Bijlage 1 Besluit vaststelling beleidsregels en subsidieplafond subsidiëring ex Subsidieregeling Ministerie van Buitenlandse Zaken 2006 (Mine Action en Cluster Munitie Programma 2020–2024): achtergrond en beleidsuitgangspunten
Na afloop van een gewapend conflict leiden explosieve oorlogsresten (ERW) zoals landmijnen en clustermunitie vaak tot langdurige onveiligheid voor burgers.3Voor een volledige definitie van ERW zie: https://www.mineactionstandards.org/fileadmin/MAS/documents/standards/Glossary_of_mine_action_terms_and_abbreviations_Ed.2_Am.10.pdf Naast het directe gevaar voor mensen, zorgen explosieve overblijfselen van conflicten ervoor dat de gebieden waar zij voorkomen gevaarlijk en ontoegankelijk blijven. Dit vormt een drempel voor stabilisatie, wederopbouw en sociaaleconomische ontwikkeling. Humanitaire hulp kan niet op gang komen, wegen, grensgebieden en de omgeving van huizen en scholen blijven onbegaanbaar, waardoor burgers geen toegang hebben tot voedsel, water en andere basisbehoeften. Onveiligheid door explosieve oorlogsresten vormt tevens een belemmering voor vluchtelingen en ontheemden om terug te keren naar huis. Ook belemmeren ERW het werk van internationale veiligheidstroepen tijdens vredesmissies in fragiele staten. Mine action is het uitvoeren van activiteiten die als doel hebben de sociale, economische en ecologische impact van landmijnen en andere explosieve oorlogsresten, inclusief niet-geëxplodeerde sub-munitie te reduceren. Mine action gaat niet alleen over ontmijning maar ook over mensen en samenlevingen en hoe zij getroffen worden door aanwezigheid van landmijnen. Het doel van mine action is de risico’s van landmijnen te reduceren zodat mensen veilig kunnen leven zonder beperkingen door landmijnen en explosieve oorlogsresten waardoor economische, sociale ontwikkeling alsook ontwikkelingen op gebied van gezondheidszorg mogelijk is en in de noden van slachtoffers wordt voorzien. Hierbij kan mine action niet als losstaand gezien worden aangezien er veel overlapping is met humanitaire en ontwikkelingssamenwerking activiteiten en, in sommige gevallen, vredesbeheer en ondersteunende operaties. 4Zie: http://www.mineactionstandards.org/standards/ Mine action richt zi
- 1) Risicovoorlichting – voorlichting en bewustwording creëren bij bevolking over risico van landmijnen en andere explosieve oorlogsresten en hoe met deze risico’s om te gaan.
- 2) Ontmijning – activiteiten, bestaande uit surveys, mapping, marking en clearance, gericht op het bruikbaar maken van besmette grond.
- 3) Slachtofferhulp – hulp aan slachtoffers (en families) inclusief rehabilitatie, re-integratie en psychosociale hulp.
- 4) Voorraadvernietiging – vernietiging van voorraden landmijnen en ontmantelen van productiecapaciteit en opslagfaciliteiten.
- 5) Advocacy – lobby tegen het gebruik van anti-persoonsmijnen en clustermunitie.
- 1.2.1 Beleidsbevordering voor universele acceptatie en uitvoering van het Ottawaverdrag.
- 1.2.2 Technische bijstand en capaciteitsopbouw via partners om de capaciteit van nationale en lokale ontmijningsautoriteiten te versterken om explosieve oorlogsresten gerelateerde problemen effectief aan te pakken.
- 1.2.3 Ondersteunen van programma’s voor het ruimen van mijnen en explosieve oorlogsresten, het verhogen van bewustzijn van mijn gerelateerde risico's, en steun aan slachtoffers.
- a) Op verzoek van de Minister, die een zogeheten ‘flash-call for proposals’ kan doen ten behoeve van specifieke gebieden en/of activiteiten;
- b) Op basis van suggesties gedaan door de geselecteerde partners, en als aanvulling op andere donoren (bijvoorbeeld de Europese Unie). In dergelijke gevallen zal de Minister het voorstel evalueren in het licht van zijn beleidsprioriteiten.
- • Onderzoeksprojecten en kennisopbouw die de effectiviteit en efficiëntie van de ontmijningssector vergroten;
- • Ondersteuning van IT-managementprocessen ten behoeve van het standaardiseren en stroomlijnen van ontmijningsactiviteiten, bijvoorbeeld IMSMA Core;
- • Ontwikkeling van richtlijnen en handleidingen op het gebied van veilig en efficiënt ruimen van landmijnen, bijvoorbeeld de International Mine Action Standards;
- • Strategische beleidsadviezen schrijven voor het ontwikkelen van nationale strategieën voor ontmijningsautoriteiten;
- • Technische en operationele ondersteuning, zoals trainingen en workshops, aan nationale ontmijningsautoriteiten om effectiviteit te verhogen.
