Bijlage IVh Or: bij de artikelen 3.21, eerste lid, onder a, en 3.23, eerste lid, onder a en e, 6.6, eerste en tweede lid en 8.22, eerste en tweede lid, van deze regeling (meet- en rekenmethode geluid industrie)
De meet- en rekenmethode geluid industrie is opgebouwd uit twee methoden. Het toepassen van Methode I is bedoeld voor een akoestisch eenvoudige situatie, waarbij geen spectrale informatie is benodigd. Methode II is bedoeld voor akoestisch complexere situatie, waarbij spectrale informatie benodigd is. In hoofdstuk 2 zijn voorschriften voor zowel methode I als II opgenomen zover deze betrekking hebben op metingen. In hoofdstuk 3 zijn de voorschriften voor zowel methode I als II opgenomen ter bepaling van de geluidoverdracht tussen geluidbron en beoordelingspositie. In hoofdstuk 4 zijn de voorschriften ter bepaling van de beoordelingsgrootheden voor het geluid van activiteiten plaatsvinden. In hoofdstuk 5 zijn de voorschriften ter bepaling van de beoordelingsgrootheden voor het geluid van activiteiten die op een industrieterrein plaatsvinden. De bepaling van de beoordelingsgrootheden voor activiteiten die buiten of binnen een industrieterrein plaatsvinden is gelijk voor methode I en II. De keuze voor het toepassen van methode I of methode II berust vooral op het toepassingsgebied. Dit toepassingsgebied wordt in paragraaf 1.2.1 en 1.2.2 toegelicht. Als uitgangspunt geldt dat binnen het toepassingsgebied van methode I een gelijkwaardig resultaat wordt bereikt als met methode II. In tabel 1.2 zijn samenvattend de kenmerken gegeven van de beide meet- en rekenmethoden. Methode I kan worden toegepast voor activiteiten waar voor de beoordeling van de geluidsituatie een eenduidige bedrijfssituatie kan worden gedefinieerd. Als dat van toepassing is moet de bedrijfssituatie op ondubbelzinnige wijze kunnen worden onderverdeeld in representatieve bedrijfstoestanden die voor het verrichten van metingen en berekeningen relevant zijn. Uit beide beschrijvingen moeten op herleidbare en controleerbare wijze de beoordelingsgrootheden kunnen worden vastgesteld. Methode I is bedoeld voor: Methode I kan worden toegepast op: Methode I kan niet worden toegepast voor de vaststelling van geluid
- − immissiemetingen bij verlening van een omgevingsvergunning en bij controle van activiteiten die zijn toegelaten op grond van een omgevingsplan of omgevingsvergunning;
- − emissiemetingen en overdrachtsberekeningen in eenvoudige situaties bij activiteiten. Dit kan noodzakelijk zijn in situaties waar dusdanig hoge stoorgeluidniveaus op het beoordelingspunt optreden dat immissiemetingen aldaar niet mogelijk zijn.
- − meerdere activiteiten die beschouwd worden als één activiteit;
- − afzonderlijke activiteiten;
- − een bepaalde geluidbron of installatie, bijvoorbeeld ter controle van ontwerpspecificaties of leveranciergaranties.
- − bron- en ontvangerafstanden tot 150 m;
- − alle relevante bronnen behorend tot een gedefinieerde bedrijfstoestand moeten tegelijkertijd binnen het meteoraam kunnen worden gemeten;
- − de akoestisch relevante bedrijfstoestanden ten behoeve van het bepalen van de ‘langtijdgemiddeld deelgeluidniveaus’ kunnen eenduidig worden gedefinieerd;
- − ter plaatse van de meetlocatie mag er geen significante stoorgeluidbeïnvloeding aanwezig zijn, of moet daarvoor te kunnen worden gecorrigeerd volgens de omschreven methode (zie paragraaf 2.1.1).
- − Deelbronnen. Als de gezamenlijke bijdrage van de te verwaarlozen deelbronnen meer dan 7 dB onder het eindresultaat van de berekening ligt, kunnen deze bronnen worden verwaarloosd.
