Bijlage A Subsidieregeling ondersteuning zelfstandig vertrek 2019: behorende bij artikel 3, onderdeel a
Subsidieregeling ondersteuning zelfstandig vertrek 2019
De subsidie wordt aangevraagd door een in Nederland gevestigde, niet-gouvernementele organisatie met rechtspersoonlijkheid naar Nederlands recht. Subsidieaanvragen met betrekking tot een project in het kader van deze bijlage worden door de minister ontvangen in het aanvraagtijdvak van 1 december 2021 tot en met 30 september 2022. Projecten zijn uitsluitend gericht op de volgende activiteiten: Voor projecten die zich richten op een specifieke Nederlandse regio dient een samenwerkingsverklaring van de gemeente waar de activiteiten in hoofdzaak worden uitgevoerd of waar de stichting is gevestigd, meegestuurd te worden met de subsidieaanvraag. Kosten voor het feitelijk vertrek van een vreemdeling en kosten voor medische begeleiding, medische behandeling of medicijnen, die via het REAN-programma vergoed kunnen worden, komen niet in aanmerking voor subsidie. De kosten voor het feitelijk vertrek bestaan in ieder geval uit reiskosten voor het vertrek uit Nederland, kosten voor het verkrijgen van een reisdocument bij een diplomatieke vertegenwoordiging en kosten voor begeleiding tijdens de reis. De subsidieaanvraag wordt afgewezen als de begrote kosten per terugkerende vreemdeling hoger zijn dan € 8.000.
- 1. Het maximale beschikbare bedrag voor het verlenen van subsidie bedraagt voor het aanvraagtijdvak, bedoeld in artikel A2, € 300.000.
- 2. Het subsidieplafond wordt verdeeld op volgorde van ontvangst van de volledige subsidieaanvraag.
- 1. Een project heeft tot doel het bevorderen van het zelfstandig vertrek van vreemdelingen uit Nederland door hen te ondersteunen bij het zelfstandige vertrek en bij de herintegratie in het land van herkomst of bestemming. De nadruk ligt op activiteiten die erop gericht zijn vertrekplichtige vreemdelingen te bewegen tot zelfstandig vertrek uit Nederland.
- 2. De doelgroep bestaat uit vreemdelingen die in Nederland verblijven, in aanmerking komen voor deelname aan het REAN-programma, een visumplicht hebben om naar Nederland te reizen en waarvan het land van herkomst of bestendig verblijf op de lijst met OESO-DAC-landen staat vermeld, en
- a. geen verblijfsrecht hebben in Nederland; of
- b. wier aanvraag voor een verblijfsvergunning is afgewezen en waarvan de vertrektermijn nog niet is verstreken; of
- c. die een aanvraag voor een verblijfsvergunning hebben ingediend en in afwachting zijn van een beslissing op hun aanvraag en die hun aanvraag voor een verblijfsvergunning intrekken voordat zij Nederland verlaten; of
- d. in het bezit zijn van een geldige verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd en die hun verblijfsrecht opzeggen voordat zij Nederland verlaten.
- 3. In afwijking van het tweede lid zijn uitgesloten vreemdelingen:
- a. die beschikken over voldoende financiële middelen om op eigen gelegenheid uit Nederland te vertrekken;
- b. die zich niet naar Nederland hebben begeven met de intentie zich voor lange duur alhier te vestigen;
- c. met de nationaliteit van Algerije, Egypte, Kosovo, Libanon, Marokko, Mongolië, Tunesië, Turkije, Rusland en Wit-Rusland;
- d. die onvoldoende medewerking verlenen aan de Internationale Organisatie voor Migratie om zelfstandig terug te keren via het REAN-programma;
- e. van wie het vertrek uit Nederland een doorkruising betekent van een strafrechtelijk vervolgingstraject waar hij bij betrokken is;
- f. die in de afgelopen vijf jaar met assistentie van de Internationale Organisatie voor Migratie uit Nederland zijn vertrokken of op kosten van de Nederlandse overheid zelfstandig zijn vertrokken of zijn uitgezet naar een land buiten de Europese Unie;
- g. waarbij het vertrek met ondersteuning van een terugkeerproject maatregelen ter uitvoering van de uitzetting doorkruist;
- h. die deelnemen aan een ander project waarbij ondersteuning in natura bij terugkeer wordt verstrekt;
- i. die een zwaar inreisverbod van meer dan vijf jaar opgelegd hebben gekregen dan wel veroordeeld zijn voor zedenmisdrijven, doodslag, moord, mensenhandel of mensensmokkel; of
- j. van wie de asielaanvraag is afgewezen op grond van artikel 1F van het Vluchtelingenverdrag.