- A) € 61.278.800 voor activiteiten gericht op operationele ontmijningsactiviteiten, welk deelplafond verder is onderverdeeld in € 30 miljoen bestemd voor activiteiten in prioritaire landen (Afghanistan, Irak, Jemen, Libanon, Libië, Oekraïne, en Syrië), € 10 miljoen bestemd voor activiteiten in andere dan de prioritaire landen en € 21.278.800 bestemd voor activiteiten in het kader van contingency funding; en:
- B) € 1 miljoen voor activiteiten gericht op capaciteitsopbouw, innovatie, en strategische beleidsbeïnvloeding.
- 1) Ruimen van (geïmproviseerde) mijnen, ERW, UXO, AXO en clustermunitie (door detecteren, in kaart brengen, markeren en ruimen)15Voor definities van de verschillende manieren zie: https://www.mineactionstandards.org/fileadmin/user_upload/Glossary_of_mine_action_terms_and_abbreviations_Ed.2_Am.10.pdf;
- 2) Vernietigen van voorraden (geïmproviseerde) mijnen, ERW, UXO, AXO en clustermunitie (inclusief ontmantelen van productiecapaciteit en opslagfaciliteiten);
- 3) Hulp aan slachtoffers en families, inclusief rehabilitatie, re-integratie en psychosociale hulp;
- 4) Bewustwording van en voorlichting aan de lokale bevolking over risico van (geïmproviseerde) mijnen, ERW, UXO, AXO en clustermunitie;
- 5) Capaciteitsopbouw ter ondersteuning van lokale en/of nationale uitvoerders gerelateerd aan de activiteiten genoemd onder 1) tot 4) hierboven.
- 1) Onderzoeksprojecten en kennisopbouw die de effectiviteit en efficiëntie van de ontmijningssector vergroten;
- 2) Ondersteuning van IT-managementprocessen ten behoeve van het standaardiseren en stroomlijnen van ontmijningsactiviteiten;
- 3) Ontwikkeling van richtlijnen en handleidingen op het gebied van veilig en efficiënt ruimen van landmijnen;
- 4) Strategische beleidsadviezen schrijven voor het ontwikkelen van nationale strategieën voor ontmijningsautoriteiten;
- 5) Technische en operationele ondersteuning, zoals trainingen en workshops, aan nationale (ontmijningsautoriteiten) om effectiviteit te verhogen.
- 1) Fase 1:
- − Drempeltoets voor zowel aanvragen voor subsidie voor operationele ontmijningsactiviteiten in de prioritaire landen als voor activiteiten gericht op capaciteitsopbouw, innovatie, en strategische beleidsbeïnvloeding;
- − Toets kwaliteit conceptnotitie voor zowel aanvragen voor subsidie voor operationele ontmijningsactiviteiten in prioritaire landen als voor activiteiten gericht op capaciteitsopbouw, innovatie, en strategische beleidsbeïnvloeding.
- − Toets kwaliteit track record (als onderdeel conceptnotitie) voor aanvragen voor subsidie voor operationele ontmijningsactiviteiten in prioritaire landen,
- 2) Fase 2:
- − Toets organisatorische capaciteit en integriteit van alle voor fase 2 geselecteerde aanvragers;
- − (Beknopte) drempeltoets voor zowel aanvragen voor subsidie voor operationele ontmijningsactiviteiten in prioritaire landen en niet prioritaire landen, als voor activiteiten gericht op capaciteitsopbouw, innovatie, en strategische beleidsbeïnvloeding;
- − Toets kwaliteit volledig voorstel voor zowel aanvragen voor subsidie voor operationele ontmijningsactiviteiten in prioritaire landen en niet prioritaire landen, als voor activiteiten gericht op capaciteitsopbouw, innovatie, en strategische beleidsbeïnvloeding, op grond van uitgebreidere context- en risicoanalyse, en de voorgestelde monitoring op basis van SMART outcomes en outputs met bijbehorende kwaliteitsindicatoren en streefwaarden.
- a) subsidieaanvragen voor operationele ontmijningsactiviteiten in prioritaire landen: in de periode vanaf de datum van inwerkingtreding van dit besluit tot en met 4 mei 2020 12:00.00 uur CET+1;
- b) subsidieaanvragen voor activiteiten gericht op capaciteitsopbouw, innovatie, en strategische beleidsbeïnvloeding: in de periode vanaf de datum van inwerkingtreding van dit besluit tot en met 4 mei 2020 12:00.00 uur CET+1.