- − Bepaalde frequentiebanden (alleen bij methode II). Als de gezamenlijke bijdrage van bepaalde frequentiebanden meer dan 7 dB onder het eindresultaat van de berekening ligt, kunnen deze banden buiten beschouwing worden gelaten. Vaak blijkt dat de geluidsniveaus in de octaafbanden 31,5 en 8.000 Hz voor de bepaling van de geluidsniveaus kunnen worden genegeerd.
- − Reflecties. Als aangetoond kan worden dat de totale bijdrage van reflecties meer dan 7 dB onder het reeds bepaalde geluidniveau ligt, kunnen deze worden verwaarloosd.
- − een geschikte plaats en tijdstip voor het uitvoeren van de metingen te kiezen (bijvoorbeeld rond een continu bedrijf, in verband met verkeerslawaai, 's nachts meten);
- − de metingen te onderbreken tijdens incidenteel optredende stoorgeluiden, zoals passerend verkeer, vogels e.d.;
- − geluidbronnen, met uitzondering van de te onderzoeken bron, uit te schakelen;
- − het gebruik van speciale apparatuur, zoals richtmicrofoons en intensiteitsmeters. Dit wordt in methode II behandeld.
- − de te onderzoeken bron, zo mogelijk intermitterend, aan en uit te zetten. Met name als het stoorgeluid niet constant in de tijd is, kan door het intermitterend aan- en uitzetten van de bron in meerdere perioden het stoorgeluid worden vastgesteld;
- − tegelijkertijd onder identieke omstandigheden het stoorgeluid te meten op een punt, dat verder van de bron verwijderd is (bijvoorbeeld op grotere afstand van activiteiten, maar op vergelijkbare afstand tot de verkeersweg als stoorgeluidbron);
- − emissiemetingen nabij de stoorbronnen te verrichten en de geluidbijdrage daarvan op het immissiepunt door middel van overdrachtsberekeningen te bepalen.
- − bronnen die onderling sterke samenhang vertonen voor wat betreft de geluiduitstraling (zogenoemde coherente bronnen). Voorbeeld: twee transformatoren vlak bij elkaar;
- − reflecties tegen vlakken. Voorbeeld: in fabriekshallen of buiten boven de bodem.
- – gemiddelde windsnelheid: de gemiddelde windsnelheid in het open veld (buiten het invloedsgebied van obstakels) op 10 m hoogte op of nabij de meetlocatie. De windsnelheid wordt bepaald uit metingen tussen 2 en 10 m hoogte. De gemeten snelheid op 2 m hoogte moet met 1,4 en de snelheid op 5 m hoogte met 1,2 vermenigvuldigd worden;
- – gemiddelde windrichting: deze wordt gemeten buiten de invloed van obstakels in het vrije veld. De meethoogte kan vrij gekozen worden tussen 2 en 20 m;
- – windhoek φ: hoek tussen de lijn van bron naar immissiepunt en de gemiddelde windrichting (zie figuur 2.2);
- – meteorologische dag: periode tussen een uur na zonsopgang en een uur voor zonsondergang;
- – meteorologische nacht: periode tussen een uur voor zonsondergang en een uur na zonsopgang.
- − een precisie geluidniveaumeter met A-filter volgens de specificaties voor class 1 van NEN-EN-IEC 61672-1, met een rondomgevoelige microfoon;
- − een voorziening voor de bepaling van het equivalent geluidniveau op basis van continue integratie van het signaal ('real time'), dan wel het bemonsteren van het signaal met tijdsintervallen die kleiner zijn dan de tijdconstante van het meetsysteem (bij het meten van impulsgeluiden moet de 'crestfactor' voldoende hoog zijn); daartoe kan een integrerende geluidniveaumeter volgens NEN-EN-IEC 61672-1 gewenst zijn;
- − een windkap of een windbol; en
- − een windsnelheidsmeter, tenzij op andere wijze betrouwbare informatie over windsnelheden verkregen kan worden.
- − r alt≥1,5d en ralt<150 m, waarbij wordt verstaan onder: ralt = afstand van het broncentrum tot het alternatieve punt; d = grootste afmeting van de bron of het brongebied
- − zowel vanuit het beoordelingspunt als vanuit het alternatieve punt is er vrij zicht op de bron. De overdrachtswegen (bodem) van de bron tot het alternatieve punt en vanuit de bron tot het beoordelingspunt mogen niet significant van elkaar afwijken;
- − het op het alternatieve punt te meten geluidniveau mag niet significant worden beïnvloed door geluidbijdragen van reflecterende vlakken (gebouwen) buiten het brongebied. Het alternatieve punt mag dan ook niet in de nabijheid van belangrijk reflecterende vlakken zijn gelegen;
- − de meethoogte hm op het alternatieve punt is bij voorkeur 5 m boven het plaatselijk maaiveld.
