketel:
- • niet hoger is dan 170.000 m3: € 25,13/GJ;
- • hoger is dan 170.000 m3, maar niet hoger dan 1.000.000 m3: € 23,86/GJ;
- • hoger is dan 1 miljoen m3, maar niet hoger dan 10 miljoen m3: € 25,23/GJ;
- • hoger is dan 10 miljoen m3: € 21,59/GJ.
- • niet hoger is dan 10.000 kWh: € 0,134/kWh;
- • hoger is dan 10.000 kWh, maar niet hoger dan 50.000 kWh: € 0,132/kWh;
- • hoger is dan 50.000 kWh, maar niet hoger dan 10 miljoen kWh: € 0,127/kWh;
- • hoger is dan 10 miljoen kWh: € 0,127/kWh.
- • beheer- en onderhoudskosten (loon- en materiaalkosten voor het verrichten van onderhoud of het bedienen van technologie) die redelijkerwijs kunnen worden toegerekend aan de maatregel;
- • afvalkosten;
- • grond- en hulpstofkosten;
- • kosten voor watergebruik;
- • productopbrengsten;
- • veranderingen in de periodieke netwerkkosten door wijziging van de aansluitcapaciteit als gevolg van de te treffen maatregel;
- • overige jaarlijks terugkerende subsidies of fiscale voordelen als deze worden ontvangen als gevolg van de te treffen maatregel;
- • vermeden CO2-kosten; en
- • extra of vermeden verzekeringskosten vanwege het treffen van de maatregel.