- c) subsidieaanvragen voor operationele ontmijningsactiviteiten in het kader van contingency funding: in de periode vanaf de datum van inwerkingtreding van dit besluit tot en met 31 augustus 2024 23:59.59 uur CET+1.
- • Aanvragen worden ingediend via het daartoe vastgestelde aanvraagformulieren (annex 6A/6B bij deze beleidsregels). Deze formulieren worden geplaatst op www.government.nl/topics/grant-programmes. Aanvragen mogen niet langer zijn dan het maximum aantal woorden aangegeven in het formulier. Langere aanvragen worden niet in behandeling genomen. De aanvraag moet worden voorzien van de verplicht bij de aanvraag in te dienen bijlagen.
- • Conceptnotities dienen als verplichte bijlagen aan het aanvraagformulier te worden toegevoegd. Hiervoor moet het daarvoor beschikbaar gestelde format (annex 7A/B bij deze beleidsregels) worden gebruikt. Het trackrecord dient te worden opgesteld aan de hand format voor het aanvraagformulier (annex 6A/6B bij deze beleidsregels). Voor de begroting moet gebruik gemaakt worden van het budget-sjabloon in annex 7A/B.
- • Een conceptnotitie beschrijft de beoogde activiteiten in één (1) specifiek prioritair land (operationele ontmijningsactiviteiten) of alle beoogde activiteiten (activiteiten gericht op capaciteitsopbouw, innovatie, en strategische beleidsbeïnvloeding).
- • Een conceptnotitie beslaat maximaal 2.500 woorden. Aanvragen met langere conceptnotities worden niet in behandeling genomen. Additionele, niet-gevraagde bijlagen bij de conceptnotitie worden buiten beschouwing gelaten bij de beoordeling van de aanvraag.
- • Aanvragen dienen op A4 formaat te worden aangeleverd in lettertype Verdana 9 (of een vergelijkbaar lettertype van vergelijkbare grootte), met enkele regelafstand en normale marges (2,54 cm aan alle kanten).
- • Het in de aanvraag aangevraagde subsidiebedrag moet in euro’s worden vermeld.
- • In de aanvraag specificeert de aanvrager het aangevraagde subsidiebedrag uitgesplitst naar outcome en naar jaar. Indien een deel van de met de uitvoering van de activiteiten gemoeide kosten uit andere middelen dan de gevraagde subsidie wordt gedekt, wordt aangetoond hoe wordt gewaarborgd dat deze beschikbaar zijn.
- • Aanvragen inclusief de bijbehorende bijlagen moeten in het Nederlands of Engels ingediend worden.
- • Alle voor een aanvraag vereiste en/of voor beoordeling benodigde informatie dient duidelijk te worden opgenomen in de aanvraag of bij de aanvraag behorende bijlagen. In het laatste geval dient de aanvrager specifiek te refereren naar de relevante bijlage, paginanummer en paragraaf waar de gevraagde informatie gevonden kan worden. Verwijzingen naar websites worden niet geaccepteerd.
- • De aanvragen dienen volledig en definitief te zijn en moeten door een officieel tekenbevoegde persoon te zijn ondertekend. Het is niet mogelijk om een voorlopige aanvraag in te dienen.
- • De aanvragen, ingediend door een penvoerder namens een alliantie, dienen een intentieverklaring te bevatten, die door alle organisaties in de alliantie (penvoerder en mede-indieners) is ondertekend en waaruit de intentie van de penvoerder en de mede-indiener(s) blijkt om gezamenlijk het project waarop de subsidieaanvraag betrekking heeft uit te voeren. Hier dient het sjabloon in annex 8 behorende bij deze beleidsregels te worden gebruikt. In fase 2 dient voor een dergelijke aanvraag een samenwerkingsovereenkomst, namens alle organisaties in de alliantie (penvoerder en mede-indieners) ondertekend, te worden ingediend, waarin in elk geval afspraken zijn gemaakt over de onderwerpen vermeld in hoofdstuk 5.1. D.12.
- • Aanvragen dienen in Adobe PDF-bestandsformaat per e-mail verzonden worden naar DSH-HMAPROGRAM@minbuza.nl.16Het is daarbij niet toegestaan om gebruik te maken van WeTransfer of andere systemen voor digitale gegevensoverdracht.,17Aanvragen per post kunnen worden gestuurd naar: Ministerie van Buitenlandse Zaken, Directie Stabiliteit en Humanitaire Hulp, Postbus 20061, 2500 EB ’s Gravenhage. Als u de aanvraag persoonlijk of per koerier wilt aanleveren, dan kunt u de aanvraag (laten) afgeven bij het afgifteloket voor poststukken (expeditie) van het Ministerie van Buitenlandse Zaken, Rijnstraat 8, 2515 XP ’s-Gravenhage. Als moment van indiening geldt het moment waarop de aanvraag op het Ministerie van Buitenlandse Zaken is ontvangen. Houd hierbij rekening met de omstandigheid dat de datum van ontvangst wordt vastgesteld aan de hand van het tijdstip van inschrijving en dat ’s avonds en op zaterdag en zondag geen post wordt ingeschreven. Het onderwerp van de e-mail dient als volgt worden opgesteld: naam aanvrager_ titel van het voorstel.