- − een harde bodem
- − een absorberende bodem met h0 ≥ 2,5 m
- − een precisie geluidniveaumeter volgens de specificaties voor Class 1 van NEN-EN-IEC 61672-1 met een rondomgevoelige microfoon;
- − een voorziening voor de bepaling van het equivalent geluidniveau op basis van continue integratie van het signaal ('real time'), dan wel het bemonsteren van het signaal met tijdsintervallen die kleiner zijn dan de tijdconstante van het meetsysteem (bij het meten van impulsgeluiden moet de 'crestfactor' voldoende hoog zijn);
- − een windkap of een windbol;
- − een windsnelheidsmeter, tenzij op andere wijze betrouwbare informatie over windsnelheden verkregen kan worden.
- − een integrerende geluidniveaumeter volgens NEN-EN-IEC 61672-1;
- − een mogelijkheid om het geluidsignaal op te nemen. Het bestandsformaat van de opname moet zonder compressie werken (bijvoorbeeld .wav) of met 'lossless' compressie (bijvoorbeeld .flac, .wma lossless). Bij compressietechnieken op basis van psycho-akoestische principes gaat informatie verloren. Bestandsformaten die van dergelijke compressietechnieken gebruik maken, zijn niet toegestaan (dus bijvoorbeeld geen .mp3, .wma lossy, .aac). Tijdens de opname wordt bij voorkeur ook het geluidniveau (in dB(A)) afgelezen en geregistreerd;
- − een hoofdtelefoon voor het afluisteren van het signaal tijdens de metingen;
- − een microfoonstatief tot 10 m hoogte;
- − octaafbandfilters volgens de specificatie van NEN-EN-IEC 61260-1. De middenfrequenties van de octaafbanden worden gekozen volgens ISO 266 en omvatten de banden 31,5 Hz tot en met 8.000 Hz.
- 1. Het brongebied moet vanuit het alternatieve punt en vanuit het beoordelingspunt op te vatten zijn als een geconcentreerde bron (zie paragraaf 2.3.2.3).
- 2. Vanuit de bron gezien moet het beoordelingspunt in dezelfde richting liggen als het alternatieve punt.
- 3. Het brongebied kan voor deze berekening worden vereenvoudigd tot één vervangende puntbron in het akoestische zwaartepunt. Uitgaande van deze puntbron worden met het overdrachtsmodel van methode II berekeningen uitgevoerd. In het model moet de werkelijke bodem van het midden- en ontvangergebied worden ingevoerd. De bodemfactor van het brongebied is bij extrapolatie niet wezenlijk van belang.
- 4. Op het alternatieve punt wordt per octaafband het gestandaardiseerde immissieniveau Li,alt op 5 m hoogte gemeten.
- 5. Er wordt een (arbitraire) geluidvermogen per octaafband aangenomen, genormeerd op 0 dB. Als een normering op 0 dB met rekenprogrammatuur niet mogelijk is, kan ook gekozen worden voor een geluidvermogen van 100 dB per octaafband.
- 6. Met het overdrachtsmodel wordt, uitgaande van deze geluidvermogen, op het alternatieve punt en het beoordelingspunt per octaafband het geluidniveau L’i,alt en L’i berekend.
- 7. Per octaafband wordt het gestandaardiseerde immissieniveau Li op het beoordelingspunt bepaald uit:
- 8. Het geluidniveau in dB(A) op het beoordelingspunt wordt bepaald door de energetische optelling van de berekende A-gewogen octaafbandwaarden.
