Bijlage 1 Besluit tot goedkeuring van de examenreglementen en examenprogramma's voor de binnenvaart 2020: examenreglementen en examenprogramma’s van het CBR/CCV als bedoeld in artikel 1 van het Besluit tot goedkeuring van de examenreglementen en examenprogramma's voor de binnenvaart 2020
Besluit tot goedkeuring van de examenreglementen en examenprogramma's voor de binnenvaart 2020
Zie algemeen examenreglement CCV op de website van het CBR. Voor het behalen van het diploma schipper alle binnenwateren moeten de volgende examenonderdelen zijn behaald: De eindtermen, cesuur en vorm van het examen staan per examenonderdeel in de vigerende CBR/CCV-toetsmatrijs vermeld. De toetsmatrijs alsmede de tijdsduur van het examen zijn terug te vinden op de website van het CBR. Een kandidaat is voor een onderdeel geslaagd als tenminste een voldoende is behaald. De examenresultaten blijven geldig voor een termijn van twee jaar na de examendatum. Een kandidaat krijgt vrijstelling van een examenonderdeel of een gedeelte daarvan als hij in het bezit is van een of meer diploma’s en/of vaarbewijzen die daartoe in de vrijstellingsregeling zijn genoemd. De directie van CCV kan beslissingen nemen over vrijstellingen in geval een diploma niet in de vrijstellingsregeling is genoemd. Voor deelname aan examenonderdeel Navigatie 1 moet een vaartijd zijn opgebouwd van drie jaar. Als vaartijd wordt aangemerkt de vaartijd die na het bereiken van de 16 jarige leeftijd wordt opgebouwd als lid van de dekbemanning van een schip dat bestemd is voor de bedrijfsmatige vaart op de binnenwateren, en/of van een schip met een lengte van 15 meter of meer dat bestemd is voor de niet-bedrijfsmatige vaart op de binnenwateren. Een jaar vaartijd bestaat uit 180 effectieve vaardagen. Binnen een periode van 365 opeenvolgende dagen kunnen maximaal 180 dagen als vaartijd worden meegerekend. De vereiste vaartijd kan met maximaal drie jaar verminderd worden als een kandidaat een beroepsopleiding met praktijkgedeelten op het gebied van de binnenvaart heeft voltooid. Afhankelijk van de gevolgde opleiding wordt de termijn van vrijstelling bepaald. De vereiste vaartijd is met maximaal twee jaar te verminderen als de kandidaat aantoont te hebben gevaren als lid van de dekbemanning van een schip: De kandidaat moet de vaartijd aantonen door middel van zijn dienstboekje indien het bezit ervan op grond van
- – Kennis schip en Motorkennis;
- – Kennis vaarwater;
- – Laden en lossen;
- – Navigatie 1;
- – Navigatie 2;
- – Reglementen 1;
- – Reglementen 2;
- – Veiligheid en Milieu.
- – bestemd voor de bedrijfsmatige vaart op zee met een lengte van 15 meter of meer, bestemd voor de niet-bedrijfsmatige vaart op zee. Hierbij gelden 250 zeedagen als één jaar vaartijd.
- – Kennis schip en Motorkennis;
- – Kennis vaarwater;
- – Laden en lossen;
- – Navigatie 1;
- – Reglementen 1;
- – Veiligheid en Milieu.
- – bestemd voor de bedrijfsmatige vaart op zee;
- – met een lengte van 15 meter of meer, bestemd voor de niet-bedrijfsmatige vaart op zee.
- – Kennis schip en Motorkennis;
- – Kennis vaarwater;
- – Navigatie Zeilvaart 1;
- – Navigatie 2;
- – Reglementen 1;
- – Reglementen 2;
- – Veiligheid en Milieu;
- – Zeilvaart.
- – bestemd voor de bedrijfsmatige vaart op zee
- – met een lengte van 15 meter of meer, bestemd voor niet-bedrijfsmatige vaart op zee.
- – Kennis schip;
- – Nationale- en internationale vervoersmarkt;
- – Veiligheid en Milieu.
- – Theorie Radar;
- – Praktijk Radar.
- 1. Scheepvaartverkeerswet (SVW) SVW als basis voor de scheepvaartreglementen. Het varen onder invloed van bepaalde stoffen (zoals alcohol), de ademtest en de ademanalyse. Het intrekken van het vaarbewijs en de ontzegging van de vaarbevoegdheid.
- 2. Binnenvaartwet (BVW) Het belang van de BVW voor de recreatievaart.
- 3. Wetboek van Koophandel Verplichting tot hulpverlening in gevaarsituaties en bij aanvaring en tot het verstrekken van gegevens bij aanvaring.
- 4. Het Binnenvaartpolitiereglement (BPR) Toepassingsgebied. Betekenis van enige uitdrukkingen. Verplichtingen van de schipper, de bemanning en andere personen die zich aan boord bevinden. Kentekens op schepen. Lichten en dagtekens. Geluidsseinen en regels voor marifoon. Vaarregels. Regels voor het stilliggen. Bijzondere bepalingen voor snelle motorboten en andere kleine schepen.