- • Zie voor het moment waarop aanvragen uiterlijk moeten worden ingediend par. 3.3. Als moment van indiening geldt het tijdstip waarop de e-mail door het systeem voor gegevensverwerking van het Ministerie van Buitenlandse Zaken is ontvangen.
- • Houd er rekening mee dat bestanden groter dan 10MB niet kunnen worden ontvangen. E-mails groter dan 10MB dienen in kleinere e-mails te worden verdeeld. Hierbij geldt dat het moment waarop de gehele aanvraag, inclusief de laatste e-mail, is ontvangen geldt als tijdstip waarop de aanvraag is ingediend. Daarbij dienen de e-mails genummerd te worden in de onderwerp regel, waarbij duidelijk is hoeveel e-mails de aanvraag in totaal behelst. Eventuele technische problemen bij verzending komen voor rekening en risico van aanvrager.
- • Vragen over het beleidskader en de aanvraagformulieren dienen per email naar DSH-HMAPROGRAM@minbuza.nl gestuurd te worden voor 3 april 2020 23:59.59 uur CET+1. De geanonimiseerde vragen met antwoorden zullen online gepubliceerd worden voor 16 april maart 2020 23:59.59 uur CET+1.
- • Met betrekking tot de aanvraagprocedure, wordt bijzondere aandacht gevestigd op artikel 7, derde lid, van het Subsidiebesluit Ministerie van Buitenlandse Zaken. Wanneer een onvolledige aanvraag is ingediend, kan de minister een supplement opvragen. In dit geval zal de datum van ontvangst van de aanvraag worden vastgesteld op de datum waarop de aanvraag is aangevuld. Indien de aanvraag minder dan twee weken voor de deadline van 4 mei 2020 12:00.00 uur CET+1 wordt ingediend, loopt de aanvrager het risico dat, wanneer de aanvraag niet compleet is, de minister zijn discretionaire bevoegdheid niet zal gebruiken, om een supplement op te vragen. Deze kan dan immers niet meer vóór de deadline worden ingediend. In dat geval zal de aanvraag moeten worden beoordeeld in zijn oorspronkelijk ingediende vorm.
- D.1 De aanvrager is, dan wel in geval van een aanvraag namens een alliantie, de penvoerder en de mede-indiener(s) zijn, een maatschappelijke organisatie: een niet op winst gerichte, niet aan een overheidsinstantie statutair of feitelijk verbonden organisatie met een maatschappelijk oogmerk, beschikkend over rechtspersoonlijkheid naar burgerlijk recht, die niet door een overheidsinstantie is opgericht, dan wel die na oprichting door een overheidsinstantie geheel verzelfstandigd is.
- D.2 De aanvrager, dan wel in geval van een aanvraag namens een alliantie, de alliantie heeft in de periode 2015 – 2019 ten minste drie jaar ervaring met het uitvoeren van programma’s op het gebied van humanitair ontmijnen in de prioritaire landen opgenomen in annex 1 bij deze beleidsregels, waarmee een gemiddeld jaarbudget van minimaal € 500.000 per land is gemoeid.
- D.3 De aanvraag heeft betrekking op operationele ontmijningsactiviteiten óf activiteiten gericht op capaciteitsopbouw, innovatie, en strategische beleidsbeïnvloeding.
- D.4 De activiteiten waarvoor subsidie wordt gevraagd hebben een minimale looptijd van 36 maanden en een maximale looptijd van 48 maanden.
- D.5 De activiteiten starten niet eerder dan 1 september 2020 en worden afgerond uiterlijk op 31 augustus 2024.
- D.6 De activiteiten betreffen geen:
- a) Initiatieven die proselitisme (mede) beogen;
- b) Financiering van commerciële dienstverlening of commerciële activiteiten;
- c) Organisatie van conferenties;
- d) Activiteiten waarvoor reeds rechtstreeks een subsidie of bijdrage ten laste van het Ministerie van Buitenlandse Zaken wordt ontvangen;
- e) Activiteiten van een lokale maatschappelijke organisatie waarvoor reeds middellijk ten laste van de begroting van het Ministerie van Buitenlandse Zaken een bijdrage wordt ontvangen; of
- f) Activiteiten van organisaties die reeds ten laste van de begroting van het Ministerie van Buitenlandse Zaken een instellingssubsidie ontvangen waarvan de werkingsduur zich uitstrekt tot in het subsidietijdvak waarop de tender waarvoor een aanvraag wordt ingediend betrekking heeft.
- D.7 In geval van een aanvraag namens een alliantie wordt bij de aanvraag een namens alle alliantiepartners (penvoerder en de mede-indiener(s)) getekende intentieverklaring (zie sjabloon in annex 8 behorende bij deze beleidsregels) ingediend waaruit de intentie van de penvoerder en de mede-indiener(s) blijkt om gezamenlijk het project waarop de subsidieaanvraag betrekking heeft uit te voeren.
- D.8 A. De bezoldiging van de individuele leden van management en bestuur van Nederlandse aanvragers, penvoerders en mede-indieners, zijnde rechtspersonen of instellingen bedoeld in artikel 1.3 van de Wet Normering Topinkomens, voldoet uiterlijk met ingang van het tijdvak waarvoor subsidie wordt gevraagd aan de voor hen krachtens die wet geldende maximale bezoldiging. B. De maximale bezoldiging van de individuele leden van management en bestuur van overige aanvragers, penvoerders en mede-indieners staat met ingang van het tijdvak waarvoor subsidie wordt gevraagd in redelijke verhouding tot het niveau van de functie, de geografische ligging en de omvang en complexiteit van de organisatie.
- D.9 De aanvrager heeft als zelfstandige aanvrager en/of als penvoerder tenminste twee en niet meer dan drie (3) aanvragen ingediend voor operationele ontmijningsactiviteiten in prioritaire landen (zie annex 1 bij deze beleidsregels) en elke aanvraag is gericht op één (1) prioritair land.
- D.10 De gevraagde subsidie per aanvraag/land bedraagt ten minste € 2.000.000 en ten hoogste € 6.000.000.
- D.11 De activiteiten waarvoor subsidie wordt gevraagd richten zich op:
- a) De algemene doelstelling van het Nederlands humanitair ontmijningsbeleid namelijk het verminderen van fysieke bedreigingen voor persoonlijke veiligheid; en
- b) Per land tenminste drie van de volgende vijf categorieën van activiteiten:
- 1) Ruimen van (geïmproviseerde) mijnen, ERW, UXO, AXO en clustermunitie (door detecteren, in kaart brengen, markeren en ruimen);
- 2) Vernietigen van voorraden (geïmproviseerde) mijnen, ERW, UXO, AXO en clustermunitie (inclusief ontmantelen van productiecapaciteit en opslagfaciliteiten);
- 3) Hulp aan slachtoffers en families, inclusief rehabilitatie, re-integratie en psychosociale hulp;
- 4) Bewustwording van en voorlichting aan de lokale bevolking over risico van (geïmproviseerde) mijnen, ERW, UXO, AXO en clustermunitie;
- 5) Capaciteitsopbouw ter ondersteuning van lokale en/of nationale uitvoerders gerelateerd aan de activiteiten genoemd onder 1) tot en met 4) hierboven; en:
- c) De landenstrategieën zoals geformuleerd in annex 4 van deze beleidsregels.
- D.12 De totaal gevraagde subsidie bedraagt ten hoogste € 1.000.000.
- D.13 De activiteiten waarvoor subsidie wordt gevraagd richten zich op:
- a) De algemene doelstelling van het Nederlands humanitair ontmijningsbeleid namelijk het verminderen van fysieke bedreigingen voor persoonlijke veiligheid; en
- b) Tenminste drie van de volgende vijf categorieën van activiteiten:
- 1) Onderzoeksprojecten en kennisopbouw die de effectiviteit en efficiëntie van de ontmijningssector vergroten;
- 2) Ondersteuning van IT-managementprocessen ten behoeve van het standaardiseren en stroomlijnen van ontmijningsactiviteiten;
- 3) Ontwikkeling van richtlijnen en handleidingen op het gebied van veilig en efficiënt ruimen van landmijnen;
- 4) Strategische beleidsadviezen schrijven voor het ontwikkelen van nationale strategieën voor ontmijningsautoriteiten.
- 5) Technische en operationele ondersteuning, zoals trainingen en workshops, aan nationale (ontmijningsautoriteiten) om effectiviteit te verhogen.