- − de microfoon van het meetinstrument bevindt zich op een afstand van ten minste 0,5 m van de begrenzingen van de ruimte (vloer, wanden, plafond), tenminste 0,5 van objecten met een oppervlak groter dan 0,5 m2, en tenminste 0,5 m van personen in de ruimte. Bij voorkeur is die afstand tenminste 1 m van muren,1,5 m van ramen en 1 m boven de vloer;
- − om de verstoring doorstaande golven te verminderen, moet bij voorkeur op tenminste vijf punten worden gemeten. Het minimum aantal meetpunten is drie, als het in redelijkheid niet mogelijk is om op ten minste vijf punten te meten, bijvoorbeeld als de te meten gebeurtenis zich alleen met geringe frequentie voordoet. De meetpunten liggen zowel horizontaal als verticaal verspreid door de ruimte. De gemeten waarden moeten energetisch worden gemiddeld om het gestandaardiseerd immissieniveau Li te verkrijgen;
- − metingen moeten worden uitgevoerd bij gesloten ramen, buitendeuren en ventilatievoorzieningen;
- − stoorgeluidbijdragen worden geminimaliseerd. Het gaat om:
- ○ geluidbronnen binnen de ruimte zelf of elders in het gebouw, bijvoorbeeld koelkast, pomp van de cv-installatie, activiteiten van personen en huisdieren. De eventueel aanwezige mechanische ventilatie wordt voor zover mogelijk buiten werking gesteld;
- ○ geluidbronnen buiten, zoals verkeer en weersinvloeden zoals regen en wind. De metingen vinden plaats zonder relevante bijdragen van dergelijke geluiden.
- − er is een te grote invloed van stoorgeluid op meetpunt;
- − er is sprake van veelvuldig veranderde bedrijfssituaties die niet zijn onder te verdelen in meerdere goed gedefinieerde bedrijfstoestanden;
- − de meteorologische omstandigheden tijdens de meetperiode vallen niet binnen het meteoraam;
- − het betreft prognosestudies van nog niet aanwezige activiteiten;
- − de wens afzonderlijke bijdragen te kennen van de geluidbronnen.
- 1. de geconcentreerde bronmethode (methode I.2);
- 2. de aangepaste meetvlakmethode (methode I.3).
- 1. Geconcentreerde bronmethode – methode II.2. Deze methode wordt toegepast als de afmetingen van de bronnen aanzienlijk kleiner zijn dan de meetafstand.
- 2. Aangepast meetvlakmethode -methode II.3. Met deze methoden wordt het geluidvermogen van de geluidbron bepaald. De afstand tot de bron is bij deze methoden in het algemeen kleiner dan de bronafmeting. In tegenstelling tot de ‘Rondommethode' wordt hier ook de geluidafstraling naar boven in de geluidvermogenbepaling betrokken. Met deze methode kan geen richtingsinformatie worden verkregen. Het gebrek hieraan kan de betrouwbaarheid van de met overdrachtsberekening bepaalde niveaus sterk verminderen.
- 3. Rondommethode – methode II.4. Deze methode wordt toegepast voor uitgestrekte bronnen (vele tientallen meters) waarvan de horizontale afmetingen veel groter zijn dan de verticale en waarbij de geluiduitstraling in het horizontale vlak weinig richtingsafhankelijk is. Voorts moet in het brongebied de bronverdeling min of meer uniform zijn.
- 4. Intensiteitsmetingen – methode II.5. Het geluidvermogen wordt bepaald uit de geluidintensiteit die uit een omsloten oppervlak rond een geluidbron stroomt. Deze methode stelt in principe geen beperkingen aan de geluidbronnen.
- 5. Snelheidsmetingen (trillingsmetingen) – methode II.6. Het geluidvermogen wordt bepaald door vaststelling van de mate waarin een oppervlak met een bepaald snelheidsniveau geluid afstraalt. De methode kan worden toegepast als door aanwezigheid van stoorgeluid, het afgestraalde geluid niet direct gemeten kan worden.
- 6. Uitstraling gebouwen – methode II.7. Met deze methode kan de geluidtransmissie door wanden en daken worden berekend.
- − de afstand van bron tot beoordelingspunt bedraagt ten hoogste 150 m. De afstand van bron tot beoordelingspunt is hierbij groter dan 1,5 maal de grootste brondiameter (ri > 1,5 d);
- − alleen plaatsvaste bronnen kunnen worden beschouwd;
- − er moet voldaan worden aan de specifieke randvoorwaarden van de te gebruiken emissiemeetmethoden.
