Bijlage 14 Regeling indienststelling spoorvoertuigen 2020: behorende bij artikel 7
Regeling indienststelling spoorvoertuigen 2020
Bij een spoorvoertuig met een ontwerpwieldiameter kleiner dan 730 mm, wordt onderbouwd dat het betreffende spoorvoertuig onder de slechtst denkbare omstandigheden volgens paragraaf 3.3, bij het rechtdoor rijden door Engelse wissels en kruisingen met een hoekverhouding van 1:9 en 1:10, veilig de punt van het kruisstuk kan passeren. Veilig passeren betekent dat het spoorvoertuig niet de punt van het kruisstuk aan de voorzijde aanrijdt of langs de verkeerde kant van de punt van het kruisstuk ontspoort (zie voor meer achtergrondinformatie wat veilig passeren betekent NEN-EN14363:2016+A2:2022 bijlage E). Eis 1: Bij een spoorvoertuig met een ontwerpwieldiameter kleiner dan 730 mm, wordt onderbouwd dat het betreffende spoorvoertuig veilig over de Nederlandse hoofdspoorweginfrastructuur kan rijden, volgens de methode zoals in deze bijlage beschreven. Eis 2. Er wordt een rapportage opgeleverd als aantoning dat de methode correct is doorlopen, de rapportage voldoet aan de voorwaarden zoals in deze bijlage omschreven. Voor de geometrische beschouwing in paragraaf 3.4 wordt gebruik gemaakt van de procedure uit NEN-EN13232-3:2023 Annex B. Echter de gegevens van de infrastructuur waar in die norm vanuit wordt gegaan, wijken af van de gegevens in Nederland. Om die reden moet er voor de Nederlandse infrasituatie gebruik worden gemaakt van een andere hoekverhouding, groefbreedte en beloop van de punt van het kruisstuk dan in de NEN-EN13232-3:2023 Annex B. De volgende infra-invoergegevens worden in de geometrische beschouwing in paragraaf 3.4 gebruikt: Bovenstaande gegevens zijn al ingevuld in de rekenvoorbeelden, zie paragraaf 3.4. Hier wordt een overzicht gegeven van de overige relevante waardes/condities voor het spoorvoertuig en voor de infra die nodig zijn voor het uitvoeren van de geometrische beschouwing in stap 2 van het stappenplan. Deze zijn opgedeeld in beginwaarden en te variëren waarden. In sommige gevallen moeten de beginwaarden ook gevarieerd worden. Dat staat beschrev
- 1) Bepalen van de invoergegevens voor de geometrische beschouwing:
- a. Invoergegevens van 1:9 en 1:10 Engelse wissels en kruisingen zoals gebruikt voor de Nederlandse hoofdspoorweginfrastructuur, zie paragraaf 3.2.
- b. Andere relevante invoergegevens voor het spoorvoertuig en voor de infra voor de geometrische beschouwing, zie paragraaf 3.3.
- 2) Geometrische beschouwing volgens NEN-EN13232-3:2023 Annex B:
- a. Berekening volgens de voorbeeldrekenbladen met de invoergegevens uit stap 1a en 1b, zie paragraaf 3.4.
- b. Bepalen of is voldaan aan de gestelde limietwaarde, zie paragraaf 3.5.
- c. Als is voldaan, opstellen rapportage volgens de voorwaarden beschreven in paragraaf 3.6.
- 3) Indien bij stap 2b niet wordt voldaan aan de gestelde limietwaarde, bepaal dan opnieuw de invoerparameters van de maximale aanloophoek ψtotaal en de maximale zijdelingse sliphoek in het spoor x‰:
- a. Bepaling van de maximale aanloophoek ψtotaal en de maximale zijdelingse sliphoek in het spoor x‰ via meting/meetgegevens of simulaties met een gevalideerd simulatiemodel van het spoorvoertuig, zie paragraaf 3.7.
- b. Herhaling van de berekening van stap 2 gebruikmakend van de nieuw bepaalde gegevens uit stap 3a en bepalen of is voldaan aan de gestelde limietwaarde, zie paragraaf 3.8.
- c. Het opstellen van een rapportage volgens de voorwaarden beschreven in paragraaf 3.9.
- • Spoorwijdte van 1.435 mm.
- • Groefbreedte van 43 mm.
- • Strijkmaat van 1.392 mm.
- • Beloop van de punt van het kruisstuk volgens de onderstaande afbeeldingen.
- • Formules zoals aangegeven in de voorbeeldrekenbladen in paragraaf 3.4 bij sectie A:INFRA.
- • Hoekverhouding 1:9 en 1:10.
- • Strijkregelhoogte van 48 mm.
- • Bij de beoordeling uitgaan van het rechtdoor rijden door een 1:9 en 1:10 Engelse wissel of kruising.
- • Bij de beoordeling uitgaan van de minimale wieldiameter van het betreffende spoorvoertuig Dmin.Invullen in de voorbeeldrekenbladen in paragraaf 3.4 bij de invoergegevens van sectie B:WIELEN.
