Bijlage I Toezichtbeleidsbrief erkenninghouders RDW 2017
Toezichtbeleidsbrief erkenninghouders RDW 2017
Toezichtbeleidsbrief Hoofdstuk 1 – Toelichting op de Toezichtbeleidsbrief 2 1.1 Toelichting 2 1.2 Indeling 2 1.3 Titel 3 1.4 Erkenningen en bevoegdheden 3 1.5 Meerdere erkenningen en bevoegdheden 3 Hoofdstuk 2 – Positie van de RDW 3 2.1 Basis van het toezicht 3 2.2 Wijze van toezicht houden 4 2.3 Frequentie van het toezicht 4 Hoofdstuk 3 – Positie van de erkenninghouder 4 3.1 Verplichtingen voor de erkenninghouder 4 3.1.1 Meewerken aan het toezicht 4 3.1.2 Documentatie 4 3.1.3 Voeren van en inleveren erkenningsschild/verwijderen sticker(s) 4 3.1.4 Financiële verplichting 5 3.1.5 Instrueren van uw personeel 5 3.1.6 Bewaarplicht stukken, bewaartermijn en -plaats 5 3.1.7 Verplichting verstrekken tellerstand 5 3.2 Maatregelen 5 3.2.1 Schorsing 5 3.2.2 Verscherpt toezicht 5 3.2.3 Wachttijd bij intrekking 5 Hoofdstuk 4 – Overtredingen en sancties 6 4.1 Vaststellen van een overtreding 5 4.2 Zienswijze 6 4.3 Ingangsdatum 6 4.4 Verjaringstermijn 6 4.5 Categorisering overtredingen en stroomschema 6 4.6 Soorten sancties 7 Hoofdstuk 5 – Bezwaar en beroep 7 5.1 Bezwaar 7 5.1.1 Hoorzitting 7 5.1.2 Waarschuwing 7 5.1.3 Opschorten 7 5.2 Beroep 8 5.3 Voorlopige voorziening 8 Stroomschema sancties overtreding erkenning/bevoegdheid 9 Dit is het Algemeen Deel van de Toezichtbeleidsbrief Erkenninghouders RDW. Als erkenninghouder bent u gerechtigd een aantal taken uit te voeren namens de RDW. Het uitvoeren van deze taken kent een grote verantwoordelijkheid. De RDW houdt hier toezicht op. Hoe en waarom de RDW toezicht houdt, is vastgelegd in het toezichtbeleid. U vindt hier de regels die voor iedere erkenning gelden. Het Algemeen Deel van de Toezichtbeleidsbrief bevat algemene informatie voor iedere erkenninghouder, terwijl de bijlagen specifieke informatie bevatten over de afzonderlijke erkenningen. Voor het toezichtbeleid dat bij uw erkenning(en) hoort, leest u het Algemeen Deel van de Toezichtbeleidsbrief én de bijlage(n) bij uw erkenning(en). Het Algemeen Deel is niet van toepassing o
- − erkenning APK;
- − erkenning tachografen;
- − erkenning gasinstallaties;
- − erkenningsregeling boordcomputer taxi's (BCT);
- − de erkenningsregeling tenaamstelling
- − erkenning Export Dienstverlening;
- − erkenning bedrijfsvoorraad (met als mogelijke onderdelen):
- ○ bevoegdheid Online Registratie Export Handelaren (OREH);
- ○ bevoegdheid Online Registratie Auto Demontage (ORAD);
- ○ bevoegdheid Tenaamstelling Voertuigbedrijf (TV);
- ○ deelnemer handelaarskentekenregeling;
- − bevoegdheid Aanvraag tot het versneld inschrijven van voertuigen zonder/met afzonderlijk onderzoek (Versnelde Inschrijving (VI));
- − erkenning kentekenplaatfabrikant en/of lamineerder (GAIK);
- − bevoegdheid APK-keurmeester.
- – een steekproef na een melding door middel van datacommunicatie tussen de RDW en de erkenninghouder, of een steekproef op andere wijze;
- – een periodiek controlebezoek (de frequentie van het periodieke toezicht is per erkenning verschillend en wordt per bijlage aangegeven);
- – administratieve / registercontrole;
- – een externe melding van bijvoorbeeld de Belastingdienst, een voertuigeigenaar of de politie.
