Bijlage 2 Besluit intrekking beleidsregels Onderzoekskaders 2017 onder vaststelling beleidsregels Onderzoekskaders 2021: onderzoekskader 2021 voor het toezicht op het voortgezet onderwijs
Versie per 1 augustus 2026 Woord vooraf: veranderingen in het toezicht Samenvatting 1 Inleiding 1.1 Inleiding 1.2 Waar houden we toezicht op? 1.3 Begripsbepalingen 1.4 Niveaus in het toezicht 1.5 Werking en evaluatie 2. Visie en uitgangspunten voor het toezicht 2.1 Inleiding 2.2 Visie 2.3 Uitgangspunten voor het toezicht 2.3.1 Verbeteren stelselkwaliteit 2.3.2 Verantwoordelijkheid bij besturen 2.3.3 Waarborgen 2.3.4 Stimuleren 2.3.5 Proportionaliteit en maatwerk 3. Stelseltoezicht 3.1 Inleiding 3.2 Stelselkwaliteit en stelseltoezicht 3.2.1 Een stelsel van onderwijsvoorzieningen 3.2.2 Stelseltoezicht 3.3 Raamwerk voor stelselkwaliteit 4. Waarderingskader besturen 4.1 Inleiding 4.2 Opbouw van het kader 4.3 Kwaliteitsgebied en standaarden 4.4 Overige wettelijke vereisten 5 Waarderingskader scholen 5.1 Inleiding 5.2 Opbouw van het kader 5.3 Kwaliteitsgebieden en standaarden 5.4 Overige wettelijke vereisten 6 Oordelen en waarderen 6.1 Inleiding 6.2 Stimuleren op stelselniveau 6.3 Oordelen en waarderen standaarden bestuur en school 6.4 Oordelen en waarderen op bestuursniveau 6.5 Oordelen en waarderen op schoolniveau 6.5.1 Wettelijke norm zeer zwak onderwijs 6.5.2 Normering bij niet te beoordelen resultaten 6.5.3 Extra normering voor nieuwe scholen 6.5.4 Normering per 1 augustus 2024 6.6 Oordeelsvorming 6.6.1 Beoordelen naleving deugdelijkheidseisen 6.6.2 Waarderen van ambities 6.6.3 Omgeving van bestuur en school 7. Werkwijze toezicht 7.1 Inleiding 7.2 Stelseltoezicht 7.2.1 Werkwijze van het stelseltoezicht 7.2.2 Monitoring en analyse van ontwikkelingen 7.2.3 Agenderen en interveniëren 7.3 Toezicht op besturen en scholen 7.3.1 Werkwijze toezicht op besturen en scholen 7.3.2 Proportionaliteit en maatwerk 7.3.3 Jaarlijkse prestatie- en risicoanalyse 7.4 Toezichtsactiviteiten bij besturen en scholen 7.4.1 Vierjaarlijks onderzoek bestuur en scholen 7.4.2 Onderzoeken op schoolniveau 7.4.3 Onderzoeken specifiek gericht op financieel beheer 7.4.4 Overige toezichtsactiviteiten 7.
- – Interventies vanuit onze waarborgfunctie: het gaat dan om het naleven van de wet;
- – Interventies vanuit onze stimuleringsfunctie: gericht op de eigen ambities;
- – Interventies op stelselniveau: het agenderen van stelselproblemen.
- • We monitoren trends en ontwikkelingen in het Nederlandse onderwijs.
- • We analyseren waar het goed gaat, maar reflecteren ook op de knelpunten die risico’s vormen voor de kwaliteit van het stelsel.
- • We agenderen welke belangrijke risicovolle knelpunten we zien voor het onderwijsstelsel en rapporteren daarover onder andere jaarlijks in ‘De Staat van het Onderwijs’.
- • We interveniëren wanneer dat vanuit de stimulerende functie van het toezicht passend is. We doen dat via het stelsel-, bestuurs- en schooltoezicht, maar ook door andere activiteiten om het onderwijsveld te stimuleren de kwaliteit te verhogen.
- • het krijgen van een beeld van de ontwikkeling van de kwaliteit van een bepaald (stelsel)aspect bij besturen of scholen;
- • het verkrijgen van inzichten en, waar mogelijk, het vinden van verklaringen voor risico’s of stelselknelpunten, zoals bij een regionaal probleem of voor een specifieke doelgroep.