- • Hoogte van de binnen- en buitenzijde van de wielflens nemen bij een flenshoek van 40° (afhankelijk van het gebruikte wielprofiel). Zie onderstaand voorbeeld voor het S1002 wielprofiel, waarbij het gaat om de waarden Z1 (2,62 in figuur 2) en Z3(2,63 in figuur 2). Waarden aanpassen aan de waarden van het betreffende spoorvoertuig/wielprofiel en invullen bij sectie B:WIELEN.
- • Met betrekking tot de radstand van de wielstellen in het draaistel of onder de bak (indien geen draaistel aanwezig is) van het betreffende spoorvoertuig is in de voorbeeldrekenbladen in paragraaf 3.4 een voorbeeld gegeven van 2.500 mm. Deze waarde moet worden aangepast aan de waarde van het betreffende spoorvoertuig en worden ingevuld bij de invoergegevens van sectie C:DRAAISTEL.
- • Wielflensdikte van het wielprofiel van het betreffende spoorvoertuig invullen in de voorbeeldrekenbladen in paragraaf 3.4 bij de invoergegevens van sectie C:DRAAISTEL.
- • Speermaat van het wielstel invullen in de voorbeeldrekenbladen van paragraaf 3.4 bij de invoergegevens van sectie C: DRAAISTEL.
- • Voorgeschreven vaste waarde voor de zijdelingse sliphoek van het wielstel volgens UIC510-2: 20‰. Invullen in de voorbeeldrekenbladen in paragraaf 3.4 bij de invoergegevens van sectie D:INTERACTIE.
- • Wielflenshoogte ontwerp 30 of 32 mm, afhankelijk van de wieldiameter en het gebruikte wielprofiel. Zie ook bijlage E van NEN-EN14363:2016+A2:2022 en de minimale waarde volgens de TSI WAG of de TSI LOC&PAS. De waarde invullen bij de invoergegevens van de voorbeeldrekenbladen in paragraaf 3.4 sectie C:DRAAISTEL.
- • Naast de ontwerpspoorwijdte van 1.435 mm ook een spoorwijdte van 1.439 mm beoordelen bij een groefbreedte van 43 mm. Invullen in de voorbeeldrekenbladen van paragraaf 3.4 bij de invoergegevens van sectie A:INFRA.
- • Bij een spoorwijdte van 1.435 mm, naast de ontwerpgroefbreedte van 43 mm, ook een groefbreedte van 42 en 44 mm bij een 1:9 Engelse wissel of kruising en 44 mm bij een 1:10 Engelse wissel of kruising beoordelen. Invullen in de voorbeeldrekenbladen in paragraaf 3.4 bij de invoergegevens van sectie A:INFRA.
- • Beoordeling bij een spoorwijdte van 1.433 mm en een maximale wielflensdikte van 33 mm, door aanpassing van de speermaatwaarde resulterend in een spoormaat van 1.426 mm. Invullen in de voorbeeldrekenbladen in paragraaf 3.4 bij de invoergegevens van sectie C: DRAAISTEL en sectie A:INFRA.
- • Beoordeling bij een spoorwijdte van 1.439 mm en een minimale wielflensdikte van 27,5 mm, door aanpassing van de speermaatwaarde resulterend in een spoormaat van 1.415 mm. Invullen in de voorbeeldrekenbladen in paragraaf 3.4 bij de invoergegevens van sectie C: DRAAISTEL en sectie A:INFRA.
- • Aanloophoek van het loopwerk wordt in stap 2 (paragraaf 3.4) bepaald volgens de formules van de rekenbladen. In stap 3 van het stappenplan mag deze parameter zelf bepaald worden, zie paragraaf 3.7 (en figuur 3).
- • Rapportage met een overzicht van de voor de beschouwing gebruikte invoergegevens, inclusief de documenten of tekeningen van het spoorvoertuig waarop de invoergegevens gebaseerd zijn, volgens stap 1 van het stappenplan en de berekende rekenresultaten van de volledige geometrische beschouwing volgens stap 2 van het stappenplan.
- • Analyse van het dynamisch gedrag bij het rechtdoor rijden over een spoor met ERRI B176 RP1 1989 (normen opgesteld door het European Rail Research Institute) high spooronregelmatigheden.
- • Analyse met een spoorvoertuig in lege en maximaal beladen conditie, conform EN15663:2017+A2:2025.
- • Analyse voor een rijsnelheidsgebied van 10 – 60 km/u met stappen van 10 km/u.
- • Analyse voor een wrijvingscoëfficiënt tussen wiel en rail van 0,1 en 0,4.
- • Analyse zonder én met de invloed van zijwind op het voertuig met windkracht 10 op de schaal van Beaufort.
- • Rapportage met een overzicht van de voor de beschouwing gebruikte invoergegevens, inclusief de documenten of tekeningen van het spoorvoertuig waarop de invoergegevens gebaseerd zijn, volgens stap 1 van het stappenplan. Daarnaast de onderbouwing van de aangepaste waardes voor de maximaal optredende aanloophoek ψtotaal en zijdelingse sliphoek x‰ in het spoor, en de berekende rekenresultaten van de volledige geometrische beschouwing volgens stap 2 van het stappenplan. De rapportage bevat daarnaast de achterliggende rapportages van de meetgegevens of de achterliggende rapportages van de simulatieresultaten, inclusief wijze van valideren van het simulatiemodel.