Art. 3 Regeling vaststelling gelijkwaardige inspanning decentrale overheden inzake EMU-saldo, Onderverdeling naar overheidslaag

Regeling vaststelling gelijkwaardige inspanning decentrale overheden inzake EMU-saldo

Het collectieve aandeel van de decentrale overheden in het EMU-saldo, bedoeld in artikel 2, wordt uitgesplitst naar:

a. een aandeel voor de provincies gezamenlijk dat als volgt wordt vastgesteld:

1°. voor 2019 –0,08 procent van het bruto binnenlands product;

2°. voor 2020 –0,08 procent van het bruto binnenlands product;

3°. voor 2021 –0,08 procent van het bruto binnenlands product;

4°. voor 2022 –0,08 procent van het bruto binnenlands product;

b. een aandeel voor de gemeenten gezamenlijk dat als volgt wordt vastgesteld:

1°. voor 2019 –0,27 procent van het bruto binnenlands product;

2°. voor 2020 –0,27 procent van het bruto binnenlands product;

3°. voor 2021 –0,27 procent van het bruto binnenlands product;

4°. voor 2022 –0,27 procent van het bruto binnenlands product;

c. een aandeel voor de waterschappen gezamenlijk dat als volgt wordt vastgesteld:

1°. voor 2019 –0,05 procent van het bruto binnenlands product;

2°. voor 2020 –0,05 procent van het bruto binnenlands product;

3°. voor 2021 –0,05 procent van het bruto binnenlands product;

4°. voor 2022 –0,05 procent van het bruto binnenlands product.