Art. 33.02 ES-TRIN, Overgangsbepalingen voor reeds in bedrijf zijnde vaartuigen
Europese standaard tot vaststelling van de technische voorschriften voor binnenschepen (ES-TRIN)
1. Vaartuigen die niet volledig aan de bepalingen van deze Standaard voldoen, moeten: In geval van afgifte van een nieuw binnenschipcertificaat voor een vaartuig als bedoeld in artikel 33.01, eerste lid, moet het communautair certificaat of een andere vergunning voor het in de vaart brengen als bewijs worden voorgelegd, het communautair certificaat of een andere vergunning voor het in de vaart brengen worden ingetrokken en onder nummer 52 in het nieuwe binnenschipcertificaat de datum van de afgifte van het dienovereenkomstige communautair certificaat of de andere vergunning voor het in de vaart brengen als volgt worden ingeschreven: ‘Een communautair certificaat werd overeenkomstig richtlijn 82/714/EEG werd afgegeven op: …’ / ‘Een vergunning voor het in de vaart brengen overeenkomstig … werd afgegeven op: …’
a) daaraan volgens de overgangsbepalingen die worden vermeld in de onderstaande tabel, worden aangepast, en
b) totdat de aanpassing heeft plaatsgevonden, voldoen aan de voorschriften van hoofdstukken 1 tot en met 12 van bijlage II van Richtlijn 82/714/EEG.
2. In de onderstaande tabel zijn de volgende definities van toepassing: ‘N.V.O.’: het voorschrift is niet van toepassing op reeds in bedrijf zijnde vaartuigen, tenzij de betreffende delen worden vervangen of omgebouwd, dat wil zeggen dat dit voorschrift slechts van toepassing is op Nieuwbouw, bij Vervanging of bij Ombouw van de betreffende delen of sectoren. Worden bestaande delen vervangen door delen welke in technische zin en bouwwijze gelijk zijn, dan wordt dit niet beschouwd als vervanging ‘V’ volgens deze overgangsbepalingen. ‘Afgifte of verlenging van het binnenschipcertificaat’: aan het voorschrift moet zijn voldaan bij de eerstvolgende afgifte of bij de eerstvolgende verlenging van het binnenschipcertificaat na de daarop aangegeven datum. 1 De vaartuigen moeten echter uiterlijk bij verlenging van het binnenvaartcertificaat na 1.1.2015 aan de volgende eisen voldoen: 2 Dit artikel geldt voor schepen waarvan de kiel is gelegd ná 31.12.1994 en voor in bedrijf zijnde schepen met in acht name van het volgende: 3 MSC.61(67) aangenomen op 5 december 1996 – Internationale Code voor brandtestprocedures.
Artikel en lid
Inhoud
Termijn en voorwaarden
HOOFDSTUK 3
3.03
lid 1, onder a
Plaats van het aanvaringsschot
N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het binnenschipcertificaat na
30.12.2049
lid 1, onder b
Plaats van het achterpiekschot
N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het binnenschipcertificaat na
30.12.2049
lid 2
Verblijven vóór het aanvaringsschot
N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het binnenschipcertificaat na
30.12.2024
Verblijven achter het achterpiekschot
N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het binnenschipcertificaat na
30.12.2059
Noodzakelijke voorzieningen vóór het aanvaringsschot
N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het binnenschipcertificaat na
30.12.2029
Noodzakelijke voorzieningen achter het achterpiekschot
N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het binnenschipcertificaat na
30.12.2049
lid 4
Gasdichte afscheiding van verblijven van machinekamers, ketel- en laadruimen
N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het binnenschipcertificaat na
30.12.2024
lid 5, 2e alinea
Bewaking op afstand van deuren in het achterpiekschot
N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het binnenschipcertificaat na
30.12.2024
lid 7
Voorschip met ankernissen
N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het binnenschipcertificaat na
30.12.2049
3.04
lid 3, 2e zin
Isolaties in machinekamers
N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het binnenschipcertificaat.