- − de grootste brondimensie d ≤ 10 m bedraagt;
- − direct zicht bestaat vanuit het meetpunt op de bron of brongroep en er geen (deels) afschermende objecten aanwezig zijn;
- − de bodem tussen de bron of het brongebied en het meetpunt hard is;
- − de metingen niet worden beïnvloed door reflecties van nabijgelegen reflecterende vlakken;
- − geen stoorgeluid optreedt dan wel hiervoor gecorrigeerd kan worden (paragraaf 2.2.3).
- − de bedrijfsperiode Tb van de bron binnen een beoordelingsperiode per bedrijfstoestand;
- − de bronhoogte hb;
- − de brondiameter d;
- − de bedrijfstoestand van de bron, voor zover relevant voor de geluidemissie (toerental, capaciteit en dergelijke).
- − het betreft vlakke bronnen zoals bijvoorbeeld roosters en deuren in gevels met bronafmetingen kleiner dan 25 m2. Het beoordelingspunt wordt hierbij gezien binnen een hoek van 85° met de normaal op het vlak van de bron. Voorzichtigheid is geboden als een inpandige geluidbron met relatief hoge geluiduitstraling vanuit een beoordelingspositie zichtbaar is via een open deur. In bepaalde situaties kan die geluidbron in die beoordelingspositie een hogere geluidbijdrage leveren dan de geluiduitstraling van het nagalmgeluidveld in de deuropening. Toepassing van methode I.3 gevolgd door overdrachtsberekeningen leidt dan tot te lage geluidniveaus in die beoordelingspositie. In dergelijke situatie is toepassing van methode II noodzakelijk;
- − het betreft een solitaire bron of samengestelde bron (zoals bijvoorbeeld de combinatie aandrijving-overbrenging-installatie) met een brondiameter van ten hoogste 5 m;
- − er treedt geen significant stoorgeluid op of hiervoor kan worden gecorrigeerd;
- − de grootste brondiameter is klein ten opzichte van de afstand tot het beoordelingspunt (ri ≥ 1,5 d)
- − de bron straalt over het gehele referentievlak (gedefinieerd in de volgende paragraaf) gelijkmatig geluid uit. Wanneer op enig punt op het meetvlak het verschil tussen het hoogste en laagste te meten geluidniveau meer dan 2 dB bedraagt, wordt gebruik gemaakt van methode II.
- − op een vaste afstand ligt van het referentielichaam;
- − de bron volledig wordt omsloten of aansluit op de bodem of niet geluidafstralende vlakken, objecten rond de bron;
- − op een relatief kleine afstand van de bron wordt geplaatst;
- − goed bereikbaar is voor het uitvoeren van metingen.
- − een hoofdvlak evenwijdig aan het referentievlak en afmetingen gelijk aan het referentievlak;
- − een smalle randstrook langs de omtrek van het hoofdvlak waarop geen metingen worden verricht en dat verder buiten beschouwing blijft.
- • R < 0,2 l
- • R ≥ 0,8 dref
- • R ≥ 0,5 dref + 0,5
- − de tijdsperiode Tb per bedrijfstoestand dat de bron binnen een beoordelingsperiode werkt;
- − de bronhoogte hb;
- − de brondiameter d.
- 1. Het brongebied wordt voor deze berekening vereenvoudigd tot één vervangende puntbron in het akoestische zwaartepunt, waarbij de werkelijke bodemeigenschappen worden ingevoerd in het overdrachtsmodel van methode II.
- 2. Er wordt per octaafband een geluidvermogen LWR,fictief aangenomen van 0 dB. Als een normering van 0 dB met de gebruikte rekenprogrammatuur niet mogelijk is, kan ook worden gekozen voor een geluidvermogen van 100 dB per octaafband.
- 3. Met het overdrachtsmodel wordt op het meetpunt per octaafband het geluiddrukniveau Lfictief berekend.
- 4. Per octaafband wordt het geluidvermogen bepaald uit: LWR = LAeq,T + (LWR,fictief – Lfictief). Hierin is LAeq,T het op het meetpunt gemeten geluidniveau in de desbetreffende octaafband.
- − gebouwen en onderdelen ervan;
- − openingen in gebouwen;
- − pijpleidingen.
- − blok (rechthoekig parallellepipedum);
- − halve cilinder;
- − cilinder;
- − halve bol.
- − de tijdsperiode Tb per bedrijfstoestand dat de bron binnen een beoordelingsperiode werkt;
- − de bronhoogte hb;
- − de oppervlakte Sref van het referentielichaam.