- – tijdens een controlebezoek;
- – tijdens een steekproefcontrole;
- – door een administratieve / registercontrole;
- – door de politie;
- – door een klacht;
- – door de douane;
- – door de Belastingdienst.
- a. Voorafgaand aan het technische deel van de keuring van het voertuig wordt gecontroleerd of het voertuig overeenstemt met de voertuiggegevens (kenteken, VIN, en datum eerste toelating) in het kentekenregister. Indien het VIN van het voertuig niet leesbaar is of niet overeenstemt met het VIN in het kentekenregister, dan mag geen keuring worden verricht en moet de klant doorverwezen worden naar de RDW. Let op! Bij taxi’s en OV-auto’s moet het goedkeuringsdocument die bij het kentekenbewijs hoort aanwezig zijn bij het voertuig. Bij voertuigen met een GN-, BN-, CD- of CDJ-of ZZ kenteken, moet het kentekenbewijs aanwezig zijn.
- b. De technische keuring van het voertuig wordt door de keurmeester uitgevoerd, zo nodig met roetmeting.
- c. Na afloop van het technische deel van de keuring wordt, overgegaan tot het afmelden van het resultaat van de keuring van dat voertuig (check kenteken)
- 1. de afkeurmelding, of
- 2. goedkeur na reparatie, of;
- 3. de goedkeurmelding met de eventuele adviespunten en reparatieadviespunten.
- d. In alle gevallen, dus ook bij afkeur, wordt het keuringsrapport ingevuld.
- e. Na controle van de juistheid en volledigheid van het keuringsrapport wordt dit door de keurmeester zelf handmatig ondertekend.
- a. de desbetreffende keurmeester verplicht in de keuringsplaats aanwezig moet zijn en blijven. Ook het keuringsrapport moet u onder u houden. Het kentekenbewijs hoeft, met uitzondering van de gevallen vermeld onder 3.1. onder a niet aanwezig te zijn bij de keuring en steekproef. Naast de aanwezigheid van de keurmeester die het voertuig heeft gekeurd en het keuringsrapport heeft ondertekend, betekent dit dat deze keurmeester meteen assistentie verleent. De steekproefcontroleur moet uiterlijk binnen 15 minuten na aankomst met de uitvoering van het technische gedeelte van de steekproef kunnen beginnen. Deze periode van 15 minuten is uitdrukkelijk niet bedoeld om de keurmeester van elders, buiten de keuringsplaats, te (laten) komen.
- b. het voertuig, ongeacht wiens eigendom het is, aanwezig moet zijn en blijven in de keuringsplaats. Heeft u een mobiele erkenning APK, dan geldt dat ook de mobiele keuringseenheid bij de steekproef aanwezig moet zijn en blijven. U moet al het mogelijke doen om te voorkomen dat het gekeurde voertuig de keuringsplaats verlaat. U doet dit bijvoorbeeld door uw klanten goed te informeren over de steekproef, hen niet op de keuring te laten wachten, hen vervangend vervoer aan te bieden of hen weg te laten brengen. In ieder geval moet u de aanvrager voorafgaand aan de keuring duidelijk maken dat de mogelijkheid bestaat dat zijn voertuig in de steekproef valt.
- c. u de keuringsruimte en deugdelijk functionerende apparatuur ter beschikking moet stellen. Let er bij het afmelden goed op dat de herkeuring volledig kan worden uitgevoerd: als de weersomstandigheden al bij het afmelden zodanig slecht zijn dat een volledige herkeuring niet (meer) mogelijk is geldt dit als een overtreding die wordt gesanctioneerd
- – geef geen keuringsrapport af;
- – wijs de klant er op dat de goedkeuring vervalt, en
- – meldt dit dan direct telefonisch bij het ACN kantoor te Zwolle van de RDW en niet pas bij aankomst van de steekproefcontroleur.
- – Boekwerk Regelgeving APK;
- – Nederlandstalige handleidingen en certificaten van de vereiste meetmiddelen;
- – het meest recente erkenningsbesluit.
- – de pincode van de keurmeester is persoonlijk;
- – de APK-keuring moet door een bevoegd keurmeester worden gedaan;
- – de keurmeester is degene die de APK-keuring afmeldt;
- – zowel de APK-goedkeur als de APK-afkeur moet worden afgemeld;
- – er mag niet worden gesleuteld in quarantainetijd;
- – de aanwijzingen van de RDW medewerker moeten worden opgevolgd;
- – het voertuig, de keurmeester en het keuringsrapport moeten aanwezig zijn tijdens een steekproefcontrole;
- – bij een mobiele erkenning moet ook de mobiele keuringseenheid aanwezig zijn.
