Art. 32.02 ES-TRIN, Overgangsbepalingen voor reeds in bedrijf zijnde vaartuigen

Europese standaard tot vaststelling van de technische voorschriften voor binnenschepen (ES-TRIN)

1. Vaartuigen die niet volledig aan de voorschriften van deze Standaard voldoen, moeten In geval van afgifte van een nieuw binnenschipcertificaat voor een vaartuig als bedoeld in artikel 32.01, eerste lid, moet het certificaat van onderzoek voor Rijnschepen als bewijs worden voorgelegd, het certificaat van onderzoek voor Rijnschepen worden ingetrokken en onder nummer 52 in het nieuwe binnenschipcertificaat de datum van de afgifte van het certificaat van onderzoek voor Rijnschepen overeenkomstig het op 31 december 1994 geldende Reglement onderzoek schepen op de Rijn als volgt worden ingeschreven: ‘Een certificaat van onderzoek voor Rijnschepen werd overeenkomstig het op 31 december 1994 geldende Reglement onderzoek schepen op de Rijn afgegeven op: …’

a) daaraan volgens de overgangsbepalingen die worden vermeld in de onderstaande tabel, worden aangepast, en

b) totdat deze aanpassing heeft plaatsgevonden, voldoen aan het op 31 december 1994 geldende Reglement onderzoek schepen op de Rijn.

2. In de onderstaande tabel zijn de volgende definities van toepassing: ‘N.V.O.’: het voorschrift is niet van toepassing op reeds in bedrijf zijnde vaartuigen, tenzij de betreffende delen worden vervangen of omgebouwd, dat wil zeggen dat dit voorschrift slechts van toepassing is op Nieuwbouw, bij Vervanging of bij Ombouw van de betreffende delen of sectoren. Worden bestaande delen vervangen door delen welke in technische zin en bouwwijze gelijk zijn, dan wordt dit niet beschouwd als vervanging ‘V’ volgens deze overgangsbepalingen. ‘Afgifte of verlenging van het binnenschipcertificaat’: aan het voorschrift moet zijn voldaan bij de eerstvolgende afgifte of bij de eerstvolgende verlenging van het binnenschipcertificaat na de daarop aangegeven datum. 1 2006/87/EG Richtlijn van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2006 tot vaststelling van de technische voorschriften voor binnenschepen en tot intrekking van Richtlijn 82/714/EEG van de Raad (OJ L 389, 30.12.2006). 2 De overgangsbepaling juncto artikel 8.10, derde lid, is een voorschrift van tijdelijke aard en is geldig tot en met 31 december 2019. De toepasselijke overgangsbepaling vóór 1 december 2014 luidde als volgt: ‘8.10 lid 3 / Geluidsgrens van 65 dB(A) voor stilliggende schepen/ N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het binnenschipcertificaat na 1.1.2015’. 3 De overgangsbepaling juncto artikel 13.07 is een voorschrift van tijdelijke aard en is geldig tot en met 31 december 2019. De toepasselijke bepaling vóór 1 december 2014 luidde als volgt: “13.07 / Toepassing Europese norm op bijboten / N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het binnenschipcertificaat na 1.1.2015“. 4 De vaartuigen moeten echter uiterlijk bij verlenging van het binnenvaartcertificaat na 1.1.2015 aan de volgende eisen voldoen: 5 Dit artikel geldt voor schepen waarvan de kiel is gelegd ná 31.12.1994 en voor in bedrijf zijnde schepen met in acht name van het volgende: 6 De overgangsbepaling juncto artikel 19.06, zesde lid, onderdeel c, is een voorschrift van tijdelijke aard en is geldig tot en met 31 december 2019. De toepasselijke overgangsbepaling vóór 1 december 2014 luidde als volgt: ‘19.06 lid 6 onder c / Vluchtwegen niet door keukens / N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het binnenschipcertificaat na 1.1.2015’. 7 De overgangsbepaling juncto artikel 19.07 is een voorschrift van tijdelijke aard en is geldig tot en met 31 december 2019. De toepasselijke overgangsbepaling vóór 1 december 2014 luidde als volgt: ‘19.07 / Eisen aan het voortstuwingssysteem / N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het binnenschipcertificaat na 1.1.2015’. 8 De overgangsbepaling juncto artikel 19.08, derde lid, is een voorschrift van tijdelijke aard en is geldig tot en met 31 december 2019. De toepasselijke overgangsbepaling vóór 1 december 2014 luidde als volgt: ‘19.08 lid 3 / Eisen aan de alarminstallatie / N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het binnenschipcertificaat na 1.1.2015’ evenals ‘19.08 lid 3 onder c / Alarminstallatie voor het waarschuwen van de bemanning en het boordpersoneel door de scheepsleiding / Voor hotelschepen geldt het voorschrift bij N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het binnenschipcertificaat na 1.1.2007’. 9 MSC.61(67) aangenomen op 5 december 1996 – Internationale Code voor brandtestprocedures.