- − op een vaste afstand ligt van het referentievlak;
- − de bron volledig omsluit of aansluit op de bodem of niet geluidafstralende vlakken, objecten rond de bron;
- − op een relatief kleine afstand van de bron wordt geplaatst;
- − goed bereikbaar is voor het uitvoeren van metingen.
- − een hoofdvlak evenwijdig aan het referentievlak en afmetingen gelijk aan het referentievlak;
- − een smalle randstrook langs de omtrek van het hoofdvlak waarop geen metingen worden verricht en die verder buiten beschouwing blijft.
- • R < 0,2 l
- • R ≥ 0,8 dref
- • R ≥ 0,5 dref + 0,5
- − Hele cilinder: Sm = 2πRl
- − Halve cilinder: Sm = πRl
- − als de bron gelijkmatig in alle richtingen straalt, is de richtingsindex DI = 0;
- − als de bron vrij opgesteld staat maar richtingsafhankelijk uitstraalt, zal de DI door metingen bepaald moeten worden;
- − als de bron richtingsafhankelijk uitstraalt, maar te midden van verstrooiende objecten staat, zal het richteffect verloren gaan. Meestal zal dan een term Dterrein (zie paragraaf 3.2.3.6) bij de overdracht in rekening moeten worden gebracht;
- − als de bron is opgesteld voor één of meer verticale reflecterende vlakken die deel uitmaken van de bron wordt een richtingsindex vastgesteld volgens de formule:
- − de tijd dat de bron in werking is of de duur van de akoestisch onderscheidbare bedrijfstoestanden;
- − de gemiddelde bronhoogte hb (voor grote complexe industrieën is in het algemeen 5 m < hb < 20 m);
- − het oppervlakte Sp van het bronterrein, de brondiameter d en het broncentrum B.
- − De gemiddelde afstand Rm (en bij voorkeur de afstand van ieder meetpunt) van de meetlijn tot aan de begrenzing van het brongebied moet voldoen aan Rm ≥ 0,05√Sp en Rm ≥ 5 m
- − De afstand Rm wordt zo groot mogelijk gekozen als door stoorgeluid wordt toegelaten, mits: Rm ≤ 0,5√Sp en Rm ≤ 35 m
- − Vanuit ieder punt op de meetlijn is de hoek ψ waaronder het bronterrein wordt gezien kleiner of gelijk aan 180⁰.
- − geen reflecterende vlakken buiten de meetlijn, die van invloed zijn op het te meten geluiddrukniveau;
- − geen afschermende objecten tussen meetlijn en bronterrein (b.v. bronnen op daken, zoals dakventilatoren, koelaggregaten e.d. worden niet door de dakrand afgeschermd).
- − ISO 9614-1 Acoustics – Determination of sound power levels of noise sources using sound intensity – Part 1: Measurements at discrete points
- − ISO 9614-2 Acoustics – Determination of sound power levels of noise sources using sound intensity – Part 2: Measurements by scanning
- − de kleinste afmeting van het oppervlak kleiner is dan een halve golflengte; of
- − het uitstralend vlak over afstanden groter dan een halve golflengte homogeen is en de frequentie beneden de grens frequentie ligt.
- − Cd = 5 dB: galmende ruimten, sterk diffuse geluidvelden en
- − Cd = 3 dB: sterk gedempte ruimten, weinig diffuse geluidvelden.
- − een hal met veel dicht op elkaar staande machines en/of veel opslag;
- − een hal waarin een goed absorberend plafond is aangebracht;
- − een hal waarbij de belangrijkste bron nabij de wand is opgesteld (Cd = 3 dB).
- − door openingen en geluidtechnisch zwakke aansluitdetailleringen zijn de optredende isolatiewaarden in veel praktijksituaties veel lager dan de aangegeven waarden;
- − bij lichte wandconstructies is de isolatie in de praktijk aanzienlijk lager dan op basis van laboratoriummetingen verwacht mag worden. Deze afwijking wordt alleen niet veroorzaakt door constructiefouten, maar ook door het feit dat in het laboratorium de randeffecten een veel grotere rol spelen dan bij industriehallen en dergelijke waar veel grotere oppervlakken worden toegepast;
- − ten gevolge van de variaties in het wandmateriaal, de wijze van bevestiging en meettechnische verschillen, zal de werkelijke isolatie kunnen afwijken van die in de tabel.