- – de transactiecode die u krijgt direct na de afmelding;
- – directe of dagelijkse controle van het register;
- – het zogenaamde raadpleegscherm voor afmeldingen; of
- – de maandelijkse controle van de rekening van de provider waarbij u afmeldt.
- – goedkeuringsdocument van Taxi / OV auto of kentekenbewijs, BN-, GN-, CD-, CDJ-of ZZ voertuig ontbreekt
- – ingeslagen VIN in het voertuig komt niet overeen met het VIN in het kentekenregister
- – niet vooraf doorgeven van wijzigingen ten aanzien van de erkenning
- – tijdens de steekproef defecte apparatuur
- – niet ondertekenen steekproefcontrolerapport
- – geen
- – keuren en afmelden van een voertuig buiten de erkenning
- – keuren en afmelden van een voertuig, terwijl de minimaal vereiste hefhoogte van de hefinrichting niet wordt bereikt
- – sleutelen in quarantainetijd
- – geen of onvoldoende medewerking verlenen, zoals:
- • voertuig en/of mobiele eenheid niet aanwezig;
- • keurmeester niet aanwezig;
- • het niet ter beschikking stellen van de vereiste apparatuur;
- • zonder toestemming van de RDW medewerker wijzigingen aanbrengen of aan laten brengen aan het voertuig.
- – onbevoegd gebruik van pincode
- – gebruik maken van niet-geijkte apparatuur
- – onbevoegde ondertekening van een keuringsrapport
- – kwaliteit toepassing keuringseisen op basis van de Regeling Cusumsysteem Erkenninghouder APK 2017:
- • cusumstand 12 wordt bereikt of overschreden;
- • één afzonderlijke cusumbijdrage van 10 of hoger;
- • apert onveilig voertuig
- – het niet volledig uitvoeren van een keuring
- – fraude
- – kwaliteit toepassing keuringseisen op basis van de Regeling Cusumsysteem Erkenninghouder APK 2017:
- • één afzonderlijke cusumbijdrage van 25 of hoger
- – ondermijning van het toezicht, zoals:
- • verbaal en/of fysiek geweld of dreiging daarmee
- • niet verlenen van toegang tot de keuringsruimte
- • intimidatie
- 1. onder de hefinrichting of in de inspectieput, met daarop een voertuig, wordt op 1 meter afstand van het voertuig aan alle zijden van het voertuig de lichtsterkte gemeten (hierbij wordt de lichtcel naar de lichtbron gehouden);
- 2. aan beide zijden van de voor- en achterzijde van het voertuig wordt de lichtsterkte gemeten op 1 meter afstand (hierbij wordt de luxmeter op 1 meter hoogte gehouden en wordt de lichtcel van de luxmeter naar het voertuig gericht);
- 3. de gemiddelde waarde van deze vier metingen moet minimaal 300 lux bedragen.
- – De afrijbeveiliging werkt volledig als een voertuig op de hefinrichting staat. Dit geldt voor zowel de voorzijde als de achterzijde van het voertuig. De afrijbeveiliging mag niet zijn verwijderd.
- – De hefinrichting moet zijn voorzien van een goed werkende valbeveiliging.
- – De bediening en beveiliging van de hefinrichting verkeren in goede staat en werken op de correcte wijze.
- – De elektrische installatie aan de hefinrichting vertoont geen gebreken.
- – De hefkabels zijn onbeschadigd.
- – De hydraulische onderdelen lekken niet.
- – De hefinrichting is aan alle zijden toegankelijk. De vrije ruimte rondom de hefinrichting is minimaal 0,5 meter. De eventueel aanwezige oprijplaten worden bij de beoordeling van de vrije ruimte buiten beschouwing gelaten.
- – De hefinrichting is voorzien van voldoende verlichting. De verlichting van de hefinrichting moet voldoen aan onderstaande eisen:
- ○ De verlichtingsarmaturen mogen niet beschadigd zijn en moeten zijn voorzien van beschermkappen.