- a. vreemdelingen te bewegen tot zelfstandig vertrek uit Nederland;
- b. vreemdelingen voor te bereiden op zelfstandig vertrek uit Nederland, en
- c. vreemdelingen perspectief te bieden op herintegratie in het land van herkomst of bestemming na vertrek.
- 1. Een project dient zich te richten op vreemdelingen die zich in een specifieke regio in Nederland bevinden of op een specifieke doelgroep.
- 2. Onder specifieke Nederlandse regio wordt verstaan een regio die een geografische eenheid vormt zoals één of meer aaneengesloten provincies of een van de vijf grote steden (Amsterdam, Rotterdam, Den Haag, Utrecht en Eindhoven), eventueel met de daar omliggende regio.
- 3. Onder specifieke doelgroep wordt onder andere, maar niet limitatief, verstaan, vreemdelingen uit een bepaald land of bepaalde regio van herkomst, alleenstaande minderjarige vreemdelingen en gezinnen met minderjarige kinderen.
- 4. De minister houdt bij de beoordeling van subsidieaanvragen rekening met een evenwichtige spreiding van terugkeerprojecten over Nederlandse regio’s en specifieke doelgroepen. Een subsidieaanvraag kan worden afgewezen als er al een ander terugkeerproject wordt uitgevoerd in dezelfde of deels overlappende regio of zich richt op dezelfde of een vergelijkbare doelgroep.
- 5. Projecten worden uitgevoerd in nauw overleg met een lokale afdeling van de minister. De minister geeft aan welke afdeling namens de minister het aanspreekpunt wordt voor de lokale samenwerking. Nadat subsidie is verstrekt, dient de subsidieontvanger afspraken te maken met deze afdeling over de onderlinge samenwerking. Deze afspraken behelzen onder andere hoe vaak er onderling overleg plaatsvindt over de voortgang van het terugkeertraject van individuele deelnemers, de locaties waar de organisatie actief is en de frequentie van spreekuren of voorlichtingsbijeenkomsten op locaties.
- 6. De deelname van iedere individuele deelnemer dient ter verificatie aan de minister te worden voorgelegd via een daarvoor beschikbaar gesteld formulier. De minister toetst of een deelnemer voldoet aan de doelgroep zoals omschreven in artikel A4. De verificatieprocedure staat omschreven in de handleiding projectadministratie.
- 7. De deelname van iedere individuele deelnemer aan een project is beperkt tot vier maanden vóór vertrek en twaalf maanden na vertrek. Deze periodes kunnen in overleg met de minister worden verlengd. Deelname aan een project kan voortijdig worden beëindigd door de minister omdat de deelname de gedwongen terugkeer belemmert of omdat er geen uitzicht is op zelfstandig vertrek via het REAN-programma. Er is in beginsel geen uitzicht op vertrek via het REAN-programma als een deelnemer zich na drie maanden nog niet heeft ingeschreven voor het REAN-programma.
- 8. De subsidieontvanger dient de minister maandelijks te informeren over de voortgang van het ondersteuningstraject en de voorbereiding van het feitelijk traject van iedere deelnemer door middel van het door de minister beschikbaar gestelde formulier.
- 9. Indien een vreemdeling niet meer deelneemt aan het project dient de subsidieontvanger de minister daarvan onverwijld in kennis te stellen door middel van het door de minister beschikbaar gestelde formulier.
- 10. Voor iedere deelnemer aan het project wordt een persoonlijk herintegratieplan opgesteld. In het herintegratieplan wordt in ieder geval beschreven welke belemmeringen er zijn voor terugkeer en herintegratie en hoe deze kunnen worden weggenomen, waaruit de herintegratieondersteuning bestaat die de vreemdeling rechtstreeks ten goede komt en hoe die ondersteuning bijdraagt aan de duurzame economische en sociale herintegratie van de betreffende vreemdeling. De herintegratieondersteuning kan alleen ten goede komen aan vreemdelingen die Nederland daadwerkelijk verlaten. De ondersteuning is gericht op het verwerven van inkomsten om te voorzien in het eigen levensonderhoud na terugkeer en/of op de sociale herintegratie in de lokale gemeenschap of familie. De herintegratieondersteuning kan gericht zijn op het opzetten van een eigen bedrijf, maar kan bijvoorbeeld ook bestaan uit tijdelijke huisvesting na terugkeer of scholing.