- − de bron moet een groot oppervlak aanstralen onder een representatieve invalshoek of moet een diffuus geluidveld in de hal veroorzaken;
- − het geluidniveau moet aan beide zijden van de wand op ten minste 1 m, en bij voorkeur op wat grotere afstand van de wand worden gemeten. In het algemene geval waarbij de wand als akoestisch hard mag worden beschouwd geldt:
- − het luchtgeluid veroorzaakt ook trillingen in de bouwkundige constructie. De mate waarin, kan door combinatie met een luchtgeluidisolatiemeting worden bepaald;
- − relatief lichte wandbeplating kan enkele dB's sterker trillen dan de zwaardere vloer- en constructiedelen die deze wandbeplating aanstoten.
- − de afscherming bestaat uit een geheel gesloten structuur (geen struiken, bomen, enzovoort);
- − de massa van het scherm bedraagt tenminste 10 kg/m2;
- − er bevinden zich geen reflecterende vlakken op afstanden kleiner dan 10 m in de nabijheid van de bron;
- − van uit het beoordelingspunt gezien is er geen reflecterend vlak achter de bron gelegen (gevels);
- − er is sprake van een scherm en niet van een geluidswal. Een wal heeft namelijk een andere geluidafschermende werking dan een scherm.
- − in het horizontale vlak loopt het scherm aan beide zijden voorbij de uiterste bronbegrenzing door tot een lengte die gelijk is aan tenminste tweemaal de hoogte van het scherm (zie figuur 3.1);
- − het scherm heeft een hoogte die tenminste 1 m boven de directe zichtlijn van het hoogste punt van de bron naar het beoordelingspunt uitsteekt;
- − het scherm is op een afstand van de bron van ten hoogste 25 m geplaatst.
- − er bevinden zich geen reflecterende vlakken op afstanden kleiner dan 10 m in de nabijheid van de bron;
- − in het horizontale vlak loopt de dakrand aan beide zijden voorbij de uiterste bronbegrenzing door tot een lengte die gelijk is aan tenminste tweemaal de hoogte Δx. Deze hoogte komt overeen met de lengte van de verbindingslijn tussen de directe lijn en de omweg. De verbindingslijn staat hierbij loodrecht op de directe lijn (zie figuur 3.1);
- − de dakrand heeft een hoogte Δx die tenminste 1 m boven de directe zichtlijn van het hoogste punt van de bron naar het beoordelingspunt uitsteekt;
- − de afstand van het `scherm' tot de bron bedraagt ten hoogste 25 m.
- − De nauwkeurigheid van de invoergegevens (schattingen van de bedrijfsduurcorrectie, de nauwkeurigheid van de metingen die ten grondslag liggen aan een geluidvermogenbepaling e.d.);
- − Het ontwerp van het model (simplificaties die aangebracht zijn om de werkelijkheid te kunnen modelleren, keuze van bodemhardheden, schematisering van afschermende objecten e.d.).
- − het reflecterend object heeft dwars op het geluidpad afmetingen die groter zijn dan de betreffende golflengte van het geluid;
- − het object wordt vanuit de bron en/of vanuit het immissiepunt gezien onder een hoek van tenminste 5° in het horizontale vlak;
- − de hoogte van het object moet groter zijn dan:
- − het object heeft een min of meer vlakke en geluidreflecterende wand. Bomenrijen en open procesinstallaties worden zo buitengesloten;
- − het geluid kan via een reflectie (zoals bij een optische spiegeling) het immissiepunt bereiken (zie figuur 3.2).