- • proportionaliteit: we stemmen de intensiteit van het toezicht op het bestuur en de scholen af op de kwaliteit van het bestuur. Dit lichten we in paragraaf 7.3.2 toe;
- • maatwerk: omdat besturen en scholen sterk verschillen in grootte, (regionale en lokale) omstandigheden en ontwikkeling, bepalen we bij elk onderzoek de inrichting en de opzet. We zetten verschillende onderzoeks- en verificatie-activiteiten in;
- • transparantie en verantwoording: bij de start van een onderzoek gaan we in gesprek met het bestuur en onderbouwen we de gekozen onderzoeksopzet. Gedurende het onderzoek informeren we het bestuur over eventuele aanpassingen hierin. We onderbouwen na afloop van het onderzoek de uitkomsten in de rapportage en passen hoor en wederhoor toe. We baseren onze oordelen, voor zover mogelijk, op minimaal drie verschillende bronnen. Dit noemen we triangulatie en daarmee waarborgen we onze onderzoekskwaliteit.
- • We hebben alle besturen in de afgelopen vier jaar onderzocht en beoordeeld. De uitkomsten daarvan en van andere momenten van onderzoek of contact vormen de start van ons beeld van de kwaliteit van het bestuur en van de kwaliteit van de invulling van hun (interne) waarborgfunctie.
- • Dit beeld vullen we aan op basis van gegevens uit de prestatie- en risicoanalyse die we jaarlijks per bestuur en voor alle scholen uitvoeren (zie paragraaf 7.3.3). We analyseren de ontwikkeling van deze gegevens in de tijd en ten opzichte van andere besturen.
- • Signalen die over een bestuur en de scholen bij de inspectie binnenkomen, betrekken we bij de analyse om de kwaliteit van het bestuur in beeld te brengen. Denk hierbij aan actuele ontwikkelingen, zoals mogelijke incidenten of andere berichten.
- • De standaard Basisvaardigheden is aangepast, omdat in het praktijkonderwijs voor individuele leerlingen kan worden afgeweken van het behalen van de kerndoelen en/of de referentieniveaus. Dit wordt opgenomen in het ontwikkelingsperspectief van de leerling.
- • De standaard Aanbod is aangepast, omdat de inhoud van het onderwijs afwijkt van het aanbod in het reguliere voortgezet onderwijs.
- • Voor elke leerling maakt de school een ontwikkelingsperspectief waarin beschreven is welk (eind)perspectief wordt nagestreefd en op welke manier het onderwijs wordt aangepast om dit doel te bereiken. De standaard Zicht op ontwikkeling en begeleiding is daarop aangepast.
- • De standaard Pedagogisch-didactisch handelen is aangevuld met de term ‘ortho’ om duidelijk te maken dat het hier gaat om specifiek handelen met het oog op de doelgroep.
- • De standaard Afsluiting is aangepast, omdat de leerlingen geen examen doen maar een schooldiploma of een verklaring ontvangen.
- • De standaard Resultaten is aangepast, omdat er geen normen zijn voor praktijkonderwijs. In plaats daarvan wordt er gekeken naar de eigen streefdoelen.
- • De standaard Basisvaardigheden is aangepast. Het aanbod wordt afgestemd op het niveau van de leerlingen bij binnenkomst van de school, waarbij het leren van de Nederlandse taal centraal staat.
- • De standaard Aanbod is aangepast. Leerlingen in een eoa volgen een intensief programma om Nederlands te leren en worden voorbereid op instroom in het reguliere onderwijs.
- • De standaard Zicht op ontwikkeling en begeleiding is aangepast, omdat voor anderstalige leerlingen andere ontwikkeldoelen gelden en afstemming op onderwijsbehoeften anders verloopt dan in het reguliere voortgezet onderwijs.
- • De standaard Pedagogisch-didactisch handelen is aangepast, omdat het hier specifiek (ortho)pedagogisch-didactisch handelen voor nieuwkomers betreft.
- • De standaard Afsluiting is aangepast, omdat bij het onderwijs aan anderstaligen soms sprake is van een overgang naar het regulier voortgezet onderwijs, maar veel vaker van de afsluiting van de voortgezet onderwijsloopbaan en een overgang naar het middelbaar beroepsonderwijs.
- • De standaard Resultaten is aangepast, omdat er geen normen zijn voor anderstaligen. In plaats daarvan wordt gekeken naar de eigen streefdoelen.