lid 3, 3e en 4e zin
Openingen en afsluitinrichtingen
N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het binnenschipcertificaat.
lid 6
Uitgangen van machinekamers
N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het binnenschipcertificaat na
30.12.2049
HOOFDSTUK 4
4.04
Inzinkingsmerken
N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het binnenschipcertificaat na
30.12.2024
HOOFDSTUK 5
5.06
lid 1, 1e zin
Minimumsnelheid
N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het binnenschipcertificaat na
30.12.2049
HOOFDSTUK 6
6.01
lid 1
Manoeuvreereigenschappen volgens hoofdstuk 5
N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het binnenschipcertificaat na
30.12.2049
lid 3
Helling en omgevingstemperatuur
N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het binnenschipcertificaat na
30.12.2024
lid 7
Doorvoering van roerkoningen
N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het binnenschipcertificaat na
30.12.2029
6.02
lid 1
Aanwezig zijn van afzonderlijke hydraulische tank
N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het binnenschipcertificaat na
1.1.2026
Verdubbeling van stuurventielen bij hydraulisch aangedreven installaties
N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het binnenschipcertificaat na
1.1.2026
Gescheiden pijpleidingsysteem voor de tweede voortstuwingsinstallatie bij hydraulisch aangedreven installaties
N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het binnenschipcertificaat na
1.1.2026
lid 2
In bedrijf brengen van de tweede aandrijfinrichting met slechts één bedieningshandeling
N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het binnenschipcertificaat na
1.1.2026
lid 3
Voldoen aan de manoeuvreereigenschappen volgens hoofdstuk 5 bij het in bedrijf zijn van de tweede aandrijving/handbedrijf
N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het binnenschipcertificaat na
30.12.2049
6.03
lid 1
Aansluiten andere verbruiksapparaten op hydraulische aandrijfinstallaties
N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het binnenschipcertificaat na
1.1.2026
6.05
lid 1
Automatische ontkoppeling van het handstuurwerk
N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het binnenschipcertificaat na
30.12.2024
6.06
lid 1
Twee van elkaar onafhankelijke stuursystemen
N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het binnenschipcertificaat na
30.12.2029
6.07
lid 2, onder a
Niveaualarm van de hydraulische tanks en alarm van de systeemdruk
N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het binnenschipcertificaat na
1.1.2026
lid 2, onder e
Bewaking van het buffersysteem
N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het binnenschipcertificaat.
6.08
lid 1
Eisen aan elektronische installaties volgens artikel 10.20
N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het binnenschipcertificaat na
30.12.2029
HOOFDSTUK 7
7.02
lid 2 tot en met 6
Vrij gezichtsveld vanuit het stuurhuis met uitzondering van de volgende leden:
N.V.O., uiterlijk bij toekenning of verlenging van het binnenschipcertificaat na
1.1.2049
lid 3, 2e alinea
Vrij gezichtsveld in de zichtas van de roerganger
N.V.O., uiterlijk bij toekenning of verlenging van het binnenschipcertificaat na
30.12.2029
lid 6
Minimale lichtdoorlaatbaarheid
N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het binnenschipcertificaat na
1.1.2024
N.V.O. voor vaartuigen met getinte ruiten die aan de volgende eisen voldoen:
– de ruiten zijn groen getint en hebben een minimale lichtdoorlatendheid van 60%;
– het plafond van het stuurhuis is zodanig uitgevoerd dat reflecties op de ruiten worden voorkomen;
– lichtbronnen in het stuurhuis moeten traploos regelbaar zijn of moeten kunnen worden uitgeschakeld;
– alle redelijke maatregelen ter vermijding van andere reflecties zijn getroffen.
lid 6
Uitvoering in veiligheidsglas
N.V.O.