Artikel en lid

Inhoud

Termijn en voorwaarden

HOOFDSTUK 3

3.03

lid 1, onder a

Plaats van het aanvaringsschot

N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het binnenschipcertificaat na

1.1.2035

lid 1, onder b

Plaats van het achterpiekschot

N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het binnenschipcertificaat na

1.1.2035

lid 2

Verblijven vóór het aanvaringsschot

N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het binnenschipcertificaat na

1.1.2010

Verblijven achter het achterpiekschot

N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het binnenschipcertificaat na

1.1.2045

Noodzakelijke voorzieningen vóór het aanvaringsschot

N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het binnenschipcertificaat na

1.1.2015

Noodzakelijke voorzieningen achter het achterpiekschot

N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het binnenschipcertificaat na

1.1.2035

lid 4

Gasdichte afscheiding van verblijven van machinekamers, ketel- en laadruimen

N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het binnenschipcertificaat na

1.1.2010

lid 5, 2e alinea

Bewaking op afstand van deuren in het achterpiekschot

N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het binnenschipcertificaat na

1.1.2010

lid 7

Voorschip met ankernissen

N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het binnenschipcertificaat na

1.1.2041

3.04

lid 6

Uitgangen van machinekamers

Machinekamers die vóór 1995 overeenkomstig artikel 1.01 niet onder het begrip ‘machinekamer’ waren te rangschikken, behoeven pas van een tweede uitgang te worden voorzien bij N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het binnenschipcertificaat na

1.1.2035

HOOFDSTUK 5

5.06

lid 1, 1e zin

Minimumsnelheid

Voor vaartuigen waarvan de kiel is gelegd vóór 1996, uiterlijk bij verlenging van het binnenschipcertificaat na

1.1.2035

HOOFDSTUK 6

6.01

lid 1

Manoeuvreereigenschappen volgens hoofdstuk 5

N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het binnenschipcertificaat na

1.1.2035

lid 3

Helling en omgevingstemperatuur

N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het binnenschipcertificaat na

1.1.2010

lid 7

Doorvoering van roerkoningen

Voor vaartuigen waarvan de kiel is gelegd vóór 1996, uiterlijk bij verlenging van het binnenschipcertificaat na

1.1.2015

6.02

lid 1

Aanwezig zijn van afzonderlijke hydraulische tank

N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het binnenschipcertificaat na

1.1.2010

Verdubbeling van stuurventielen bij hydraulisch aangedreven installaties

N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het binnenschipcertificaat na

1.1.2020

Gescheiden pijpleidingsysteem voor de tweede voortstuwingsinstallatie bij hydraulisch aangedreven installaties

N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het binnenschipcertificaat na

1.1.2020

lid 2

In bedrijf brengen van de tweede aandrijfinrichting met slechts één bedieningshandeling

N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het binnenschipcertificaat na

1.1.2010

lid 3

Voldoen aan de manoeuvreereigenschappen volgens hoofdstuk 5 bij het in bedrijf zijn van de tweede aandrijving/handbedrijf

N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het binnenschipcertificaat na

1.1.2035

6.03

lid 1

Aansluiten andere verbruiksapparaten op hydraulische aandrijfinstallaties

N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het binnenschipcertificaat na

1.1.2010

6.05

lid 1

Automatische ontkoppeling van het handstuurwerk

N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het binnenschipcertificaat na

1.1.2010

6.06

lid 1

Twee van elkaar onafhankelijke stuursystemen

N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het binnenschipcertificaat na

1.1.2015

6.07

lid 2, onder a

Niveaualarm van de hydraulische tanks en alarm van de systeemdruk

N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het binnenschipcertificaat na

1.1.2010

6.08

lid 1

Eisen aan elektronische installaties volgens artikel 10.20

N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het binnenschipcertificaat na

1.1.2015

HOOFDSTUK 7

7.02

lid 3, 2e alinea

Vrij gezichtsveld in de zichtas van de roerganger

N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het binnenschipcertificaat na

1.1.2015

lid 6

Minimale lichtdoorlatendheid

N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het binnenschipcertificaat na

1.1.2010

N.V.O. voor vaartuigen met getinte ruiten die aan de volgende eisen voldoen:

- de ruiten zijn groen getint en hebben een minimale lichtdoorlatendheid van 60%;

- het plafond van het stuurhuis is zodanig uitgevoerd dat reflecties op de ruiten worden voorkomen;

- lichtbronnen in het stuurhuis moeten traploos regelbaar zijn of moeten kunnen worden uitgeschakeld;

- alle redelijke maatregelen ter vermijding van andere reflecties zijn getroffen.

lid 6

Uitvoering in veiligheidsglas

N.V.O.

7.03

lid 7

Buiten werking stellen van alarmen

N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het binnenschipcertificaat voor zover geen éénmansstuurstelling voor het varen op radar aanwezig is.

lid 8

Andere stroombron

N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het binnenschipcertificaat na

1.1.2010

7.04

lid 2

Bediening van elke aandrijvingsmotor

Voor zover geen éénmansstuurstelling voor het varen op radar aanwezig is:

N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het binnenschipcertificaat na

1.1.2035 in het geval van direct omkeerbare machines

1.1.2010 in het geval van overige machines

lid 3

Signalering

Voor zover geen éénmansstuurstelling voor het varen op radar aanwezig is: N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het binnenschipcertificaat na

1.1.2010

lid 9, 3e zin

Bediening door middel van een hefboom

N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het binnenschipcertificaat na

1.1.2010

lid 9, 4e zin

Duidelijke indicatie van de stuwrichting

N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het binnenschipcertificaat na

1.1.2010

7.05

lid 1

Navigatielantaarns, evenals hun behuizing, toebehoren en lichtbronnen

Navigatielantaarns, evenals hun behuizing, toebehoren en lichtbronnen die voldoen aan de eisen van de op 30 november 2009 geldende voorschriften omtrent de kleur en de sterkte van de lichten, alsmede omtrent de goedkeuring van de navigatielantaarns in de Rijnvaart, kunnen nog steeds worden gebruikt.

7.06

lid 1

Bochtaanwijzers die vóór 1 januari 1990 zijn toegelaten

Bochtaanwijzers die vóór 1 januari 1990 waren toegelaten, en vóór 1 januari 2000 werden ingebouwd, mogen tot de verlenging van het binnenschipcertificaat op en na 1 januari 2015 ingebouwd zijn en gebruikt worden indien een geldige inbouwverklaring conform Richtlijn 2006/87/EG1 of Besluit 1989-II-35 van de CCR voorhanden is.

Navigatieradarinstallaties en bochtaanwijzers die vanaf 1 januari 1990 zijn toegelaten

Navigatieradarinstallaties en bochtaanwijzers die vanaf 1 januari 1990 op grond van de minimumeisen en keuringsvoorwaarden voor navigatieradarinstallaties voor de Rijnvaart en de minimumeisen en keuringsvoorwaarden voor bochtaanwijzers voor de Rijnvaart zijn goedgekeurd, mogen verder worden ingebouwd en gebruikt indien een overeenkomstig deze standaard, Richtlijn 2006/87/EG of Besluit 1989-II-35 van de CCR geldige inbouwverklaring voorhanden is.

Navigatieradarinstallaties en bochtaanwijzers die vanaf 31 december 2006 zijn toegelaten

Navigatieradarinstallaties en bochtaanwijzers die vanaf 31 december 2006 op grond van de minimumeisen en keuringsvoorwaarden van Richtlijn 2006/87/EG zijn goedgekeurd, mogen verder worden ingebouwd en gebruikt indien een overeenkomstig deze standaard of Richtlijn 2006/87/EG geldige inbouwverklaring voorhanden is.

Navigatieradarinstallaties en bochtaanwijzers die vanaf 1 december 2009 zijn toegelaten

Navigatieradarinstallaties en bochtaanwijzers die vanaf 1 december 2009 op grond van de minimumeisen en keuringsvoorwaarden van Besluit 2008-II-11 van de CCR zijn goedgekeurd, mogen verder worden ingebouwd en gebruikt indien een overeenkomstig deze standaard of Besluit 2008-II-11 van de CCR geldige inbouwverklaring voorhanden is.

lid 3

Inland AIS-apparatuur

Inland AIS-apparaten, waarvan de typegoedkeuring op editie 1.0 en 1.01 van de Teststandaard Inland AIS is gebaseerd en die vóór 1 december 2015 zijn ingebouwd, mogen verder worden gebruikt.

Inland AIS-apparaten die vanaf 19 oktober 2012 zijn goedgekeurd op grond van de voorschriften van de Teststandaard voor Inland AIS, editie 2.0, die bij Besluit 2012-II-20 van de CCR is aangenomen, mogen verder worden ingebouwd en gebruikt.

7.09

Alarminstallatie

N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het binnenschipcertificaat na

1.1.2010

7.12

lid 4,

2e zin

Indicaties

N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het binnenschipcertificaat.

lid 5

Stoppen en vergrendeling

N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het binnenschipcertificaat na

1.1.2025

lid 6

Automatische uitschakeling

N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het binnenschipcertificaat na

1.1.2025

lid 7, 1e en 2e zin

Bouwkundige maatregelen en beschermende voorzieningen

N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het binnenschipcertificaat na

1.1.2025

lid 7

3e zin

Optisch signaal

N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het binnenschipcertificaat.

lid 8

Neerlaatsysteem voor noodgevallen

Indien hydraulisch neerlaten niet mogelijk is: N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het binnenschipcertificaat na

1.1.2040

lid 12,

onder c

keuring

N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het binnenschipcertificaat.

De Commissie van Deskundigen kan een ander geëigend bewijs als gelijkwaardig erkennen indien het rekenkundig bewijs niet geleverd kan worden.

HOOFDSTUK 8

8.01

lid 3

Alleen verbrandingsmotoren waarvan het vlampunt van de brandstof boven 55 °C ligt

N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het binnenschipcertificaat na

1.1.2015

8.02

lid 1

Beveiliging van machine-installaties tegen onopzettelijke in bedrijf stelling

N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het binnenschipcertificaat na

1.1.2010

lid 4

Afscherming van verbindingen van leidingen

N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het binnenschipcertificaat na

1.1.2025

8.03

lid 2

Aangeven van het kritieke peil

N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het binnenschipcertificaat na

1.1.2010

lid 4

Aangeven en buiten bedrijf stellen van de automatische reductie van het toerental

N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het binnenschipcertificaat na

1.1.2010

lid 5

Doorvoering van assen van voortstuwingsinstallaties

N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het binnenschipcertificaat na

1.1.2015

8.05

lid 1

Brandstoftanks van staal

N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het binnenschipcertificaat na

1.1.2015

lid 3

Geen brandstoftanks vóór het aanvaringsschot

N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het binnenschipcertificaat na

1.1.2010

Geen brandstoftanks achter het achterpiekschot

N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het binnenschipcertificaat na

1.1.2035

lid 4

Geen brandstoftanks en hun appendages boven machine-installaties of uitlaatgassenleidingen

N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het binnenschipcertificaat na

1.1.2010

Tot aan die datum moet door opvangcontainers of druipblikken verzekerd zijn dat uilopende brandstof zonder gevaar kan worden afgevoerd.

lid 6, 3e t/m 5e zin

Inrichting en afmetingen van ontluchtings- en verbindingsleidingen

N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het binnenschipcertificaat na

1.1.2020

lid 7, 1e zin

Bediening vanaf het dek van snelsluitkleppen van de tank, ook wanneer de betrokken ruimten gesloten zijn

N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het binnenschipcertificaat na

1.1.2015

lid 9, 2e zin

Peilinrichtingen moeten tot aan de hoogste vulstand afleesbaar zijn

N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het binnenschipcertificaat na

1.1.2010

lid 13

Controle van de vulstand niet alleen voor de aandrijvingsmotoren maar ook voor de andere motoren die voor de vaart nodig zijn

N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het binnenschipcertificaat na

1.1.2015

8.06

Smeerolietanks, -leidingen en toebehoren

N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het binnenschipcertificaat na

1.1.2045

8.07

Tanks voor olie, die in de krachtoverbrengingssystemen, schakel-, voortstuwings- en verwarmingssystemen wordt gebruikt, leidingen en toebehoren

N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het binnenschipcertificaat na

1.1.2045

8.08

lid 8

Een enkele afsluiter is onvoldoende als aansluiting van ballasttanks aan het lenssysteem voor laadruimen die zijn ingericht voor het opnemen van ballast

N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het binnenschipcertificaat na

1.1.2010

lid 9

Peilmogelijkheden voor vullingen van laadruimen

N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het binnenschipcertificaat na

1.1.2010

8.09

lid 2

Inrichtingen voor het verzamelen van oliehoudend water en afgewerkte olie

N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het binnenschipcertificaat na

1.1.2010

8.10

lid 32

Geluidsgrens van 65 dB(A) voor stilliggende schepen

N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het binnenschipcertificaat na

1.1.2020

HOOFDSTUK 9

Voor motoren die al aan boord zijn ingebouwd, maar nog geen typegoedkeuring hebben, is alleen artikel 9.02 van toepassing.

9.01

lid 1 tot en met 4

Algemene bepalingen

Voor motoren die voldoen aan de bepalingen met betrekking tot de montage en de typegoedkeuring die van kracht waren op de datum van montage: N.V.

9.06

Inbouwkeuring

HOOFDSTUK 10

10.01

lid 1, 2e zin

Benodigde documenten voorleggen aan de Commissie van deskundigen

N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het certificaat van onderzoek na

1.1.2035

lid 2, onder b

Aan boord moeten zich schema’s van de hoofdschakelbord, noodschakelbord en verdeelschakelborden bevinden

N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het certificaat van onderzoek na

1.1.2010

lid 2, onder e

Schema’s van de schakelborden en documentatie van de elektrische aandrijvingsmotoren

N.V.O.

lid 2, onder f

Schema’s voor elektronische systemen

N.V.O.

lid 2, onder g

Schema’s van de stuurstroomkringen

N.V.O.

lid 3

Omgevingstemperatuur in het schip en aan dek

N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het certificaat van onderzoek na

1.1.2010

10.02

Systemen voor de energieverzorging

N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het certificaat van onderzoek na

1.1.2010

10.03

Beschermingsgraad in functie van de standplaats

N.V.O.

10.04

Bescherming tegen explosie

N.V.O.

10.05

lid 4

Doorsnede van de aardleiding

N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het certificaat van onderzoek na

1.1.2015

10.06

lid 1, tabel

Draaistroom

N.V.O.

10.08

lid 1

Naleving van de Europese normen EN 15869-1, EN 15869-3 en EN 16840

N.V.O.

10.10

lid 2

Plaatsing van transformatoren

N.V.O.

lid 3

Gescheiden primaire en secundaire spoelen van transformatoren

N.V.O.

lid 4

Stroomvoorziening door secundaire spoelen van transformatoren

N.V.O.

lid 5

Type- en vermogensplaatje van motoren, generatoren, transformatoren

N.V.O.

10.11

lid 3

Ventilatie van bedrijfsruimten en kasten naar het open dek

N.V.O.

lid 7

Ventilatie van gesloten ruimten, kisten of kasten waarin accumulatoren zijn opgesteld

N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het certificaat van onderzoek.

lid 12

Dimensionering van de laadinrichtingen

N.V.O.

lid 13

Automatische laadinrichtingen

N.V.O.

lid 14

Maximale laadspanning

N.V.O.

lid 15

Europese Normen EN 62619 en EN 62620 voor secundaire lithium-ionen-accumulatoren

N.V.O.

lid 16

Accumulatormanagementsystemen

N.V.O.

10.12

lid 2

onder d

Directe voeding vanaf het hoofdschakelbord van verbruikers die voor de voortstuwing en het manoeuvreren noodzakelijk zijn

N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het certificaat van onderzoek na

1.1.2015

lid 3

onder b

Aardfoutbewakingsinrichting

N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het certificaat van onderzoek na

1.1.2010

10.13

Nooduitschakeltoestellen

N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het certificaat van onderzoek na

1.1.2010

10.14

lid 3, tweede zin

Eenpolige schakelaars zijn in was-, bad- en overige natte ruimten niet toegestaan

N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het certificaat van onderzoek na

1.1.2010

10.15

lid 2

Minimale doorsnede van de aders van 1,5 mm2

N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het certificaat van onderzoek.

lid 10

Kabels naar in hoogte verstelbare stuurhuizen

N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het certificaat van onderzoek.

lid 11

Doorvoeringen van kabelbundels

N.V.O.

lid 12

Kabels die van een noodstroombron naar verbruikers leiden

N.V.O.

lid 13

Kabels in zones met verhoogde omgevingstemperatuur

N.V.O.

lid 14

Leggen van hoofd- en noodstroomverzorgingskabels

N.V.O.

10.16

lid 3, tweede zin

Tweede stroomkring

N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het certificaat van onderzoek na

1.1.2015

10.18

lid 1

Mogelijke afkoppeling van het stroomnet

N.V.O.

lid 2

Toegankelijkheid

N.V.O.

lid 3

Galvanische scheiding van sturings- en stroomvoorziening

N.V.O.

lid 4

Spannings- en frequentieafwijkingen

N.V.O.

lid 5

Ontladingsduur bij loskoppeling van het net

N.V.O.

lid 6

Maatregelen bij het uitvallen van externe sturingssignalen

N.V.O.

lid 7

Maatregelen bij het uitvallen van sturingsspanning

N.V.O.

lid 8

Detectie van storingen en voorkomen van verborgen fouten

N.V.O.

lid 9

Bewaking

N.V.O.

lid 10

Typegoedkeuring

N.V.O.

10.19

Alarm- en beveiligingssystemen voor werktuigbouwkundige inrichtingen

N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het certificaat van onderzoek na

1.1.2015

10.20

Testvoorwaarden voor elektronische installaties

N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het certificaat van onderzoek na

1.1.2035

10.21

Elektromagnetische compatibiliteit

N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het certificaat van onderzoek na

1.1.2035

HOOFDSTUK 13

13.01

Ankeruitrusting

N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het binnenschipcertificaat na

1.1.2010

13.02

lid 2, onder b

Verzamelreservoirs van staal of van een ander stootvast en onbrandbaar materiaal met ten minste 10 Liter inhoud

N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het binnenschipcertificaat.

13.03

lid 1

Europese norm

N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het binnenschipcertificaat na

1.1.2010

lid 2

Geschiktheid voor brandklasse A, B en C

N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het binnenschipcertificaat na

1.1.2010

lid 4

Hoeveelheid CO2 en inhoud van de ruimten

N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het binnenschipcertificaat na

1.1.2010

13.04

Vast ingebouwde brandblusinstallaties in verblijven, stuurhuizen en passagiersruimten

N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het binnenschipcertificaat na

1.1.2035

13.05

Vast ingebouwde brandblusinstallaties in machinekamers, ketelruimen en pompkamers

a) Vóór 1 oktober 1980 vast ingebouwde CO2-brandblusinstallaties blijven uiterlijk tot aan de verlenging van het binnenschipcertificaat na 1.1.2035 toegelaten, wanneer zij voldoen aan artikel 7.03, vijfde lid, in de versie van protocol 1975-I-23 van de Centrale Commissie voor de Rijnvaart.

b) Tussen 1 april 1992 en 31 december 1994 vast ingebouwde CO2-brandblusinstallaties blijven uiterlijk tot aan de verlenging van het binnenschipcertificaat na 1.1.2035 toegelaten, wanneer zij voldoen aan artikel 7.03, vijfde lid, van het op 31 december 1994 van kracht zijnde Reglement onderzoek schepen op de Rijn.

c) Tussen 1 april 1992 en 31 december 1994 verstrekte aanbevelingen van de Centrale Commissie voor de Rijnvaart voor de toepassing van artikel 7.03, vijfde lid, van het op 31 december 1994 van kracht zijnde Reglement onderzoek schepen op de Rijn blijven uiterlijk tot aan de verlenging van het binnenschipcertificaat na 1.1.2035 geldig.

d) Artikel 13.05, tweede lid onder a, geldt uiterlijk tot aan de verlenging van het binnenschipcertificaat na 1.1.2035 alleen dan, wanneer deze installaties worden ingebouwd in schepen waarvan de kiel is gelegd ná 1 oktober 1992.

13.07

3

Toepassing Europese norm op bijboten

N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het binnenschipcertificaat na

1.1.2020

13.08

lid 2

Opblaasbare zwemvesten

N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het binnenschipcertificaat na

1.1.2010

Zwemvesten die op 30.9.2003 aan boord zijn mogen tot aan de verlenging van het binnenschipcertificaat na

1.1.2010

HOOFDSTUK 14

14.02

lid 4

Voorziening aan de buitenkanten van dekken, gangboorden en andere werkplekken

N.V.O.4

14.04

lid 1

Vrije breedte van de gangboorden

Voor schepen met B > 7,30 m, N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het binnenschipcertificaat na

1.1.20355

lid 2

Relingen van gangboorden

N.V.O.

14.05

lid 1

Toegang tot de werkplekken

N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het binnenschipcertificaat na

1.1.2035

lid 4

Trappen bij permanent bezette werkplekken

N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het binnenschipcertificaat na

1.1.2035

14.06

lid 2

Uitgangen en nooduitgangen

N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het binnenschipcertificaat na

1.1.2035

14.07

lid 1, 2e zin

Klimvoorzieningen

N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het binnenschipcertificaat na

1.1.2035

14.10

Luiken

N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het binnenschipcertificaat na

1.1.2010

14.11

Lieren

N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het binnenschipcertificaat na

1.1.2010

14.12

lid 2

Fabriekslabel

N.V.O.

lid 4, eerste zin

Beschermende voorzieningen

N.V.O., uiterlijk bij de eerste verlenging van het binnenschipcertificaat na

1.1.2020

lid 4, tweede zin

Veiligheidsafstand

N.V.O., uiterlijk bij de eerste verlenging van het binnenschipcertificaat na

1.1.2020

Indien de toepassing van deze bepaling na afloop van die datum in de praktijk niet uitvoerbaar is, moeten, binnen de gebieden waar gewerkt en gelopen wordt, de plaatsen waar de veiligheidsafstand tot de buitenste delen van de kraan minder dan 0,50 m bedraagt als zodanig duidelijk gemarkeerd zijn.

lid 5

Veiligheid tijdens het bedrijf

N.V.O., uiterlijk bij de eerste verlenging van het binnenschipcertificaat na

1.1.2020

lid 9

Gebruiksaanwijzing

N.V.O., uiterlijk bij de eerste verlenging van het binnenschipcertificaat na

1.1.2020

Indien een gebruiksaanwijzing van de fabrikant van de kraan na die datum niet meer kan worden verkregen, wordt de gebruiksaanwijzing opgesteld door een deskundige. Deze gebruiksaanwijzing wordt vervolgens bij de eerste keuring conform artikel 14.12, zesde lid, onderdeel c, voorzien van de goedkeuring van de erkend deskundige die deze keuring uitvoert.

HOOFDSTUK 15

15.01

lid 1

Verblijven voor de gewoonlijk aan boord verblijvende personen

N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het binnenschipcertificaat na

1.1.2035

15.02

lid 3

Positie van de vloer

N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het binnenschipcertificaat na

1.1.2035

lid 4

Woon- en slaapruimten

N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het binnenschipcertificaat na

1.1.2035

lid 6

Stahoogte in verblijven

N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het binnenschipcertificaat na

1.1.2035

lid 8

Vloeroppervlak in woonruimten

N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het binnenschipcertificaat na

1.1.2035

lid 9

Inhoud van ruimten

N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het binnenschipcertificaat na

1.1.2035

lid 10

Luchtvolume per persoon

N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het binnenschipcertificaat na

1.1.2035

lid 11

Afmetingen van deuren

N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het binnenschipcertificaat na

1.1.2035

lid 12, onder a en b

Aanbrengen van trappen

N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het binnenschipcertificaat na

1.1.2035

lid 13

Leidingen van gevaarlijke gassen en vloeistoffen

N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het binnenschipcertificaat na

1.1.2035

15.03

Sanitaire voorzieningen

N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het binnenschipcertificaat na

1.1.2035

15.04

Keukens

N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het binnenschipcertificaat na

1.1.2035

15.06

Verwarming en ventilatie

N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het binnenschipcertificaat na

1.1.2035

15.07

lid 1, 2e zin

Overige bepalingen inzake de inrichting van de verblijven

N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het binnenschipcertificaat na

1.1.2035

HOOFDSTUK 18

18.01

lid 2, tabel 1 en 2, en lid 5

Grens-/controlewaarden en typegoedkeuringen

N.V.O. voor zover

a) de grens- en controlewaarden de waarden van fase II met niet meer dan de factor 2 overschrijden;

b) de boordzuiveringsinstallatie over een certificaat van de fabrikant of een erkend deskundige beschikt, waarin bevestigd wordt dat de installatie de voor het schip kenmerkende belasting aankan, en

c) een zuiveringsslibmanagement beschikbaar is, dat aan de voorwaarden voor het gebruik van een boordzuiveringsinstallatie op een passagiersschip voldoet.

Boordzuiveringsinstallaties die vanaf 1 december 2011 overeenkomstig de voorschriften van Besluit 2010-II-27 van de CCR (Fase II) zijn goedgekeurd, mogen verder worden ingebouwd en gebruikt.

Boordzuiveringsinstallaties die vanaf 10 januari 2013 overeenkomstig de voorschriften van Richtlijn 2012/49/EU (Fase II) zijn goedgekeurd, mogen verder worden ingebouwd en gebruikt.

HOOFDSTUK 19

19.01

lid 2, onder d

Verbod van verwarmingen met vaste brandstoffen bedoeld in art. 16.07

Het voorschrift geldt niet voor vaartuigen met voortstuwingsinstallaties die werken met vaste brandstoffen (stoommachines).

lid 2, onder e

Verbod van vloeibaargasinstallaties bedoeld in hoofdstuk 17

N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het binnenschipcertificaat na

1.1.2045

De overgangsbepaling geldt uitsluitend indien alarminstallaties overeenkomstig art. 19.15, achtste lid, aanwezig zijn.

lid 5 en 6

De dode hoek voor de boeg niet meer dan tweemaal de scheepslengte of 250 m

Voldoende zicht naar achteren

N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het binnenschipcertificaat na

1.1.2045

19.02

lid 2

Aantal en plaats van de schotten

N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het binnenschipcertificaat na

1.1.2045

lid 3

Plaats van het achterpiekschot

N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het binnenschipcertificaat na

1.1.2035

Het voorschrift geldt niet voor passagiersschepen die, op grond van het voldoen aan de eisen voor de 2-compartimentenstatus als bedoeld in artikel 19.03, negende lid, of aan de eisen van artikel 19.07, qua veiligheid en manoeuvreerbaarheid een gelijkwaardig niveau bereiken.

lid 5, 2e zin

Indompelingsgrenslijn indien er geen schottendek is

Voor vaartuigen waarvan de kiel is gelegd vóór 1996, N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het binnenschipcertificaat na

1.1.2045

lid 10, onder c

Duur van het sluiten door afstandsbediening

N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het binnenschipcertificaat na

1.1.2015

lid 15

Hoogte van de dubbele bodem, breedte van dubbele wanden

N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het binnenschipcertificaat na

1.1.2045

19.03

lid 1 tot en met 6

Stabiliteit van het onbeschadigde schip

N.V.O., en bij verhoging van het toegelaten aantal passagiers, uiterlijk bij verlenging van het binnenschipcertificaat na

1.1.2045

lid 7 en 8

Lekstabiliteit

N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het binnenschipcertificaat na

1.1.2045

lid 9

Lekstabiliteit

N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het binnenschipcertificaat na

1.1.2045

Omvang recht omhoog van het lek in de bodem

N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het binnenschipcertificaat na

1.1.2045

Voor schepen met een waterdicht dek op een afstand van ten minste 0,50 m en minder dan 0,60 m van de scheepsbodem, aan welke voor het eerst een binnenschipcertificaat vóór 31.12.2005 werd afgegeven, geldt N.V.O.

2-compartimentenstatus

N.V.O.

lid 10 tot en met 13

Lekstabiliteit

N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het binnenschipcertificaat na

1.1.2045

19.05

lid 2, onder a

Aantal passagiers waarvoor een verzamelruimte bedoeld in art. 19.06, lid 8, is aangetoond

N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het binnenschipcertificaat na

1.1.2045

lid 2, onder b

Aantal passagiers waarvoor de stabiliteitsberekening bedoeld in art. 19.03 is uitgevoerd

N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het binnenschipcertificaat na

1.1.2045

19.06

lid 1, 1e zin

Passagiersverblijven op alle dekken achter het aanvaringsschot en, voor zover ze onder het schottendek zijn gelegen, vóór het achterpiekschot

N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het binnenschipcertificaat na

1.1.2045

lid 3, onder c eerste zin

Vrije hoogte van uitgangen

N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het binnenschipcertificaat na

1.1.2045

lid 3, onder c, 2e zin

Vrije breedte van deuren van hutten voor passagiers en andere kleine verblijven

N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het binnenschipcertificaat na

1.1.2045

lid 3, onder f, 1e zin

Afmeting van de nooduitgangen

N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het binnenschipcertificaat na

1.1.2045

lid 3, onder g

Uitgangen die zijn bestemd voor gebruik door personen met beperkte mobiliteit

N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het binnenschipcertificaat na

1.1.2045

lid 4, onder d

Deuren die zijn bestemd voor gebruik door personen met beperkte mobiliteit

N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het binnenschipcertificaat na

1.1.2045

lid 5

Eisen aan verbindingsgangen

N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het binnenschipcertificaat na

1.1.2045

lid 6, onder b

Vluchtwegen naar verzamelruimten

N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het binnenschipcertificaat na

1.1.2045

lid 6, onder c6

Vluchtwegen niet door keukens

N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het binnenschipcertificaat na

1.1.2020

lid 6, onder d

Geen gangen met klimtreden, ladders e.d. in vluchtwegen

N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het binnenschipcertificaat na

1.1.2045

lid 7

Geschikt veiligheidsgeleidesysteem

N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het binnenschipcertificaat na

1.1.2015

lid 8

Eisen aan verzamelruimten

N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het binnenschipcertificaat na

1.1.2045

lid 9

Eisen aan trappen en portalen in het gedeelte voor passagiers

N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het binnenschipcertificaat na

1.1.2045

lid 10, onder a, 1e zin

Reling volgens de Europese norm

N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het binnenschipcertificaat na

1.1.2045

lid 10, onder a, 2e zin

Hoogte van relingen en verschansingen van dekken die door personen met beperkte mobiliteit worden gebruikt

N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het binnenschipcertificaat na

1.1.2045

lid 10, onder b, 2e zin

Vrije breedte van openingen die voor het embarkeren van personen met beperkte mobiliteit worden gebruikt

N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het binnenschipcertificaat na

1.1.2045

lid 13

Doorgangsruimten en wanden van doorgangsruimten die zijn bestemd voor het gebruik door personen met beperkte mobiliteit

N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het binnenschipcertificaat na

1.1.2045

lid 14, 1e zin

Vervaardiging van glazen deuren, glazen wanden en vensterruiten van doorgangsruimten

N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het binnenschipcertificaat na

1.1.2045

lid 15

Eisen aan opbouwen (of hun dak) die volledig uit panoramaruiten bestaan

N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het binnenschipcertificaat na

1.1.2045

lid 17, 2e zin

Eisen aan toiletten voor personen met beperkte mobiliteit

N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het binnenschipcertificaat na

1.1.2045

lid 18

Ventilatiesysteem voor hutten zonder vensters die geopend kunnen worden

N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het binnenschipcertificaat na

1.1.2045

lid 19

Eisen van artikel 15.06 aan ruimten waarin bemanning of boordpersoneel is ondergebracht

N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het binnenschipcertificaat na

1.1.2045

19.07

7

Eisen aan het voortstuwingssysteem

N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het binnenschipcertificaat na

1.1.2020

19.08

lid 3, onder a8

Eisen aan de alarminstallatie waarmee passagiers, bemanningsleden en leden van het boordpersoneel de leiding van het schip en de bemanning kunnen alarmeren

Voor schepen voor dagtochten geldt het voorschrift bij N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het binnenschipcertificaat na

1.1.2020

lid 6

Vast geïnstalleerd lenssysteem

N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het binnenschipcertificaat na

1.1.2015

19.10

lid 2

Art. 10.16, lid 3, geldt ook voor gangen en ruimten waar passagiers verblijven

N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het binnenschipcertificaat na

1.1.2015

lid 3

Voldoende noodverlichting

N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het binnenschipcertificaat na

1.1.2015

lid 4

Noodstroominstallatie

Voor schepen voor dagtochten met LWL van 25 m of minder, N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het binnenschipcertificaat na

1.1.2015

lid 4, onder f

Noodstroom voor schijnwerpers bedoeld in art. 13.02, lid 2, onder i

N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het binnenschipcertificaat na

1.1.2015

lid 4, onder i

Noodstroom voor liften en hefinrichtingen bedoeld in art. 19.06, lid 9, 2e zin

N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het binnenschipcertificaat na

1.1.2015

lid 6, 1e zin

Scheidingsvlakken bedoeld in art. 19.11, lid 2

N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het binnenschipcertificaat na

1.1.2015

lid 6, 2e en 3e zin

Inbouw van de kabels

N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het binnenschipcertificaat na

1.1.2015

lid 6, 4e zin

Noodstroominstallatie boven de indompelingsgrenslijn

N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het binnenschipcertificaat na

1.1.2015

19.11

lid 1

Technische geschiktheid op het gebied van brandbescherming van materialen en onderdelen

N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het binnenschipcertificaat na

1.1.2045

Voor de materialen en onderdelen die zijn goedgekeurd overeenkomstig de Internationale Code voor brandtestprocedures (FTP-Code) aangenomen bij resolutie MSC.61(67)9: N.V.O.

lid 2

Uitvoering van scheidingsvlakken

N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het binnenschipcertificaat na

1.1.2045

lid 3

In ruimten, met uitzondering van machinekamers en voorraadruimten, toegepaste oppervlakbehandeling en bedekking van dekken, evenals in volzin 2 bedoelde voorwerpen moeten moeilijk ontvlambaar zijn

N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het binnenschipcertificaat na

1.1.2015

lid 4

Plafonds en stofferingen van wanden van onbrandbaar materiaal

N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het binnenschipcertificaat na

1.1.2045

lid 5

Meubels en constructies in verzamelruimten van onbrandbaar materiaal

N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het binnenschipcertificaat na

1.1.2045

lid 6

Brandtestmethode volgens de Code

N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het binnenschipcertificaat na

1.1.2045

lid 7

Isolatiemateriaal in verblijfsruimten onbrandbaar

N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het binnenschipcertificaat na

1.1.2045

lid 9

Eisen aan deuren in scheidingsvlakken

N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het binnenschipcertificaat na

1.1.2045

lid 11

Scheidingsvlakken

N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het binnenschipcertificaat na

1.1.2045

lid 12

Tochtkleppen

N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het binnenschipcertificaat na

1.1.2045

lid 13

Traptreden van staal of een ander gelijkwaardig onbrandbaar materiaal

N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het binnenschipcertificaat na

1.1.2045

lid 14

Omgeven van inwendig gelegen trappen door wanden als bedoeld in het tweede lid

N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het binnenschipcertificaat na

1.1.2045

lid 15

Ventilatie- en airconditioningsystemen

N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het binnenschipcertificaat na

1.1.2045

lid 16

Ventilatiesystemen in keukens en keukenfornuizen met afzuiging

N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het binnenschipcertificaat na

1.1.2045

lid 17

Controleposten, trappenschachten, verzamelruimten en rookafzuiginrichtingen

N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het binnenschipcertificaat na

1.1.2045

19.12

lid 8, onder d

Plaatsing van de brandbluspompen

Beide pompen: N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het binnenschipcertificaat na

1.1.2035

lid 9

Brandblusinstallatie in machinekamers

N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het binnenschipcertificaat na

1.1.2015

19.14

lid 1

Verzameltanks voor afvalwater of zuiveringsinstallaties

Voor hotelschepen met niet meer dan 50 bedden en voor schepen voor dagtochten: N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het binnenschipcertificaat na

1.1.2045

lid 2

Eisen aan verzameltanks voor afvalwater

Voor hotelschepen met niet meer dan 50 bedden en voor schepen voor dagtochten met ten hoogste 50 passagiers: N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het binnenschipcertificaat na

1.1.2045

19.15

lid 1

Lekstabiliteit

N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het binnenschipcertificaat na

1.1.2045

HOOFDSTUK 21

21.01

lid 2

Speciale lieren of gelijkwaardige inrichtingen op het voor het duwen geschikte vaartuig

Het voorschrift geldt voor schepen die vóór 1.1.1995 zijn toegelaten om te duwen zonder eigen inrichting voor het spannen van kabels bij: N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het binnenschipcertificaat na

1.1.2035

lid 3, laatste zin

Eisen met betrekking tot aandrijvingen

N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het binnenschipcertificaat na

1.1.2035

HOOFDSTUK 22

22.02

lid 3

Aanvullende bepalingen

Dezelfde overgangsbepalingen zijn van kracht als de in de desbetreffende artikelen genoemde.

HOOFDSTUK 25

25.01

Toepassing van artikelen 7.01, lid 2, 8.05, lid 13, en 8.10

Voor zeeschepen die niet zijn bestemd voor het vervoer van goederen in de zin van het ADN en waarvan de kiel is gelegd vóór 1.10.1987: N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het binnenschipcertificaat na

1.1.2015

Toepassing van artikel 8.09, lid 2

N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het binnenschipcertificaat na

1.1.2010

HOOFDSTUK 26

26.01

Deze voorschriften gelden voor pleziervaartuigen die zijn gebouwd vóór 1.1.1995 pas bij N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het binnenschipcertificaat na

1.1.2035

- Buitenkanten van de dekken en de werkplekken, waarbij de valhoogte meer dan 1 m kan bedragen, zijn voorzien van een verschansing of den van elk ten minste 0,70 m hoogte of van relingen die voldoen aan de Europese norm EN 711 : 1995, die bestaan uit een handreling een tussenroede op kniehoogte en een voetlijst.

- Bij gangboorden moet een voetlijst en een doorlopende handreling aan de denneboom zijn aangebracht. De handreling aan de dennenboom kan achterwege worden gelaten, indien het gangboord voorzien is van een niet neerklapbare reling.

Bij vernieuwingswerkzaamheden, het gehele laadruim omvattend, is artikel 14.04 van toepassing. Bij een verbouwing, die de totale lengte van de gangboorden omvat en waardoor de vrije breedte van het gangboord wordt gewijzigd:

a) is artikel 14.04 van toepassing, indien de vóór de verbouwing beschikbare vrije breedte van het gangboord tot een hoogte van 0,90 m, of de vrije breedte daarboven, moet worden verminderd;

b) mag de vóór de verbouwing beschikbare vrije breedte van het gangboord tot een hoogte van 0,90 m, of de vrije breedte daarboven, niet worden verminderd, indien deze afmetingen kleiner zijn dan die bedoeld in artikel 14.04.