- 11. Herintegratieondersteuning wordt bij voorkeur verstrekt in het land van herkomst dan wel na het overschrijden van de Nederlandse buitengrens. Bij uitzondering kan de herintegratieondersteuning in Nederland worden verstrekt als dit gebeurt met het oog op aanwending van de ondersteuning in het land van herkomst en de ondersteuning uiterlijk de dag voor het geplande vertrek uit Nederland wordt overhandigd aan de deelnemer.
- 12. Voor het verstrekken van de herintegratieondersteuning in het land van herkomst of bestemming, dient de subsidieontvanger in beginsel gebruik te maken van het European Return and Reintegration Network, het European Reintegration Support Organizations network of het internationale netwerk van de Internationale Organisatie van Migratie. Subsidieontvangers kunnen na toestemming van de minister gebruik maken van andere lokale partnerorganisaties op voorwaarde dat het een institutionele partner betreft waarvan de minister kan vaststellen dat deze aantoonbaar kwalitatief goede herintegratieondersteuning verstrekt.
- 13. De minister kan van het eerste lid van dit artikel afwijken en aan maximaal één landelijk project subsidie verstrekken.
- 1. De specifieke uitgaven in verband met doelgroepen die direct ten goede komen aan de vreemdeling bedragen maximaal:
- a. € 1.800 per volwassenen vreemdeling;
- b. € 2.800 per minderjarige vreemdeling.
- 2. Van de ondersteuning die direct ten goede komt aan de vreemdeling mag maximaal € 300 in contanten worden verstrekt. De overige ondersteuning bestaat uit ondersteuning in natura. De ondersteuning in natura kan in beginsel niet bestaan uit het verstrekken van consumentenelektronica of kleding.
- 3. De ondersteuning die direct ten goede komt aan de vreemdeling dient gebaseerd te zijn op een individueel herintegratieplan als bedoeld in artikel A7, tiende lid. De kosten van verstrekte ondersteuning die niet aansluit bij het herintegratieplan is niet subsidiabel.
- 4. De ondersteuning die direct ten goede komt aan de vreemdeling is alleen subsidiabel voor deelnemers van wie de deelname na verificatie als bedoeld in artikel A7, zesde lid, is goedgekeurd door de minister.
- 5. Kosten voor training, opleiding en begeleiding van een deelnemer in Nederland, komen niet ten laste van de kosten die de vreemdeling direct ten goede komen. Deze activiteiten worden beschouwd als activiteiten die een vreemdeling bewegen tot of voorbereiden op hun vertrek uit Nederland en vallen onder de kostenpost 'verbruiksgoederen, benodigdheden en algemene diensten'.
- 6. Kosten voor ondersteuning die direct ten goede komt aan de vreemdeling zijn alleen subsidiabel als deze:
- a. in Nederland zijn gemaakt en direct zijn betaald door de subsidieontvanger;
- b. buiten Nederland zijn gemaakt en zijn gecontroleerd en goedgekeurd door de lokale partner van het European Return and Reintegration Network, het European Reintegration Support Organizations network of het internationale netwerk van de Internationale Organisatie van Migratie of de door de minister goedgekeurde lokale partner van de subsidieontvanger waarmee de subsidieontvanger een overeenkomst heeft gesloten die is opgenomen in de projectadministratie.
- 7. De kosten voor herintegratie in het land van bestemming, niet zijnde het land van herkomst, zijn alleen subsidiabel als het land van bestemming op de lijst met OESO-DAC-landen staat vermeld.
- 1. De hoogte van de subsidie bedraagt minimaal € 25.000 en maximaal € 400.000 per project per tijdvak van 12 maanden, maar ten hoogste het in de beschikking tot subsidieverlening vermelde maximumbedrag.
- 2. Organisaties die nog geen ervaring hebben met het organiseren van terugkeerprojecten die door de minister worden gesubsidieerd, komen in aanmerking voor een maximale subsidie van € 150.000 met een maximale projectduur van twaalf maanden.
- 3. Een subsidie van meer dan € 300.000 per tijdvak van 12 maanden wordt alleen verstrekt aan organisaties:
- a. die eerder vergelijkbare activiteiten hebben uitgevoerd met subsidie van de minister;
- b. waarvan de minister heeft vastgesteld dat de organisatie zich heeft gehouden aan de verplichtingen die aan de eerder verleende subsidie waren verbonden, en
- c. die tijdens de twaalf maanden voorafgaand aan het indienen van de subsidieaanvraag minstens 40 vreemdelingen hebben begeleid die in deze periode ook daadwerkelijk uit Nederland zijn vertrokken.