Bijlage 7 Regeling voorzieningenplanning vo 2018: bij de Regeling voorzieningenplanning vo 2018
Regeling voorzieningenplanning vo 2018
De vorming van een nieuwe nevenvestiging of de verplaatsing van (een deel van het onderwijsaanbod op) een vestiging leiden in het algemeen tot wijziging van de leerlingstromen. Dat geldt ook voor de toevoeging van afsluitend onderwijs op een bestaande vestiging (als gevolg van een aanvraag ex artikel 74b, eerste lid, onderdeel e, WVO) met onderwijs dat al mag worden verzorgd op een reeds bestaande vestiging van de school op een afstand van hemelsbreed meer dan 3 km. De reden daarvoor is dat de afstand tussen het woonadres van een leerling en de (vestiging van een) school een van de belangrijkste motieven vormt bij de schoolkeuze. Met andere woorden: leerlingen van een bestaande school kiezen wellicht voor een nieuwe (vestiging van een) school – met dezelfde schoolsoort(en) – als die laatste school dichter bij hun woonadres gelegen is. Voor de bestaande school levert de nieuwe vestiging of uitbreiding van het onderwijsaanbod mogelijk leerlingverlies op. Een nieuwe nevenvestiging, verplaatsing van (deel van het onderwijsaanbod op) een vestiging over hemelsbreed gemeten een afstand van 3 kilometer of meer of uitbreiding van het onderwijsaanbod komen tot stand in een regionaal plan onderwijsvoorzieningen (RPO). Het bevoegd gezag van de mogelijk benadeelde school die niet deelneemt aan het RPO, kan zijn bedenkingen tegen de voorgenomen nieuwe onderwijsvoorziening kenbaar maken (zie artikel 74c van de WVO). Het voornoemde bevoegd gezag moet het leerlingverlies aantonen. Bedraagt het leerlingverlies meer dan 10%, dan wordt de aanvraag voor de nieuwe voorziening in het RPO door de minister afgewezen, tenzij het bewuste bestuur heeft verklaard met het leerlingverlies in te stemmen. De minister zal de geuite bedenkingen pas meewegen in zijn besluit als het adres van de nieuwe nevenvestiging of van de verplaatste vestiging vaststaat. Zo lang dat niet het geval is, kan een exacte verliesberekening immers niet plaats vinden. Overigens behoeven verplaatsing van een (deel van het
- • Onderbouw: voor vbo en mavo de eerste twee leerjaren en voor havo en vwo de eerste drie leerjaren;
- • Bovenbouw: de overige leerjaren van vbo, mavo, havo en vwo.
- 1. Het leerlingverlies eerst in absolute aantallen per schoolsoort voor de bovenbouw berekenen (volgens de kortste afstand, zie toelichting hierboven).
- 2. De absolute aantallen per schoolsoort uitdrukken in een percentage van het totaal aantal leerlingen van de betreffende schoolsoort(en) in de bovenbouw.
- 3. Het leerlingverliespercentage van de bovenbouw gelijkstellen aan dat van de onderbouw. In geval van een of meer gemeenschappelijke leerjaren met een of meer schoolsoorten waarvoor het leerlingverlies wordt berekend.
- 4. Het leerlingverliespercentage voor de onderbouw uitdrukken in een absoluut aantal leerlingen, in twee stappen, te weten: In geval van zelfstandige leerjaren in de onderbouw.
- a. Het aantal leerlingen van een schoolsoort in de onderbouw berekenen volgens de verhouding van het aantal leerlingen van die schoolsoort in de bovenbouw ten opzichte van de aantallen leerlingen van de andere schoolsoorten in de bovenbouw.
- b. Het volgens a berekende aantal leerlingen van een schoolsoort vermenigvuldigen met het verliespercentage conform de bovenbouw.
- 5. De leerlingen van de betreffende schoolsoort(en) in de onderbouw vermenigvuldigen met het percentage leerlingverlies in de bovenbouw (uitkomst stap 2). Vervolgens voor beide situaties.
- 6. Het absolute leerlingverlies per schoolsoort voor de onderbouw en de bovenbouw optellen.
- 7. Het totaal aantal leerlingen van onder- en bovenbouw dat het verlies vormt, tot slot uitdrukken in een percentage ten opzichte van het totaal aantal leerlingen van de bestaande (vestiging van de) school.
- A. In geval van een of meer gemeenschappelijke leerjaren met een of meer schoolsoorten waarvoor het leerlingverlies wordt berekend:
- 1. Stappen 1 tot en met 4 conform onderdeel b hierboven.
- 2. Het absolute leerlingverlies in de gemeenschappelijke leerjaren en in de zelfstandige leerjaren van de onderbouw optellen.
- 3. Het totaal aantal leerlingen van de onderbouw dat het verlies vormt, tot slot uitdrukken in een percentage ten opzichte van het totaal aantal leerlingen van de bestaande (vestiging van de) school.
- B. In geval van zelfstandige leerjaren in de onderbouw waarvoor het leerlingverlies wordt berekend of in geval van een categorale bestaande school:
- 1. Het leerlingverlies per schoolsoort voor de onderbouw berekenen (volgens de kortste afstand, zie hierboven);
- 2. Het aantal leerlingen van stap 1 uitdrukken in een percentage ten opzichte van het totaal aantal leerlingen van de bestaande (vestiging van de) school.