- − rekening moet worden gehouden met het feit dat het geluidvermogen in de richting van het immissiepunt kan verschillen van het geluidvermogen in de richting van het reflecterende object;
- − reflecties tegen de bodem worden door toepassing van Dbodem in rekening gebracht;
- − spiegelbronnen kunnen worden verwaarloosd als hun gezamenlijke bijdrage meer dan 7 dB onder het geluidimmissieniveau van de bron ligt;
- − enkele waarden voor ρ, de reflectiecoëfficiënt voor de geluidenergie, worden gegeven in tabel 3.2;
- − in bovenstaande rekenwijze is berekening van Drefl ter bepaling van de verzamelterm van alle verzwakkingen volgens formule 3.5 niet nodig om het immissieniveau Li te kunnen berekenen. Is berekening van Drefl dat toch gewenst, bijvoorbeeld om het effect van reflecties inzichtelijk te maken, dan kan Drefl worden bepaald door in het immissiepunt de immissiegeluidniveaus vanwege alle spiegelbronnen energetisch op te tellen bij het immissiegeluidniveau via het directe geluidpad, en vervolgens het berekende totale immissiegeluidniveau rekenkundig af te trekken van het berekende immissiegeluidniveau via alleen het directe geluidpad. De resulterende waarde voor Drefl is dus negatief, of afgerond nul als reflecties geen bijdrage blijken te leveren.
- − Naar I1 zijn geen reflecties mogelijk: Drefl = 0 dB
- − Naar I2 zijn wel reflecties mogelijk: Drefl is vooral afhankelijk van de reflectiecoëfficiënt van wand W en de afstand Bspiegel – l2 ten opzichte van de afstand B – l2.
- − de massa per eenheid van oppervlakte tenminste 10 kg/m2 bedraagt;
- − het object geen grote kieren of openingen heeft; procesinstallaties, bomen e.d. worden dus niet als scherm in rekening gebracht;
- − de horizontale afmeting dwars op de lijn van bron naar immissiepunt groter is dan de golflengte λ van het geluid. Ofwel (zie figuur 3.4 en figuur 3.6): sl + sr > λ
- − K, het snijpunt van de lijn BI met het scherm;
- − T, de top va n het scherm in vlak V (snijpunt V met lijn LR);
- − Q, het snijpunt van het (verlengde) schermvlak met een gekromde geluidstraal, die de geluidoverdracht beschrijft als het scherm er niet zou zijn (kromtestraal = 8r).
- − V snijdt geen enkel scherm;
- − V snijdt één scherm;
- − V snijdt meer dan een scherm.
- − c.1 de algemene situatie;
- − c.2 het bijzondere geval waarbij zowel dichtbij de bron als dichtbij het immissiepunt een scherm staat en waarbij de onderlinge afstand tussen de schermen groot is.
- − Voor geen of alleen één van de schermen geldt he ≥ 0. In deze gevallen wordt alleen het scherm met de grootste verticale omweg berekend volgens de procedure van het enkele scherm. (Dit betekent, in het geval dat he kleiner dan nul is, dat met het scherm dat in absolute waarde gerekend de kleinste omweg bezit verder wordt gerekend).
- − Meer schermen met he ≥ 0. Voor de berekening van Dscherm wordt een goede benadering gevonden door de Dscherm van het meest afschermende object te bepalen met de procedure van het enkele scherm. Gebouwen e.d. worden in deze berekening vereenvoudigd tot een enkel scherm waarbij de zijpaden worden berekend langs de verticale hoeklijnen met de grootste horizontale omweg.
- 1. Alle schermen met he < 0 worden verwijderd.
- 2. Van de overgebleven schermen wordt het punt Si (berekend bij scherm i) bepaald. Si ligt op een afstand s onder de top van het scherm. sl en sr zijn hierin de afstand van de linker- en rechterzijkant tot V. Bij gebouwen zijn dit de afstanden van de verst verwijderde verticale hoeklijnen van het gebouw ter linker- en rechterzijde van V.
- 3. De verbindingslijnen tussen bron B en Si en tussen het immissiepunt I en Si worden bepaald.
- 4. Vervolgens wordt de lijn BSj geselecteerd, die vanuit de bron gezien de grootste elevatie heeft. Ook wordt de lijn ISk geselecteerd, die vanuit het immissiepunt gezien de grootste elevatie heeft.
- 5. Als de lijnen BSj en ISk hetzelfde scherm betreffen, wordt Dscherm berekend door voor dit scherm de procedure van het enkele scherm te volgen. In de overige gevallen wordt het snijpunt P van de lijnen BSj en ISk bepaald. Door dit snijpunt wordt een verticale lijn, p, gedacht.
- 6. Op p worden twee punten bepaald te weten: Bepaal de hypothetische omweg εh volgens de formule:
- a. QB, snijpunt p met de lijn BQj;