Bijlage IVc Or: bij artikel 3.5 van deze regeling (rekenmethode geluidaandachtsgebied)
Voor het bepalen van geluidaandachtsgebieden worden berekeningen uitgevoerd volgens bijlage IVe voor wegen, bijlage IVf voor spoorwegen en bijlage IVh (methode II) voor industrieterreinen. Aanvullend op deze bijlagen gelden de volgende regels voor het berekenen van geluidaandachtsgebieden. Gebieden waar op voorhand aannemelijk is dat deze onderdeel van het geluidaandachtsgebied zijn kunnen buiten het te berekenen gebied vallen. Deze gebieden worden dan onderdeel van het geluidaandachtsgebied. Wegen of spoorwegen die binnen die gebieden liggen en die invloed kunnen hebben op het geluidaandachtsgebied buiten deze gebieden worden meegenomen bij het berekenen van het geluidaandachtsgebied. In de berekening van een geluidaandachtsgebied wordt geen rekening gehouden met bestaande bebouwing of afschermende objecten, met uitzondering van bebouwing en objecten die als geluidbrongegeven voor die geluidbronsoort voor de bepaling van geluidproductieplafonds zijn opgenomen in het geluidregister. Geluidaandachtsgebieden worden berekend door middel van een berekening van geluidniveaus op een regelmatig grid. Op basis van lineaire algebraïsche interpolatie wordt de contour bepaald van de standaardwaarde voor die geluidbronsoort, waarbij geen afronding wordt gehanteerd. Dit houdt in dat bij een standaardwaarde van bijvoorbeeld 53 dB, de 53,00 contour de grootte van het geluidaandachtsgebied bepaalt. De grideigenschappen zijn afhankelijk van de geluidbronsoort: Grid Geluidbronsoorten zonder geluidproductieplafonds Geluidbronsoorten met geluidproductieplafonds Rekenhoogte 10 m 30 m Onderlinge afstand tussen gridpunten bij een afstand < 50 m van een emissiebron Ten hoogste 10 m (raster van 10x10 m) Ten hoogste 20 m (raster van 20x20 m) Onderlinge afstand tussen gridpunten bij een afstand ≥ 50 m van een emissiebron Ten hoogste 20 m (raster van 20x20 m) Ten hoogste 50 m (raster van 50x50 m) Er kan op aanvullende gridhoogtes worden gerekend. De hoogste waarde op een gridpunt wordt gebruik
- a. de as van de weg of spoorweg;
- b. twee lijnen loodrecht op de as van de weg of spoorweg en op de halve afstand tot de in de lengterichting van de weg of spoorweg gezien naastliggende geluidreferentiepunten; en
- c. een lijn tussen het referentiepunt en de naastgelegen referentiepunten.
- a. de as van de weg of spoorweg en de lijn in het verlengde daarvan;
- b. een lijn loodrecht op de as van de weg of spoorweg of het verlengde daarvan en op de halve afstand tussen het geluidreferentiepunt en het in de lengterichting van de weg of spoorweg gezien naastliggende geluidreferentiepunt; en
- c. een maximale afstand van 50 m tot een bronregisterlijn.
- − Voor een weg, bestaande uit een of twee rijstroken en een maximumsnelheid van 30 km/u of minder: ten minste 100 m;
- − Voor een weg, bestaande uit een of twee rijstroken en een onbekende maximumsnelheid of een maximumsnelheid van meer dan 30 km/u: ten minste 200 m; en
- − Voor een weg, bestaande uit drie of meer rijstroken: ten minste 350 m.