- D.14 In het geval van een aanvraag namens een alliantie omvat de aanvraag een door alle betrokken alliantieleden (penvoerder en mede-indieners) getekende samenwerkingsovereenkomst, waarin in ieder geval afspraken zijn neergelegd over (i) de wijze waarop elk van de alliantieleden bijdraagt aan de werkzaamheden van het samenwerkingsverband, (ii) de wijze waarop de besluitvorming in het samenwerkingsverband plaatsvindt, (iii) de wijze waarop de kosten en de risico’s worden gedeeld over de alliantieleden, (iv) de wijze waarop de naleving van de aan een subsidie verbonden verplichtingen jegens de Minister is gewaarborgd, inclusief de zorg voor gezamenlijke geaggregeerde rapportages (inclusief IATI-rapportages), (v) de wijze waarop de alliantieleden elkaar informeren, in het bijzonder over hun financiële gezondheid, (vi) de wijze waarop de samenwerking kan worden aangepast en (vii) de wijze waarop elk van de alliantieleden betrokken is bij het monitoren en evalueren van de voortgang van de gesubsidieerde activiteiten.
- D.15 De aanvrager/penvoerder is in staat tot een adequaat financieel beheer en kan door ervaringsdeskundigheid met betrekking tot de activiteiten als die waarvoor subsidie wordt gevraagd een doelgerichte en doelmatige uitvoering van de activiteiten waarborgen.
- D.16 De aanvrager/penvoerder toont aan dat hij en in geval van een alliantie zijn mede-indieners een integriteitsbeleid hebben vastgesteld en procedures hebben ingevoerd om aan dat beleid toepassing te kunnen geven, teneinde ernstige vormen van grensoverschrijdend gedrag, daaronder begrepen seksuele misdragingen, jegens medewerkers en derden bij de uitvoering van de activiteiten waarop de aanvraag betrekking heeft door de penvoerder, de mede-indieners en de door hen ingeschakelde partijen, zo veel mogelijk te voorkomen, in voorkomend geval te onderzoeken, met passende maatregelen zo spoedig mogelijk te doen beëindigen en om de gevolgen daarvan te mitigeren. De procedures zijn zodanig ingericht dat een tijdige melding van incidenten aan de minister is gewaarborgd.
- D.17 De aanvraag is gericht op activiteiten in één (1) land dat niet is opgenomen op de bij deze beleidsregels behorende landenlijst (zie annex 1 bij deze beleidsregels), maar wel is aangesloten bij het Ottawa- en/of Osloverdrag.
- D.18 De activiteiten waarvoor subsidie wordt gevraagd richten zich op:
- a) De algemene doelstelling van het Nederlands humanitair ontmijningsbeleid namelijk het verminderen van fysieke bedreigingen voor persoonlijke veiligheid; en
- b) Per land tenminste drie van de volgende vijf categorieën van activiteiten:
- 1) Ruimen van (geïmproviseerde) mijnen, ERW, UXO, AXO en clustermunitie (door detecteren, in kaart brengen, markeren en ruimen);
- 2) Vernietigen van voorraden (geïmproviseerde) mijnen, ERW, UXO, AXO en clustermunitie (inclusief ontmantelen van productiecapaciteit en opslagfaciliteiten);
- 3) Hulp aan slachtoffers en families, inclusief rehabilitatie, re-integratie en psychosociale hulp;
- 4) Bewustwording van en voorlichting aan de lokale bevolking over risico van (geïmproviseerde) mijnen, ERW, UXO, AXO en clustermunitie;
- 5) Capaciteitsopbouw ter ondersteuning van lokale en/of uitvoerders gerelateerd aan de activiteiten genoemd onder 1) tot en met 4) hierboven.
- C.1 Track record: Het track record van de aanvrager, dan wel in geval van een aanvraag namens een alliantie, de alliantie of één of meerdere alliantieleden waarvoor de subsidie wordt aangevraagd, wordt beoordeeld op grond van de volgende criteria:
- a) Het totale budget dat daarbij aan ontmijningsactiviteiten besteed is over de periode 2015–2019;
- b) Het % van het budget (per jaar) dat besteed is aan genderspecifieke ontmijningsactiviteiten;
- c) specifiek voor aanvragen voor operationele ontmijningsactiviteiten in prioritaire landen: Het aantal jaren dat de aanvrager of in geval van een aanvraag namens een alliantie, de alliantie of één of meerdere alliantieleden, actief is (of zijn) op ontmijningsgebied, specifiek voor aanvragen voor operationele ontmijningsactiviteiten in het land waarvoor de subsidie wordt aangevraagd.
- C.2 Beleidsrelevantie: De mate waarin de activiteiten waarvoor subsidie wordt gevraagd bijdragen aan de beleidsdoelstellingen van de minister op het thema humanitair ontmijnen. Dit wordt beoordeeld aan de hand van de volgende factoren: Voor operationele ontmijningsactiviteiten gelden ook de volgende factoren:
- a) De mate waarin de voorgestelde activiteiten bijdragen aan de algemene doelstelling van de tender, met betrekking tot legitieme stabiliteit en duurzame vrede in door conflicten getroffen landen in het algemeen, en meer specifiek bij het volgende:
- − De Veiligheid en Rechtsorde Theory of Change (zie annex 2 van deze beleidsregels) en daarbij horende resultatenkader (zie annex 3 van deze beleidsregels);
- − De Theory of Change van het Mine Action en Clustermunitie Programma 2020 – 2024 (zie annex 5 van deze beleidsregels).
- b) De mate waarin de voorgestelde activiteiten gender-sensitief zijn en significant bijdragen aan de versterking van de positie van vrouwen.
- c) De mate waarin de voorgestelde activiteiten relevantie hebben voor gemarginaliseerde en/of kwetsbare groepen en het beschermen van deze groepen.
- d) De mate waarin de voorgestelde activiteiten conflict sensitief zijn, ofwel het (lokale) conflict en spanningen niet versterken en ook positief bijdragen aan sociale cohesie en daarop monitoren en flexibel kunnen inspelen.
- e) De mate waarin de voorgestelde activiteiten het sociaaleconomische wederopbouw aspect van humanitair ontmijnen in acht nemen.
- f) De mate waarin het voorstel innovatief is ten opzichte van eerder door de aanvrager/alliantie activiteiten, in thematische zin, door verbeteringen in de gehanteerde interventiestrategie (verhoging van kwaliteit van de outcomes en impact van de activiteiten) en door efficiëntiewinst, via kostenbesparingen, in de uitvoering van de programma’s.
- g) Relevantie van de voorgestelde interventie in de gekozen landen: de mate waarin de voorgestelde activiteiten aansluiten bij de landdoelstellingen omschreven in annex 4 bij deze beleidsregels in de landen waarin de activiteiten worden uitgevoerd en hoe prioritering wordt gegeven voor de locaties waar de activiteiten uitgevoerd zullen worden, bijvoorbeeld door gebruik van een prioriteitsmatrix.
- h) Complementariteit en geïntegreerdheid van de voorgestelde interventie aan de nationale ontmijningsstrategie (indien beschikbaar) en de bredere ontwikkelingsdoelen van het land zoals gedefinieerd door de nationale autoriteiten.
- C.3 Gehanteerde PM&E-systematiek De mate waarin de gehanteerde Planning, Monitoring & Evaluatie systematiek toereikend is voor het bewaken van de voortgang en de bijsturing t.a.v. middelen, activiteiten, outputs, outcomes, aannames en onderliggende Theory of Change. Tijdens de beoordeling wordt hierbij specifiek gekeken naar:
- • Beoogde ‘outcomes’:
- ○ methodologische consistentie;
- ○ succescriteria;
- • Beoogde ‘outputs’:
- ○ methodologische consistentie;
- ○ succescriteria;
- • Aannames: Verificatie of de aannames tussen outputs en outcomes in voldoende mate realistisch zijn;
- • In hoeverre de beschreven outcomes en outputs gekoppeld worden aan, of een toegevoegde waarde vormen op het resultatenraamwerk van Veiligheid- en Rechtsorde (zie annex 3 bij deze beleidsregels).
- C.4 Begroting De begroting wordt beoordeeld op grond van de volgende criteria. De mate waarin:
- a) de aanvraag een helder en realistisch verband legt tussen de benodigde middelen en de uit te voeren activiteiten en de te realiseren outputs en outcomes.
- b) de organisatie of andere donoren zelf bijdragen aan de voorgestelde activiteiten, via eigen middelen of middelen die verkregen worden van andere donoren.
- c) gebruik gemaakt wordt van lokale actoren.
- P.1 Contextanalyse De mate waarin het voorstel, in het bijzonder de probleemstelling en doelstelling, is afgestemd op de uitkomsten van een valide en op bewijs gebaseerde analyse van de context in de landen waar de aanvraag zich op richt, inclusief de behoeften van de verschillende doelgroepen.
- P.2 (Verdere uitwerking van de) beleidsrelevantie van de aanvraag genoemd onder C.2. Voor aanvragen voor operationele ontmijningsactiviteiten in prioritaire landen en voor aanvragen voor activiteiten gericht op capaciteitsopbouw, innovatie, en strategische beleidsbeïnvloeding:
- P.2.a: De mate waarin het voorstel de beleidsrelevantie van de activiteiten zoals genoemd onder C.2 verder heeft uitgewerkt. Voor operationele ontmijningsactiviteiten in niet-prioritaire landen:
- P.2.b: De mate waarin de activiteiten waarvoor subsidie wordt gevraagd bijdragen aan de beleidsdoelstellingen van de minister op het thema humanitair ontmijnen. Dit wordt beoordeeld aan de hand van de volgende factoren:
- a) De mate waarin de voorgestelde activiteiten bijdragen aan de algemene doelstelling van de tender, met betrekking tot legitieme stabiliteit en duurzame vrede in door conflicten getroffen landen in het algemeen, en meer specifiek bij het volgende:
- − De Veiligheid en Rechtsorde Theory of Change (zie annex 2 van deze beleidsregels) en daarbij horende resultatenkader (zie annex 3 van deze beleidsregels);
- − De Theory of Change van het Mine Action en Clustermunitie Programma 2020 – 2024 (zie annex 5 van deze beleidsregels).
- b) De mate waarin de voorgestelde activiteiten gender-sensitief zijn en significant bijdragen aan de versterking van de positie van vrouwen.
- c) De mate waarin de voorgestelde activiteiten relevantie hebben voor gemarginaliseerde en/of kwetsbare groepen en het beschermen van deze groepen.
- d) De mate waarin de voorgestelde activiteiten conflict sensitief zijn, ofwel het (lokale) conflict en spanningen niet versterken en ook positief bijdragen aan sociale cohesie en daarop monitoren en flexibel kunnen inspelen.
- e) De mate waarin de voorgestelde activiteiten het sociaaleconomische wederopbouw aspect van humanitair ontmijnen in acht nemen.
- f) De mate waarin het voorstel innovatief is ten opzichte van eerder door de aanvrager/alliantie activiteiten, in thematische zin, door verbeteringen in de gehanteerde interventiestrategie (verhoging van kwaliteit van de outcomes en impact van de activiteiten) en door efficiëntiewinst, via kostenbesparingen, in de uitvoering van de programma’s.
- g) Relevantie van de voorgestelde interventie in het gekozen land: hoe prioritering wordt gegeven voor de locaties waar de activiteiten uitgevoerd zullen worden, bijvoorbeeld door gebruik van een prioriteitsmatrix.
- h) Complementariteit en geïntegreerdheid van de voorgestelde interventie aan de nationale ontmijningsstrategie (indien beschikbaar) en de bredere ontwikkelingsdoelen van het land zoals gedefinieerd door de nationale autoriteiten.
- P.3 Positie en betrokkenheid van lokale partners binnen het voorstel: De mate waarin:
- a) de activiteiten bijdragen aan de institutionele capaciteitsopbouw van lokale partners;
- b) de lokale partners effectieve invloed hebben gehad op de totstandkoming en inhoud van het voorstel;
- c) de lokale partners effectieve invloed hebben op de sturing van de activiteiten; en
- d) de partners in de doellanden een eigen bijdrage, financieel en/of inhoudelijk, leveren aan de (met) de activiteiten (te behalen resultaten).
- P.4 Positie en betrokkenheid van de doelgroep binnen het voorstel: De mate waarin:
- a) de activiteiten bijdragen aan de institutionele capaciteitsopbouw van de doelgroep;
- b) de doelgroep effectieve invloed heeft gehad op de totstandkoming en inhoud van het voorstel;
- c) de doelgroep effectieve invloed heeft op de sturing van de activiteiten; en
- d) de doelgroep een eigen bijdrage, financieel en/of inhoudelijk, leveren aan de (met) de activiteiten (te behalen resultaten).
- P.5 Uitwerking van Outcomes, Outputs, Assumpties, Activiteiten en Middelen: De mate waarin het voorstel is uitgewerkt in een Theory of Change met resultatenkader van outcomes, outputs, assumpties, voorgenomen activiteiten en middelen en is voorzien van een helder verband tussen de te bereiken outputs en de daarvoor benodigde middelen, tussen outcomes en outputs en tussen outcomes en impact.
- P.6 Uitwerking van beoogde outcomes, outputs en middelen in SMART-systematiek: De mate waarin de outcomes en outputs en middelen Specifiek, Meetbaar, Acceptabel, Realistisch en Tijdgebonden zijn uitgewerkt.
- P.7 PME-systeem: De mate waarin sprake is van een adequaat systeem voor planning, monitoring en evaluatie van de resultaten en waar nodig bijsturing.
- P.8 Duurzaamheid: De mate waarin het voorstel:
- a) een blijvend effect voor de uiteindelijke doelgroep heeft en
- b) bijdraagt aan de institutionele duurzaamheid van de partners.
- P.9 Risicomanagement: De mate waarin sprake is van (1) een adequate analyse van de interne en externe risico’s voor de organisatie, activiteiten en resultaten, (2) inclusief stappen om de risico’s zoveel mogelijk te beperken, (3) een adequaat systeem voor monitoring en (4) een adequaat systeem voor bijsturing.