7.03
lid 7
Buiten werking stellen van alarmen
N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het binnenschipcertificaat.
lid 8
Andere stroombron
N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het binnenschipcertificaat na
30.12.2024
7.04
lid 1
Bediening aandrijfwerktuigen en stuurinrichtingen
N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het binnenschipcertificaat.
lid 2
Bediening van elke aandrijvingsmotor
Voor zover geen éénmansstuurstelling voor het varen op radar aanwezig is: N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het binnenschipcertificaat na
30.12.2049 in het geval van direct omkeerbare machines
30.12.2024 in het geval van overige machines.
lid 3
Signalering
Voor zover geen éénmansstuurstelling voor het varen op radar aanwezig is: N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het binnenschipcertificaat na
30.12.2024
lid 9, 3e zin
Bediening door middel van een hefboom
N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het binnenschipcertificaat na
30.12.2024
lid 9, 4e zin
Duidelijke indicatie van de stuwrichting
N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het binnenschipcertificaat na
30.12.2024
7.05
lid 1
Navigatielantaarns, evenals hun behuizing, toebehoren en lichtbronnen
Navigatielantaarns, evenals hun behuizing, toebehoren en lichtbronnen die voldoen aan
– de eisen van de op 30 november 2009 geldende voorschriften omtrent de kleur en de sterkte van de lichten, alsmede omtrent de goedkeuring van de navigatielantaarns in de Rijnvaart,
– de respectieve eisen van een lidstaat op 30 november 2009,
kunnen nog steeds worden gebruikt.
7.06
lid 1
Navigatieradarinstallaties en bochtaanwijzers die vóór 31 december 2012 zijn toegelaten
Navigatieradarinstallaties en bochtaanwijzers die vóór 31 december 2012 overeenkomstig de regelgeving van een lidstaat waren toegelaten en werden ingebouwd, mogen ingebouwd zijn en gebruikt worden tot de verlenging van het binnenschipcertificaat na
31.12.2018
Deze installaties moeten worden vermeld onder nummer 52 van het binnenschipcertificaat.
Navigatieradarinstallaties en bochtaanwijzers die vanaf 1 januari 1990 zijn toegelaten
Navigatieradarinstallaties en bochtaanwijzers die vanaf 1 januari 1990 op grond van de minimumeisen en keuringsvoorwaarden voor navigatieradarinstallaties voor de Rijnvaart en de minimumeisen en keuringsvoorwaarden voor bochtaanwijzers voor de Rijnvaart zijn goedgekeurd, mogen verder worden ingebouwd en gebruikt indien een overeenkomstig deze standaard, Richtlijn 2006/87/EG of Besluit 1989-II-35 van de CCR geldige inbouwverklaring voorhanden is.
Navigatieradarinstallaties en bochtaanwijzers die vanaf 31 december 2006 zijn toegelaten
Navigatieradarinstallaties en bochtaanwijzers die vanaf 31 december 2006 op grond van de minimumeisen en keuringsvoorwaarden van Richtlijn 2006/87/EG zijn goedgekeurd, mogen verder worden ingebouwd en gebruikt indien een overeenkomstig deze standaard of Richtlijn 2006/87/EG geldige inbouwverklaring voorhanden is.
Navigatieradarinstallaties en bochtaanwijzers die vanaf 1 december 2009 zijn toegelaten
Navigatieradarinstallaties en bochtaanwijzers die vanaf 1 december 2009 op grond van de minimumeisen en keuringsvoorwaarden van Besluit 2008-II-11 van de CCR zijn goedgekeurd, mogen verder worden ingebouwd en gebruikt indien een overeenkomstig deze standaard of Besluit 2008-II-11 van de CCR geldige inbouwverklaring voorhanden is.
lid 3
Inland AIS-apparatuur
N.V.O.
Inland AIS-apparaten die vanaf 19 oktober 2012 zijn goedgekeurd op grond van de voorschriften van de Teststandaard voor Inland AIS, editie 2.0, die bij Besluit 2012-II-20 van de CCR is aangenomen, mogen verder worden ingebouwd en gebruikt.
7.10.2018
7.09
Alarminstallatie
N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het binnenschipcertificaat na
30.12.2024
7.12
lid 4, 2e zin
Indicaties
N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het binnenschipcertificaat.
lid 5
Stoppen en vergrendeling
N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het binnenschipcertificaat na
1.1.2025
lid 6
Automatische uitschakeling
N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het binnenschipcertificaat na
1.1.2025
lid 7, 1e en 2e zin
Bouwkundige maatregelen en beschermende voorzieningen
N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het binnenschipcertificaat na
1.1.2025
lid 7, 3e zin
Optisch signaal
N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het binnenschipcertificaat.
lid 8
Neerlaatsysteem voor noodgevallen
Indien hydraulisch neerlaten niet mogelijk is: N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het binnenschipcertificaat na
1.1.2040
lid 12, onder c
keuring
N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het binnenschipcertificaat.
De Commissie van Deskundigen kan een ander geëigend bewijs als gelijkwaardig erkennen indien het rekenkundig bewijs niet geleverd kan worden.
HOOFDSTUK 8
8.01
lid 3
Alleen verbrandingsmotoren waarvan het vlampunt van de brandstof boven 55 °C ligt
N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het binnenschipcertificaat na
30.12.2029
8.02
lid 1
Beveiliging van machine-installaties tegen onopzettelijke in bedrijf stelling
N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het binnenschipcertificaat na
30.12.2024
lid 4
Afscherming van verbindingen van leidingen
N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het binnenschipcertificaat na
30.12.2024
lid 5
Dubbelwandig leidingsysteem
N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het binnenschipcertificaat na
30.12.2024
lid 6
Isolatie van machineonderdelen
N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het binnenschipcertificaat.
8.03
lid 2
Aangeven van het kritieke peil
N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het binnenschipcertificaat na
30.12.2024
lid 4
Aangeven en buiten bedrijf stellen van de automatische reductie van het toerental
N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het binnenschipcertificaat na
30.12.2024
lid 5
Doorvoering van assen van voortstuwingsinstallaties
N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het binnenschipcertificaat na
30.12.2029
8.05
lid 1
Brandstoftanks van staal
N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het binnenschipcertificaat na
30.12.2029
lid 2
Zelfsluitende afsluitinrichting voor het ontnemen van water
N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het binnenschipcertificaat.
lid 3
Geen brandstoftanks vóór het aanvaringsschot
N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het binnenschipcertificaat na
30.12.2024
Geen brandstoftanks achter het achterpiekschot
N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het binnenschipcertificaat na
30.12.2049
lid 4
Geen brandstoftanks en hun appendages boven machine-installaties of uitlaatgassenleidingen
N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het binnenschipcertificaat na
30.12.2024
Tot aan die datum moet door opvangcontainers of druipblikken verzekerd zijn dat uilopende brandstof zonder gevaar kan worden afgevoerd.
lid 6, 3e tot en met 5e zin
Inrichting en afmetingen van ontluchtings- en verbindingsleidingen
N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het binnenschipcertificaat na
30.12.2024
lid 7, 1e zin
Bediening vanaf het dek van snelsluitkleppen van de tank, ook wanneer de betrokken ruimten gesloten zijn
N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het binnenschipcertificaat na
1.1.2029
lid 9, 2e zin
Peilinrichtingen moeten tot aan de hoogste vulstand afleesbaar zijn
N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het binnenschipcertificaat na
30.12.2029
lid 13
Controle van de vulstand niet alleen voor de aandrijvingsmotoren maar ook voor de andere motoren die voor de vaart nodig zijn
N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het binnenschipcertificaat na
30.12.2029
8.06
Smeerolietanks, -leidingen en toebehoren
N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het binnenschipcertificaat na
30.12.2049
8.07
Tanks voor olie, die in de krachtoverbrengingssystemen, schakel-, voortstuwings- en verwarmingssystemen wordt gebruikt, leidingen en toebehoren
N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het binnenschipcertificaat na
30.12.2049
8.08
lid 8
Een enkele afsluiter is onvoldoende als aansluiting van ballasttanks aan het lenssysteem voor laadruimen die zijn ingericht voor het opnemen van ballast
N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het binnenschipcertificaat na
30.12.2024
lid 9
Peilmogelijkheden voor vullingen van laadruimen
N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het binnenschipcertificaat na
30.12.2024
8.09
lid 2
Inrichtingen voor het verzamelen van oliehoudend water en afgewerkte olie
N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het binnenschipcertificaat na
30.12.2024
8.10
lid 3
Geluidsgrens van 65 dB(A) voor stilliggende schepen
N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het binnenschipcertificaat na
30.12.2029
HOOFDSTUK 9
Voor motoren die al aan boord zijn ingebouwd, maar nog geen typegoedkeuring hebben, is alleen artikel 9.02 van toepassing.
9.01
lid 1 tot en met 4
Algemene bepalingen
Voor motoren die voldoen aan de bepalingen met betrekking tot de montage en de typegoedkeuring die van kracht waren op de datum van montage: N.V.
9.06
Inbouwkeuring
HOOFDSTUK 10
10.01
lid 1, 2e zin
Benodigde documenten voorleggen aan de Commissie van deskundigen
N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het certificaat van onderzoek na
1.1.2035
lid 2, onder b
Aan boord moeten zich schema’s van de hoofdschakelbord, noodschakelbord en verdeelschakelborden bevinden
N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het certificaat van onderzoek na
1.1.2010
lid 2, onder e
Schema’s van de schakelborden en documentatie van de elektrische aandrijvingsmotoren
N.V.O.
lid 2, onder f
Schema’s voor elektronische systemen
N.V.O.
lid 2, onder g
Schema’s van de stuurstroomkringen
N.V.O.
lid 3
Omgevingstemperatuur in het schip en aan dek
N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het certificaat van onderzoek na
1.1.2010
10.02
Systemen voor de energieverzorging
N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het certificaat van onderzoek na
1.1.2010
10.03
Beschermingsgraad in functie van de standplaats
N.V.O.
10.04
Bescherming tegen explosie
N.V.O.
10.05
lid 4
Doorsnede van de aardleiding
N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het certificaat van onderzoek na
1.1.2015
10.06
lid 1, tabel
Draaistroom
N.V.O.
10.08
lid 1
Naleving van de Europese normen EN 15869-1, EN 15869-3 en EN 16840
N.V.O.
10.10
lid 2
Plaatsing van transformatoren
N.V.O.
lid 3
Gescheiden primaire en secundaire spoelen van transformatoren
N.V.O.
lid 4
Stroomvoorziening door secundaire spoelen van transformatoren
N.V.O.
lid 5
Type- en vermogensplaatje van motoren, generatoren, transformatoren
N.V.O.
10.11
lid 3
Ventilatie van bedrijfsruimten en kasten naar het open dek
N.V.O.
lid 7
Ventilatie van gesloten ruimten, kisten of kasten waarin accumulatoren zijn opgesteld
N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het certificaat van onderzoek.
lid 12
Dimensionering van de laadinrichtingen
N.V.O.
lid 13
Automatische laadinrichtingen
N.V.O.
lid 14
Maximale laadspanning
N.V.O.
lid 15
Europese Normen EN 62619 en EN 62620 voor secundaire lithium-ionen-accumulatoren
N.V.O.
lid 16
Accumulatormanagementsystemen
N.V.O.
10.12
lid 2 onder d
Directe voeding vanaf het hoofdschakelbord van verbruikers die voor de voortstuwing en het manoeuvreren noodzakelijk zijn
N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het certificaat van onderzoek na
1.1.2015
lid 3 onder b
Aardfoutbewakingsinrichting
N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het certificaat van onderzoek na
1.1.2010
10.13
Nooduitschakeltoestellen
N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het certificaat van onderzoek na
1.1.2010
10.14
lid 3, tweede zin
Eenpolige schakelaars zijn in was-, bad- en overige natte ruimten niet toegestaan
N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het certificaat van onderzoek na
1.1.2010
10.15
lid 2
Minimale doorsnede van de aders van 1,5 mm2
N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het certificaat van onderzoek.
lid 10
Kabels naar in hoogte verstelbare stuurhuizen
N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het certificaat van onderzoek.
lid 11
Doorvoeringen van kabelbundels
N.V.O.
lid 12
Kabels die van een noodstroombron naar verbruikers leiden
N.V.O.
lid 13
Kabels in zones met verhoogde omgevingstemperatuur
N.V.O.
lid 14
Leggen van hoofd- en noodstroomverzorgingskabels
N.V.O.
10.16
lid 3, tweede zin
Tweede stroomkring
N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het certificaat van onderzoek na
1.1.2015
10.18
lid 1
Mogelijke afkoppeling van het stroomnet
N.V.O.
lid 2
Toegankelijkheid
N.V.O.
lid 3
Galvanische scheiding van sturings- en stroomvoorziening
N.V.O.
lid 4
Spannings- en frequentieafwijkingen
N.V.O.
lid 5
Ontladingsduur bij loskoppeling van het net
N.V.O.
lid 6
Maatregelen bij het uitvallen van externe sturingssignalen
N.V.O.
lid 7
Maatregelen bij het uitvallen van sturingsspanning
N.V.O.
lid 8
Detectie van storingen en voorkomen van verborgen fouten
N.V.O.
lid 9
Bewaking
N.V.O.
lid 10
Typegoedkeuring
N.V.O.
10.19
Alarm- en beveiligingssystemen voor werktuigbouwkundige inrichtingen
N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het certificaat van onderzoek na
1.1.2015
10.20
Testvoorwaarden voor elektronische installaties
N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het certificaat van onderzoek na
1.1.2035
10.21
Elektromagnetische compatibiliteit
N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het certificaat van onderzoek na
1.1.2035
HOOFDSTUK 13
13.01
Ankeruitrusting
N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het binnenschipcertificaat na
30.12.2024
13.02
lid 3, onder a
Keuringsbewijs voor stalen trossen en andere kabels
Voor de eerste tros die op het schip wordt vervangen: N.V.O., uiterlijk na
30.12.2024
Voor de tweede en derde tros die op het schip wordt vervangen: N.V.O., uiterlijk na
30.12.2029
13.03
lid 1
Europese norm
N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het binnenschipcertificaat na
30.12.2024
lid 2
Geschiktheid voor brandklasse A, B en C
N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het binnenschipcertificaat na
30.12.2024
lid 4
Hoeveelheid CO2 en inhoud van de ruimten
N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het binnenschipcertificaat na
30.12.2024
13.04
Vast ingebouwde brandblusinstallaties in verblijven, stuurhuizen en passagiersruimten
N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het binnenschipcertificaat na
30.12.2049
13.05
Vast ingebouwde brandblusinstallaties in machinekamers, ketelruimen en pompkamers
Vóór 1 oktober 1985 vast ingebouwde CO2-brandblusinstallaties mogen, wanneer zij voldoen aan artikel 16.03 van deze standaard, worden gebruikt tot de verlenging van het binnenschipcertificaat na
30.12.2049
13.07
Toepassing Europese norm op bijboten
N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het binnenschipcertificaat na
30.12.2029
13.08
lid 2
Opblaasbare zwemvesten
N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het binnenschipcertificaat na
30.12.2024
Zwemvesten die op 29.12.2008 aan boord zijn mogen tot aan de verlenging van het binnenschipcertificaat na
30.12.2024
HOOFDSTUK 14
14.02
lid 4
Voorziening aan de buitenkanten van dekken, gangboorden en andere werkplekken
N.V.O.1
14.04
lid 1
Vrije breedte van de gangboorden
Voor schepen met B > 7,30 m, N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het binnenschipcertificaat na
1.1.20352
lid 2
Relingen van gangboorden
N.V.O.
14.05
lid 1
Toegang tot de werkplekken
N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het binnenschipcertificaat na
30.12.2049
lid 2 en 3
Deuren, in- en uitgangen en gangen die hoogteverschillen van meer dan 0,50 m hebben
N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het binnenschipcertificaat.
lid 4
Trappen bij permanent bezette werkplekken
N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het binnenschipcertificaat na
30.12.2049
14.06
lid 2
Uitgangen en nooduitgangen
N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het binnenschipcertificaat na
30.12.2049
14.07
lid 1, 2e zin
Klimvoorzieningen
N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het binnenschipcertificaat na
30.12.2049
lid 2 en 3
N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het binnenschipcertificaat.
14.10
Luiken
N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het binnenschipcertificaat na
30.12.2024
14.11
Lieren
N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het binnenschipcertificaat na
30.12.2024
14.12
lid 2 tot en met 6 en lid 8 tot en met 10
Kranen: fabriekslabel, maximaal toelaatbare bedrijfslast, beveiliging, rekenkundig bewijs, controle door deskundige, documenten aan boord
N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het binnenschipcertificaat na
30.12.2029
14.13
Opslag van brandbare vloeistoffen
N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het binnenschipcertificaat.
HOOFDSTUK 15
15.01
lid 1
Verblijven voor de gewoonlijk aan boord verblijvende personen
N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het binnenschipcertificaat na
30.12.2049
15.02
lid 3
Positie van de vloer
N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het binnenschipcertificaat na
30.12.2049
lid 4
Woon- en slaapruimten
N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het binnenschipcertificaat na
30.12.2049
lid 5
Geluidshinder en trillingen in verblijven
N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het binnenschipcertificaat na
30.12.2029
lid 6
Stahoogte in verblijven
N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het binnenschipcertificaat na
30.12.2049
lid 8
Vloeroppervlak in woonruimten
N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het binnenschipcertificaat na
30.12.2049
lid 9
Inhoud van ruimten
N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het binnenschipcertificaat na
30.12.2049
lid 10
Luchtvolume per persoon
N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het binnenschipcertificaat na
30.12.2049
lid 11
Afmetingen van deuren
N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het binnenschipcertificaat na
30.12.2049
lid 12, onder a en b
Aanbrengen van trappen
N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het binnenschipcertificaat na
30.12.2049
lid 13
Leidingen van gevaarlijke gassen en vloeistoffen
N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het binnenschipcertificaat na
30.12.2049
15.03
Sanitaire voorzieningen
N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het binnenschipcertificaat na
30.12.2049
15.04
Keukens
N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het binnenschipcertificaat na
30.12.2049
15.05
Drinkwaterinstallaties
N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het binnenschipcertificaat.
15.06
Verwarming en ventilatie
N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het binnenschipcertificaat na
30.12.2049
15.07
lid 1, 2e zin
Overige bepalingen inzake de inrichting van de verblijven
N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het binnenschipcertificaat na
30.12.2049
HOOFDSTUK 18
18.01
lid 2, tabel 1 en 2, en lid 5
Grens-/controlewaarden en typegoedkeuringen
N.V.O. voor zover
a) de grens- en controlewaarden de waarden van fase II met niet meer dan de factor 2 overschrijden;
b) de boordzuiveringsinstallatie over een certificaat van de fabrikant of een erkend deskundige beschikt, waarin bevestigd wordt dat de installatie de voor het schip kenmerkende belasting aankan, en
c) een zuiveringsslibmanagement beschikbaar is, dat aan de voorwaarden voor het gebruik van een boordzuiveringsinstallatie op een passagiersschip voldoet.
Boordzuiveringsinstallaties die vanaf 1 december 2011 overeenkomstig de voorschriften van Besluit 2010-II-27 van de CCR (Fase II) zijn goedgekeurd, mogen verder worden ingebouwd en gebruikt.
Boordzuiveringsinstallaties die vanaf 10 januari 2013 overeenkomstig de voorschriften van Richtlijn 2012/49/EU (Fase II) zijn goedgekeurd, mogen verder worden ingebouwd en gebruikt.
HOOFDSTUK 19
Passagiersschepen
Zie de bepalingen van het reglementaire kader voor schepen die van het toepassingsgebied van Richtlijn 82/714/EEG waren uitgesloten: ‘Geen klaarblijkelijk gevaar’.
Geldt voor alle bepalingen van hoofdstuk 19 met uitzondering van de navolgend vermelde bepalingen.
19.01
lid 5 en 6
De dode hoek voor de boeg niet meer dan tweemaal de scheepslengte of 250 m
Voldoende zicht naar achteren
N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het binnenschipcertificaat na
1.1.2049
19.11
lid 1
Technische geschiktheid op het gebied van brandbescherming van materialen en onderdelen
Voor de materialen en onderdelen die zijn goedgekeurd overeenkomstig de Internationale Code voor brandtestprocedures (FTP-Code) aangenomen bij resolutie MSC.61(67)3: N.V.O.
HOOFDSTUK 20
Zeilende passagiersschepen
Zie de bepalingen van het reglementaire kader voor schepen die van het toepassingsgebied van Richtlijn 82/714/EEG waren uitgesloten: ‘Geen klaarblijkelijk gevaar’.
HOOFDSTUK 21
21.01
lid 2
Speciale lieren of gelijkwaardige inrichtingen op het voor het duwen geschikte vaartuig
N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het binnenschipcertificaat na
30.12.2049
lid 3, laatste zin
Eisen met betrekking tot aandrijvingen
N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het binnenschipcertificaat na
30.12.2049
HOOFDSTUK 22
Drijvende werktuigen
Zie de bepalingen van het reglementaire kader voor schepen die van het toepassingsgebied van Richtlijn 82/714/EEG waren uitgesloten: ‘Geen klaarblijkelijk gevaar’.
HOOFDSTUK 26
Pleziervaartuigen
Zie de bepalingen van het reglementaire kader voor schepen die van het toepassingsgebied van Richtlijn 82/714/EEG waren uitgesloten: ‘Geen klaarblijkelijk gevaar’.
HOOFDSTUK 29
29.02
lid 3
Tweede aandrijfinstallatie voor stuurmachines
N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het binnenschipcertificaat na
30.12.2029
– Buitenkanten van de dekken en de werkplekken, waarbij de valhoogte meer dan 1 m kan bedragen, zijn voorzien van een verschansing of den van elk ten minste 0,70 m hoogte of van relingen die voldoen aan de Europese norm EN 711 : 1995, die bestaan uit een handreling een tussenroede op kniehoogte en een voetlijst.
- Bij gangboorden moet een voetlijst en een doorlopende handreling aan de denneboom zijn aangebracht. De handreling aan de dennenboom kan achterwege worden gelaten, indien het gangboord voorzien is van een niet neerklapbare reling.
Bij vernieuwingswerkzaamheden, het gehele laadruim omvattend, is artikel 14.04 van toepassing. Bij een verbouwing, die de totale lengte van de gangboorden omvat en waardoor de vrije breedte van het gangboord wordt gewijzigd:
a) is artikel 14.04 van toepassing, indien de vóór de verbouwing beschikbare vrije breedte van het gangboord tot een hoogte van 0,90 m, of de vrije breedte daarboven, moet worden verminderd;
b) mag de vóór de verbouwing beschikbare vrije breedte van het gangboord tot een hoogte van 0,90 m, of de vrije breedte daarboven, niet worden verminderd, indien deze afmetingen kleiner zijn dan die bedoeld in artikel 14.04.