Bijlage 7 ANVS-verordening basisveiligheidsnormen stralingsbescherming: behorend bij artikel 4.30, tests voor aanwijsinstrumenten
ANVS-verordening basisveiligheidsnormen stralingsbescherming
Controle van de constructie na de vervaardiging van aanwijsinstrumenten die voor verlichtingsdoeleinden radioactieve stoffen bevatten. De tests kunnen worden uitgevoerd op onderdelen van de aanwijsinstrumenten. Ze worden echter zo mogelijk met het gehele aanwijsinstrument verricht. Tests worden verricht op prototypen van elke partij aanwijsinstrumenten met het doel te bepalen of de samenstelling van de radioactieve verf, het gebruikte materiaal en de gebruikte fabricagemethode zodanig zijn dat de onderdelen van het aanwijsinstrument en het gehele aanwijsinstrument voldoen aan de voorgeschreven normen. Prototype-tests worden uitgevoerd op een geschikt monster. De test omvat: Gedurende de vervaardiging van aanwijsinstrumenten, waarvan de prototypen zijn getest als beschreven onder II, wordt gecontroleerd of de aanwijsinstrumenten en onderdelen daarvan overeenkomen met die welke als prototype zijn getest. Deze controle omvat in ieder geval een volledig visueel onderzoek van elk aanwijsinstrument op barsten of schilferen van de radioactieve stoffen bevattende verf, onvolkomenheden in het doorzichtige deel van het omhulsel van het aanwijsinstrument en de aanwezigheid van waarschuwings- en merktekens, indien deze zijn vereist. Treedt in werking op het tijdstip waarop het Besluit basisveiligheidsnormen stralingsbescherming in werking treedt.
- 1. Het vaststellen van het gebruikte radionuclide en de activiteit daarvan en indien relevant van het merk- of waarschuwingsteken als bedoeld in artikel 4.24, eerste lid onderdeel e, van het besluit (zie bijlage 8 van deze verordening). Volgens een daartoe geëigende methode wordt de gebruikte radioactieve stof vastgesteld. Een certificaat terzake van de producent van de radioactieve verf is hiervoor voldoende.
- a. Door passende metingen wordt de activiteit van het gebruikte radioactieve stof vastgesteld.
- b. De aanwezigheid van eventueel vereiste merktekens wordt door visuele controle vastgesteld (T 1 GBq voor H-3 in lichtcellen en Pm 10 MBq voor Pm-147 in lichtgevende verf).
- c. De vereiste merktekens dienen met het blote oog vanaf de buitenzijde van het aanwijsinstrument herkenbaar te zijn.
- 2. Het testen van de constructie:
- a. De aanhechting van de radioactieve stoffen bevattende verf aan de wijzerplaat wordt getest door de wijzerplaat te bevestigen aan een trillingsapparaat en de wijzerplaat gedurende ten minste een uur te laten trillen met een frequentie tussen 20 en 30 trillingen per seconde en een trillingsversnelling van niet minder dan 2 g.
- b. Wijzers worden gebogen over een cilinder van 2,5 cm doorsnede. Indien de lengte van de wijzers meer bedraagt dan 1,5 cm, kan een cilinder met een grotere diameter worden gebruikt, maar deze diameter mag nooit langer zijn dan de lengte van de wijzer. Indien wegens de constructie van het aanwijsinstrument geen buigtest kan worden uitgevoerd, wordt een triltest uitgevoerd op dezelfde wijze als onder a is beschreven.
- c. Na uitvoering van de onder a en b beschreven tests wordt de aanhechting van de radioactieve verf op de geteste onderdelen onderzocht, bijvoorbeeld door middel van ultraviolette straling of door meting van de activiteit. Er mag geen verlies van activiteit van betekenis zijn opgetreden.