- ○ De hefinrichting is gelijkmatig verlicht waarbij de gemiddelde lichtopbrengst onder de inrichting minimaal 200 lux bedraagt. De lichtopbrengst wordt bepaald door visuele controle. In geval van twijfel wordt de lichtopbrengst vastgesteld door het uitvoeren van een lichtmeting. De lichtmeting wordt uitgevoerd met een luxmeter. Dit gebeurt als volgt:
- 1. midden op de hefinrichting wordt een voertuig geplaatst;
- 2. bij ieder wiel wordt de lichtsterkte gemeten, daarbij wordt de lichtcel van de luxmeter naar het midden van de hefinrichting gericht;
- 3. de gemiddelde waarde van deze metingen dient minimaal 200 lux te bedragen.
- − De inspectieput is vrij toegankelijk:
- ○ Voor voertuigen waarvan de toegestane maximum massa meer is dan 3.500 kg moet, indien een voertuig op de inspectieput staat, minimaal één uitgang vrij toegankelijk zijn. Er moet minimaal 1 meter vrije ruimte aanwezig zijn.
- ○ Voor voertuigen waarvan de toegestane maximum massa niet meer is dan 3.500 kg moet, indien een voertuig op de inspectieput staat, een vrije ruimte aan de voor- of achterzijde van het voertuig van minimaal 1 meter aanwezig zijn. (dit betekent voertuiglengte plus 1 meter)
- ○ De uitgangen dienen te allen tijde vrij van obstakels en toegankelijk te zijn.
- ○ De inspectieput is toegankelijk door middel van een vaste trap of een vast klimijzer.
- − In de inspectieput is geen water en/of andere vloeistof aanwezig.
- − De elektrische installatie in de inspectieput vertoont geen gebreken. Deze is zodanig uitgevoerd dat de afzuiginstallatie minstens 30 seconden in werking is voordat de verlichting kan worden ingeschakeld of een ander punt onder spanning wordt gebracht.
- − De inspectieput is voorzien van een mechanische afzuiginstallatie waarmee dampen (bijvoorbeeld LPG of benzine) doeltreffend worden afgezogen. Daartoe dient:
- • aan beide zijden van de inspectieput afzuigkanalen te zijn aangebracht waarin gelijkmatig verdeeld over de lengte, afzuigopeningen aanwezig zijn;
- • de capaciteit van de afzuiginstallatie per minuut ten minste één kubieke meter lucht per vierkante meter inspectieput te bedragen;
- • de verbinding met de buitenlucht te bestaan uit een onbrandbare buisleiding met een inwendige diameter van minimaal 150 mm;
- • de ventilatormotor van de afzuiginstallatie zich buiten de luchtstroom te bevinden of explosieveilig uitgevoerd te worden;
- • de afvoergassen minstens 1 meter boven het dak van de keuringsinrichting te worden afgevoerd, buiten de nabijheid van ramen en deuren.
- − De inspectieput is voorzien van voldoende verlichting. De verlichting van de inspectieput moet voldoen aan onderstaande eisen:
- ○ De verlichtingsarmaturen mogen niet beschadigd zijn en moeten zijn voorzien van beschermkappen.
- ○ De inspectieput is gelijkmatig verlicht waarbij de gemiddelde lichtopbrengst onder de inrichting minimaal 200 lux bedraagt. De lichtopbrengst wordt bepaald door visuele controle. Bij twijfel wordt de lichtopbrengst vastgesteld door middel van een lichtmeting. De lichtmeting wordt uitgevoerd met een luxmeter, op de volgende wijze:
- 1. midden op de inspectieput wordt een voertuig geplaatst;
- 2. bij ieder wiel wordt de lichtsterkte gemeten; daarbij wordt de lichtcel van de luxmeter naar het midden van de inspectieput gericht;
- 3. de gemiddelde waarde van deze metingen dient minimaal 200 lux te bedragen.
- a. de voet, de zuil, het vizier, de verstelinrichtingen en de optiekkast waaronder de lens en het projectievlak niet dusdanig zijn beschadigd dat de werking van het apparaat beïnvloed wordt;
- b. de verstelinrichtingen spelingvrij zijn en werken zoals oorspronkelijk bedoeld is;
- c. de koplamptester op rails is gemaakt, moeten de rails aanwezig zijn en niet dusdanig beschadigd zijn dat de werking van het apparaat beïnvloed wordt;
- d. de optiekkast waterpas gemonteerd is ten opzichte van de voet, dan wel de optiekkast waterpas te stellen is ten opzichte van de voet.
