Bijlage A Regeling leerresultaten PO 2020: uitwerking beoordeling leerresultaten; kleine scholen; correctie voor schoolkenmerken en individuele kenmerken van leerlingen; normering
Regeling leerresultaten PO 2020
De gegevens, die de inspectie gebruikt bij de beoordeling van de leerresultaten, ontvangt zij jaarlijks op vooraf afgesproken momenten van de Dienst Uitvoering Onderwijs (DUO) en van het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS). De behaalde leerresultaten leveren de scholen aan DUO. DUO verwerkt de gegevens in het Register Onderwijsdeelnemers (ROD). De inspectie ontvangt de geanonimiseerde gegevens van de individuele leerlingen uit ROD. Tevens ontvangt de inspectie jaarlijks de geanonimiseerde schoolweging van het CBS. CBS berekent voor elke leerling op school de verwachte onderwijsscore op basis van het opleidingsniveau van de ouders, het land van herkomst, de verblijfsduur in Nederland en gegevens over het al dan niet in de schuldsanering zitten. De schoolweging is het gemiddelde van de verwachte onderwijsscores van alle leerlingen op de school, waarbij is gekozen voor een schaal die in de praktijk loopt van ongeveer 20 tot 40: hoe hoger de schoolweging, des te meer leerlingen met een lage verwachte onderwijsscore. Voor een beperkt aantal scholen is het noodzakelijk dat de inspectie een extra berekening uitvoert op de door CBS geleverde schoolweging. Dit geldt voor scholen met twee of meer vestigingen die door de inspectie als afzonderlijke objecten van toezicht worden gezien. De inspectie publiceert jaarlijks de lijst met de schoolweging van alle scholen, die zij bij haar beoordeling hanteert, op de inspectiewebsite. De beoordeling van de leerresultaten is gebaseerd op twee indicatoren die de behaalde referentieniveaus betreffen: Bij de beoordeling kijkt de inspectie naar de behaalde referentieniveaus op de doorstroomtoets in de laatste drie schooljaren. De leerresultaten van leerlingen die voldoen aan de ontheffingsgronden, zoals bedoeld in artikel 10a, derde lid, van de WPO, laat de inspectie hierbij buiten beschouwing. Voor alle leerlingen die in de laatste drie schooljaren een doorstroomtoets hebben gemaakt, beschikt de school over de behaalde referentienivea
- 1. behalen voldoende leerlingen het fundamenteel niveau (% ≥1F)?
- 2. behalen voldoende leerlingen het streefniveau (% ≥1S/2F)?
- • Als er sprake is van een kleine school. Het CBS kan de schoolweging minder betrouwbaar bepalen bij minder dan 40 leerlingen op de hele school.
- • Als een school meerdere vestigingen heeft die door de inspectie als afzonderlijke objecten van toezicht worden gezien, maar er is in ROD niet duidelijk aangegeven op welke locatie de leerlingen zijn ingeschreven.
- 1. Door rekening te houden met schoolkenmerken op basis van de schoolweging. Deze geeft de complexiteit van de leerlingenpopulatie weer: hoe lager de schoolweging hoe minder complex de leerlingenpopulatie en hoe hoger de resultaten die we van de school mogen verwachten. De inspectie gebruikt bij de beoordeling van de leerresultaten de gemiddelde schoolweging van de drie voorgaande schooljaren, bijvoorbeeld: bij de beoordeling van de leerresultaten van 2021–2022, 2022–2023 en 2023–2024 wordt de gemiddelde schoolweging van de schooljaren 2020–2021, 2021–2022 en 2022–2023 gebruikt. Als de schoolweging van minder schooljaren bekend is, dan gebruikt de inspectie de gemiddelde schoolweging van de beschikbare jaren;
- 2. Door rekening te houden met een concentratie van leerlingen met bijzondere individuele kenmerken. Het kan voorkomen dat een school leerresultaten behaalt die onder één of beide signaleringswaarden van de hierboven beschreven indicatoren liggen. Het is mogelijk dat dit wordt veroorzaakt door een concentratie van leerlingen met bijzondere individuele kenmerken. De inspectie kan in dit geval toch tot een voldoende oordeel komen, als de school zich hierover op een controleerbare wijze verantwoordt, waarbij er redelijkerwijs geen andere conclusie mogelijk is dan dat de leerlingen naar hun mogelijkheden hebben gepresteerd.
- A. als de percentages ≥1F en ≥1S/2F beide op of boven de signaleringswaarden in Tabel 1 liggen; of
- B. als de percentages ≥1F en ≥1S/2F niet beide op of boven de signaleringswaarden in Tabel 1 liggen en de verantwoording van de school aan de hand van de leerlingkenmerken kan niet leiden tot een andere conclusie dan dat de leerlingen naar hun mogelijkheden hebben gepresteerd.
- C. als de percentages ≥1F en ≥1S/2F niet beide op of boven de signaleringswaarden in Tabel 1 liggen en de verantwoording van de school aan de hand van de leerlingkenmerken leidt niet tot de conclusie dat de leerlingen naar hun mogelijkheden hebben gepresteerd.
- D. als de normering niet leidt tot het oordeel Voldoende of Onvoldoende en uit het aanvullend onderzoek, bedoeld in artikel 2.4 van het Inrichtingsbesluit WPO en Bijlage B van deze regeling, niet volgt dat het oordeel Voldoende is.