- 5. Het Rijnvaartpolitiereglement 1995 (RPR) Toepassingsgebied. Betekenis van enige uitdrukkingen. Verplichtingen van de schipper, de bemanning en andere personen die zich aan boord bevinden. Lichten, dagtekens, geluidsseinen en vaarregels, in het bijzonder voor zover afwijkend van het Binnenvaartpolitiereglement. BPR-bepalingen die van toepassing zijn op RPR-gebied.
- 6. Scheepvaartreglement voor het Kanaal van Gent naar Terneuzen (SRKGT), Scheepvaartreglement Gemeenschappelijke Maas (SRGM), Scheepvaartreglement Westerschelde 1990 (SRW), Internationale Bepalingen ter voorkoming van Aanvaringen op Zee (BVA) en Scheepvaartreglement Eemsmonding (SRE)
- 1. Enige basis motorkennis en de behandeling van de voortstuwingswerktuigen Zorg te besteden aan de voortstuwingswerktuigen vóór, tijdens en ná het varen.
- 2. De veiligheidsmaatregelen Maatregelen in acht te nemen ter voorkoming van brand en explosie. Bekend zijn met de blusmethoden en te gebruiken blusstof bij brand in: vaste stoffen, brandbare vloeistoffen, flessengas en in onder elektrische spanning staande apparaten. Plaatsing en gebruik van brandblusmiddelen. Plaatsing en gebruik van reddingsmiddelen. Plaatsing van radarreflectoren.
- 3. Milieu Geluid. Vuilwaterafvoer.
- 1. De waterwegen, de omstandigheden van het vaarwater De op kanalen, rivieren en meren voorkomende bebakening, betonning en verlichting, alsmede de verkeerstekens langs of boven de vaarwateren. Het NAP en andere vergelijkingsvlakken. Diepten en brughoogten, peilschalen en hoogteschalen. Het gebruik van de waterkaarten, nautische boekwerken en wateralmanakken.
- 2. Elementaire meteorologie Het ontvangen van weerberichten via de diverse beschikbare communicatiekanalen en het interpreteren van de verkregen informatie. De schaal van Beaufort en de daarin gebruikte begrippen.
- 1. Theoretische kennis van het varen en manoeuvreren Schroef- en roerwerking. Draaicirkel en ronddraaien in een beperkte ruimte. Aankomen, afvaren, meren en ontmeren, afhankelijk van wind en/of stroom, met en zonder boegschroef. Stopweg.
- 2. Bijzondere omstandigheden Effect van varen in nauw en ondiep vaarwater (zuiging, oeverbeschadiging). Ankeren. Schutten in sluizen. Manoeuvre ‘man over boord’. Slepen en gesleept worden. Maatregelen te nemen na aan de grond lopen. Beperkingen in manoeuvreerbaarheid van bepaalde categorieën van schepen, zoals zeilschepen, sleep- en duweenheden.
- 1. Scheepvaartreglement Westerschelde 1990 (SRW) Toepassingsgebied. Algemene begripsomschrijvingen. Verantwoordelijkheid. Voorschriften betreffende uitwijken. Lichten en dagmerken. Geluid- en lichtseinen. Bijzondere bepalingen voor het redegebied Vlissingen. Bepalingen voor kleine vaartuigen.
- 2. Scheepvaartreglement Eemsmonding (SRE) en Internationale Bepalingen ter Voorkoming van Aanvaringen op zee 1972 (BVA) Toepassingsgebied SRE.
- 3. Binnenvaartpolitiereglement (BPR) Toepassingsgebied De specifieke vaarregels die gelden met betrekking tot betonde vaargeulen en op ruim water (Waddenzee, IJsselmeer, Markermeer, IJmeer en Oosterschelde).
- 4. Scheepvaartreglement voor het Kanaal van Gent naar Terneuzen (SRKGT). Toepassingsgebied
- 1. Meteorologie Beginselen van de meteorologie. Benutten van weerberichten ten behoeve van een veilige vaart.
- 2. Nautische bescheiden Het kunnen lezen en gebruiken van officiële zeekaarten voor de Nederlandse kust- en binnenwateren en de daarop betrekking hebbende publicaties uitgegeven door de Dienst der Hydrografie van het Ministerie van Defensie (Koninklijke Marine).
- 3. Koers- en plaatsbepaling Betonningssysteem IALA-A en Signi gebruikt op de ruime binnenwateren. Lichten aan de wal. Gebruik van het kompas bij koersen en peilingen. Invloed van aard- en scheepsmagnetisme op de aanwijzing van het magnetische kompas en de daaruit voortvloeiende correcties bij koersen en peilingen. Herleiding van een koers, mede in verband met de invloed van wind en/of stroom. Merktekens ten behoeve van het bepalen van de positie. Horizontale en verticale getijbeweging en het benutten daarvan voor de navigatie. Het kunnen bepalen van een geografische (gis) positie met behulp van gegevens als koers, vaart, invloed wind en/of stroom of kompaspeilingen van kenbare punten aan de wal. Enige kennis van de werking, mogelijkheden, gebruik en de beperkingen van het Global Positioning System (GPS).