- a. Voorafgaand aan het onderzoek moet eerst een manipulatiecheck worden uitgevoerd. Bij vaststelling van manipulatie moet dit bij de Dienst Wegverkeer gemeld worden door middel van het manipulatiemeldingsformulier. De installatie, de onderzoekkalibratie worden uitgevoerd door een tachograaftechnicus met gebruik van de vereiste apparatuur en gereedschappen. Daarna verzegelt de tachograaftechnicus het controleapparaat en onderwerpt hij het voertuig waar deze is geïnstalleerd aan een korte rijproef.
- b. Van iedere inbouw en onderzoek worden de gegevens vastgelegd op een registerkaart.
- c. Na installatie of onderzoek wordt het voertuig door de tachograaftechnicus met pas en pin via datacommunicatie afgemeld bij de RDW.
- d. Na installatie of onderzoek wordt een installatieplaatje met onuitwisbare gegevens op het voertuig aangebracht. Dit moet in de nabijheid van het controleapparaat worden bevestigd op een vast voertuigonderdeel, op een goed waarneembare plek in de bestuurdersruimte. Het bedoelde installatieplaatje wordt niet eerder aangebracht dan nadat is vastgesteld dat het controleapparaat goed is afgesteld en verzegeld en door de Dienst Wegverkeer is medegedeeld dat:
- • de in artikel 36 bedoelde melding niet leidt tot een steekproefsgewijze controle van de installatie of het onderzoek door de Dienst Wegverkeer; of
- • de melding leidt tot een steekproefsgewijze controle van de installatie of het onderzoek, maar dat deze controle niet binnen 90 minuten na de melding wordt begonnen; dan wel
- • de melding leidt tot een steekproefsgewijze controle van de installatie of het onderzoek en deze controle heeft geleid tot een goedkeuring van de betreffende werkzaamheden.
- − het gebruik van de werkplaatskaarten en pincodes is persoonsgebonden;
- − alleen de tachograaftechnicus mag een controleapparaat installeren, onderzoeken, repareren of kalibreren;
- − afmelden mag alleen door de tachograaftechnicus worden gedaan;
- − het voertuig, het diploma of scholingsbewijs en de werkplaatskaart moeten aanwezig zijn bij een steekproef;
- − de tachograaftechnicus moet aan de steekproef feitelijk assistentie verlenen.
- – tijdens de steekproef defecte apparatuur
- – gegevens in het register of op registerkaart niet volledig of juist vastgelegd
- – niet vooraf doorgeven van wijzigingen ten aanzien van de erkenning
- – niet kunnen tonen certificaat van undownloadability of manipulatiemeldingsformulier
- – niet aanwezig zijn van de testschijf bij de registerkaart
- – beheer werkplaatskaarten niet op orde
- – voorgeschreven apparatuur niet gebruikt
- – kwaliteit ten aanzien van de installatie eisen op basis van de Regeling Cusumsysteem tachografen 2017:
- • cusumstand van 12 wordt bereikt of overschreden;
- • één afzonderlijke cusumbijdrage van 10 of hoger
- • een apert onjuiste inbouw of onderzoek
- – sleutelen in quarantainetijd
- – geen of onvoldoende medewerking verlenen tijdens een steekproef:
- • voertuig en/of mobiele installatie-eenheid niet aanwezig;
- • tachograaftechnicus niet aanwezig bij de steekproefcontrole;
- • vereiste apparatuur niet ter beschikking gesteld
- – voertuig / kalibratie niet afgemeld
- – werkplaatskaart niet aanwezig
- – installatie door onbevoegde persoon
- – onbevoegd gebruik van de werkplaatskaart, bevoegdheidspas en/of pincode
- – onterecht of niet afgeven certificate van undownloadability
- – onvolledige installatie, onderzoek of reparatie uitgevoerd (niet conform 165/2014)
- – niet downloaden massageheugen van een DTCO
- – vastgestelde manipulatie niet gemeld.
- – kwaliteit ten aanzien van de installatie eisen op basis van de Regeling Cusumsyteem tachografen 2017: één afzonderlijke cusumbijdrage van 25 of hoger
- – ondermijning van het toezicht, zoals:
- • verbaal en/of fysiek geweld of dreiging daarmee;
- • niet verlenen van toegang tot de werkplaats;
- • intimidatie.