- • een andere dan de Nederlandse nationaliteit bezitten en van wie ten minste een van de ouders, voogden of verzorgers voor een tijdelijke periode in Nederland of een grensgebied van Nederland werkzaam is;
- • de Nederlandse nationaliteit bezitten en twee jaar of langer in het buitenland onderwijs hebben genoten omdat ten minste een van de ouders, voogden of verzorgers voor een bepaalde tijd in het buitenland werkzaam was;
- • de Nederlandse nationaliteit bezitten, van wie ten minste een van de ouders, voogden of verzorgers blijkens een schriftelijke verklaring van de werkgever binnen twee jaar na het tijdstip van toelating voor ten minste twee jaar in het buitenland werkzaam zal zijn, en die in deze periode bij die ouder, voogd of verzorger zal wonen;
- • een geschikte vooropleiding (havo 5 of vwo 4 succesvol afgerond) hebben doorlopen en voldoende kennis van de Engelse taal hebben.
- • De standaard Aanbod is aangepast, omdat deze scholen met een ander curriculum werken.
- • De standaard Zicht op ontwikkeling en begeleiding is veranderd, omdat door het ontbreken van internationaal georiënteerd praktijkonderwijs en speciaal onderwijs soms aanvullende externe begeleiding nodig is.
- • De standaard Afsluiting kent enkele wijzigingen, omdat de afsluiting van het onderwijs op een andere manier verloopt.
- • De standaard Resultaten is aangepast, omdat de resultaten vanwege het niet-afnemen van de Nederlandse eindexamens en veel tussentijdse in- en uitstroom niet te beoordelen zijn.
- – bekostigde opleidingen voor voortgezet algemeen volwassenenonderwijs (vavo) op roc’s;
- – niet-bekostigde opleidingen vavo;
- – niet-bekostigde/particuliere zelfstandige exameninstellingen.
- • Het kwaliteitsgebied Sturen, kwaliteitszorg en ambitie: op de onderliggende standaarden SKA1, SKA2 en SKA3 zijn wettelijke vereisten voor de samenwerkingsovereenkomst doorlopende leerroutes vmbo-mbo van toepassing. Daarom zijn die standaarden vanuit de sectorspecifieke waarderingskaders in het waarderingskader voor de doorlopende leerroutes vmbo-mbo uitgebreid met deze wettelijke vereisten;
- • Zowel de standaard Afsluiting uit het sectorkader voor voortgezet onderwijs en het kwaliteitsgebied Borging en afsluiting uit het sectorkader middelbaar beroepsonderwijs kunnen van toepassing zijn op de doorlopende leerroutes vmbo-mbo. In het waarderingskader zijn deze standaarden aangepast voor de leerroute vmbo-mbo voor wat betreft de gecombineerde PTA/OER. OP6 geldt voor het vmbo; BA1 en BA2 gelden voor het middelbaar beroepsonderwijs;
- • Hetzelfde geldt voor de standaard Resultaten uit het sectorale kader voor het voortgezet onderwijs en Studiesucces uit het sectorale kader middelbaar beroepsonderwijs. Ook hier zijn beide standaarden van toepassing op de doorlopende leerroutes vmbo-mbo. In het waarderingskader is specifiek aangegeven wanneer aan welke vereisten moet zijn voldaan;
- • De doorlopende leerroute vmbo-mbo kent specifieke wettelijke vereisten voor de onderwijstijd. De leerroute kent dan ook een specifieke standaard Onderwijstijd.
- • Voor de standaard Basisvaardigheden (OP0) voor de doorlopende leerroute vmbo-mbo geldt dat uit de beide afzonderlijke sectoren verschillende wettelijke vereisten van toepassing zijn. Daarom is de standaard Basisvaardigheden vanuit de sectorspecifieke waarderingskaders in het waarderingskader voor de doorlopende leerroute vmbo-mbo aangepast en uitgebreid met deze specifieke sectorale wettelijke vereisten.
- • De standaard Basisvaardigheden is aangepast, omdat in het praktijkonderwijs voor individuele leerlingen kan worden afgeweken van het behalen van de kerndoelen en/of de referentieniveaus. Dit wordt opgenomen in het ontwikkelingsperspectief van de leerling.
- • De standaard Aanbod is aangepast, omdat de inhoud van het onderwijs afwijkt van het aanbod in het reguliere voortgezet onderwijs.
- • Voor elke leerling maakt de school een ontwikkelingsperspectief waarin beschreven is welk (eind)perspectief wordt nagestreefd en op welke manier het onderwijs wordt aangepast om dit doel te bereiken. De standaard Zicht op ontwikkeling en begeleiding is daarop aangepast.
- • De standaard Pedagogisch-didactisch handelen is aangevuld met de term ‘ortho’ om duidelijk te maken dat het hier gaat om specifiek handelen met het oog op de doelgroep.
- • De standaard Afsluiting is aangepast, omdat de leerlingen geen examen doen maar een schooldiploma of een verklaring ontvangen.
- • De standaard Resultaten is aangepast, omdat er geen normen zijn voor praktijkonderwijs. In plaats daarvan wordt er gekeken naar de eigen streefdoelen.
- – voor het studiejaar 2026-2027 bij inwerkingtreding van de Wet vaba per 1 augustus 2026, maar bekendmaking daarvan na 1 februari 2026 (artikel 12.4c.2, eerste lid, WEB, artikel 12.48, eerste lid, WVO 2020)
- – voor een groep leerlingen en een groep studenten die reeds vóór de datum van inwerkingtreding van de Wet vaba met de leerroute is gestart (artikel 12.4c.2, tweede lid WEB, artikel 12.48, tweede lid, WVO 2020)
- 1) Actief burgerschap en sociale cohesie op doelgerichte en samenhangende wijze te bevorderen (standaarden OP0, OP2, OR2).
- 2) kennis van en het respect voor basiswaarden van de democratische rechtsstaat worden bevorderd (standaarden OP0, VS1, VS2);
- 3) sociale en maatschappelijke competenties worden ontwikkeld (standaarden OP0, VS2);
- 4) de schoolcultuur is in overeenstemming met basiswaarden, leerlingen worden gestimuleerd daarmee te oefenen en de school draagt zorg voor een veilige omgeving waarin leerlingen en personeel zich geaccepteerd voelen (standaarden OP3, VS1, VS2).
- • Vrijheid van meningsuiting betekent dat je mag zeggen of schrijven wat je denkt of tegen de opvatting van anderen in mag gaan. Iedereen mag dus ook zijn of haar geloof uitdragen, of zijn of haar mening aan anderen voorhouden. Daarbij moet je je wel houden aan de wet.
- • Het gelijkheidsbeginsel(ook wel gelijkheid of gelijkwaardigheid genoemd) betekent dat mensen van gelijke waarde zijn. Daarbij maakt het niet uit wat je denkbeelden zijn of wat je gelooft. Je hoeft niet te vinden dat die denkbeelden of gebruiken zelf waardevol zijn, maar wel dat mensen met andere denkbeelden en gebruiken niet minder waard zijn dan jij of dan jouw groep.
- • Begrip voor anderen betekent dat je probeert te begrijpen waarom mensen of groepen bepaalde denkbeelden of gebruiken hebben: wat is de achtergrond daarvan en waarom is dat belangrijk voor een ander?
- • Verdraagzaamheid (ook wel tolerantie genoemd) betekent dat je de mening of het gedrag van een ander accepteert, ook al ben je het er helemaal niet mee eens. En het betekent ook dat je iedereen de ruimte wilt geven om zo’n mening of zulk gedrag te hebben. Natuurlijk moet iedereen zich daarbij wel houden aan de wet.
- • Afwijzen van onverdraagzaamheid: onverdraagzaamheid (ook wel intolerantie genoemd) is het tegenovergestelde van tolerantie. Het betekent dat je vindt dat andere mensen of groepen, dingen waar jij het niet mee eens bent niet zouden mogen denken of doen; en dat je het niet nodig vindt dat ieder de ruimte krijgt om zo’n mening of zulk gedrag te hebben.
- • Afwijzen van discriminatie: discriminatie betekent dat mensen of groepen bij anderen achtergesteld worden of dat je vindt dat er voor mensen met andere denkbeelden of gebruiken niet zoveel ruimte hoeft te zijn of dat die denkbeelden of gebruiken misschien zelfs verboden moeten worden.
- • Autonomie betekent dat iedereen zelf kan bepalen wie hij/zij wil zijn en hoe hij/zij zijn/haar leven wil leiden. Iedereen is dus bijvoorbeeld vrij om zelf te bepalen welke denkbeelden of welk geloof voor hem/haar belangrijk zijn/is. Daarbij moet je je wel houden aan de wet.
- • Verantwoordelijkheidsbesef betekent dat mensen verantwoordelijkheid willen nemen voor wat ze zeggen en doen (en wat ze niet zeggen en doen) en dat ze daarbij rekening willen houden met wat dat voor anderen betekent. Daarbij is vooral belangrijk dat je probeert anderen niet te schaden en dat je de samenleving en de democratie wilt helpen om goed te functioneren. Hoe je dat doet, mag iedereen zelf weten.