- a. Voorafgaand aan het technische deel van de keuring van het voertuig wordt gecontroleerd of het voertuig overeenstemt met de voertuiggegevens (kenteken, VIN, en datum eerste toelating) in het kentekenregister. Indien het VIN van het voertuig niet leesbaar is of niet overeenstemt met het VIN in het kentekenregister, dan mag geen keuring worden verricht en moet de klant doorverwezen worden naar de RDW;
- b. Controle op lekkage;
- c. De LPG- technicus keurt de LPG-gasinstallaties met behulp van de voorgeschreven apparatuur;
- d. Na afloop van het van de keuring wordt overgegaan tot het afmelden van de goedkeuring van de LPG-gasinstallatie;
- e. de LPG-technicus vult de opnamekaart gasinstallatie in en ondertekent deze.
- d. de desbetreffende LPG technicus verplicht in de werkplaats aanwezig moet zijn en blijven. Naast de aanwezigheid van de desbetreffende LPG technicus die het voertuig heeft gekeurd en de opnamekaart gasinstallaties heeft ondertekend, betekent dit dat deze LPG-technicus meteen feitelijke assistentie verleent. De steekproefcontroleur moet uiterlijk binnen 15 minuten na aankomst met de uitvoering van de steekproef kunnen beginnen. Deze periode van 15 minuten is uitdrukkelijk niet bedoeld om de LPG- technicus van elders, buiten de werkplaats, te (laten) komen.
- e. het voertuig aanwezig moet zijn en blijven in de werkplaats. U moet al het mogelijke doen om te voorkomen dat het voertuig met de gekeurde gasinstallatie de werkplaats verlaat. U doet dit bijvoorbeeld door uw klanten goed te informeren over de steekproef, hen niet op de keuring te laten wachten, hen vervangend vervoer aan te bieden of hen weg te laten brengen. In ieder geval moet u de aanvrager voorafgaand aan de keuring duidelijk maken dat de mogelijkheid bestaat dat zijn voertuig in de steekproef valt.
- f. Na de mededeling dat het voertuig in de steekproef valt moet u de werkplaats en deugdelijk functionerende apparatuur ter beschikking stellen.
- – geef geen opnamekaart gasinstallatie af;
- – wijs de klant er op dat de goedkeuring vervalt, en
- – meldt dit dan direct telefonisch bij het ACN kantoor te Zwolle van de RDW en niet pas bij aankomst van de steekproefcontroleur
- – De eventuele aanwezigheid van het kentekenbewijs vormt een aanwijzing dat het voertuig aanwezig is geweest in de werkplaats, maar maakt de overtreding niet ongedaan en vormt evenmin een bijzonder feit of omstandigheid.
- – Boekwerk Regelgeving keuring gasinstallatie;
- – Nederlandstalige handleidingen en certificaten van de vereiste meetmiddelen;
- – het meest recente erkenningsbesluit.
- – de pincode van de LPG technicus is persoonlijk;
- – de keuring van de gasinstallatie moet door een bevoegd LPG technicus worden gedaan;
- – de LPG technicus is degene die de keuring afmeldt;
- – er mag niet worden gesleuteld in quarantainetijd;
- – de aanwijzingen van de RDW medewerker moeten worden opgevolgd;
- – het voertuig, de LPG technicus en de opnamekaart gasinstallatie moeten aanwezig zijn tijdens een steekproefcontrole.
- – de afschriften van de opnamekaarten gasinstallaties;
- – de steekproefcontrolerapporten;
- – als het een keuring van een VN/ECE-reglement 115-installatie betreft, de inbouwhandleiding of de verwijzing ernaar.
- – de transactiecode die u krijgt direct na de afmelding;
- – directe of dagelijkse controle van het register;
- – het zogenaamde raadpleegscherm voor afmeldingen
- – niet vooraf doorgeven van wijzigingen met betrekking tot de erkenning;
- – tijdens de steekproef defecte apparatuur.
- – geen of onvoldoende medewerking verlenen, zoals:
- • voertuig niet aanwezig;
- • LPG technicus niet aanwezig;
- • het niet ter beschikking stellen van de vereiste apparatuur
- – onbevoegd gebruik van pincode
- – gebruik maken van niet-geijkte apparatuur
- – onbevoegde ondertekening van een opnamekaart gasinstallatie
- – kwaliteit toepassing keuringseisen op basis van de Regeling Cusumsysteem Erkenninghouder Gasinstallaties 2017: