Bijlage III Regeling veiligheid primaire waterkeringen 2017: voorschriften bepaling sterkte en veiligheid primaire waterkeringen (bijlage bij artikel 3 van de Regeling veiligheid primaire waterkeringen 2017)
Regeling veiligheid primaire waterkeringen 2017
Uitgegeven door Ministerie van Infrastructuur en Milieu Informatie Helpdesk Water http://www.helpdeskwater.nl/onderwerpen/waterveiligheid/primaire/beoordelen-(wbi)/ Uitgevoerd door Rijkswaterstaat, Water Verkeer en Leefomgeving 1 Inleiding 87 1.1 Inleiding 87 1.2 Gehanteerde begrippen 87 1.3 Leeswijzer 88 2 Toetssporen 88 2.1 Overzicht toetssporen 88 2.2 Eenvoudige toets 90 2.3 Gedetailleerde toets per vak 90 2.4 Gedetailleerde toets per traject 93 2.5 Toets op maat 93 2.6 Toetsoordeel: indeling in categorieën 94 2.6.1 Categorieën voor het toetsoordeel per vak per toetsspoor 94 2.6.2 Categorieën toetsoordeel per traject 95 2.6.3 Toekenning van een categorie op basis van de bepaalde faalkans 96 3 Hydraulische en overige belastingen 96 3.1 Hydraulische belastingen 96 3.2 Overige belastingen 96 4 Algemeen proces van schematiseren 98 4.1 Stappenplan schematisering 98 5 Macrostabiliteit binnenwaarts (STBI) 99 5.1 Eenvoudige toets 99 5.2 Gedetailleerde toets per vak 101 5.3 Gedetailleerde toets per traject 103 5.4 Toets op maat 103 6 Macrostabiliteit buitenwaarts (STBU) 103 6.1 Eenvoudige toets 104 6.2 Gedetailleerde toets per vak 105 6.3 Toets op maat 107 7 Piping (STPH) 107 7.1 Eenvoudige toets 107 7.2 Gedetailleerde toets per vak 111 7.3 Gedetailleerde toets per traject 114 7.4 Toets op maat 114 8 Microstabiliteit (STMI) 115 8.1 Eenvoudige toets 115 8.2 Gedetailleerde toets per vak 115 8.3 Toets op maat 117 9 Golfklappen op asfaltbekleding (AGK) 117 9.1 Eenvoudige toets 117 9.2 Gedetailleerde toets per vak 118 9.3 Toets op maat 121 10 Wateroverdruk bij asfaltbekleding (AWO) 121 10.1 Eenvoudige toets 121 10.2 Toets op maat 125 11 Grasbekleding erosie buitentalud (GEBU) 125 11.1 Eenvoudige toets 125 11.2 Gedetailleerde toets per vak 126 11.3 Toets op maat 129 12 Grasbekleding afschuiven buitentalud (GABU) 129 12.1 Eenvoudige toets 129 12.2 Gedetailleerde toets per vak. 130 12.3 Toets op maat 131 13 Grasbekleding erosie kruin en binnentalud (GEKB) 131 13.1 Gedetailleerde
- • Voor de eenvoudige toets wordt een dijktraject voor elk toetsspoor opgedeeld in vakken. Per toetsspoor wordt de wijze van oordelen beschreven in de schematiseringshandleidingen.
- • Resultaat van een beslisregel is de conclusie dat wel of niet aan de voorwaarde van voldoende kleine kans op falen wordt voldaan.
- • Eenvoudige beslisregels zijn gebaseerd op eenvoudig in te winnen gegevens. De beslisregels zijn gebaseerd op historische analyses, (gebieds)eigenschappen met betrekking tot de waterkering en eenvoudige relaties.
- – Beslisregels die aangeven of een mechanisme relevant is voor het betreffende type waterkering.
- – Beslisregels die aangeven of de kans op een mechanisme onafhankelijk van Hydraulische Belastingen klein is (piping treedt bijvoorbeeld niet op bij een zanddijk op een zandondergrond).
- – Beslisregels die aangeven of de kans op een mechanisme gegeven maatgevende Hydraulische Belastingen klein is (er treedt bijvoorbeeld geen erosie van het buitentalud op bij golven kleiner dan 0,25 m).
- • Stap G.1: Voldoet aan toepassingsvoorwaarde voor het rekenmodel voor de sterkte.
- • Stap G.2: Analyse van belasting en sterkte.
- • Het totaal van de faalkansruimtefactoren voor de toetssporen 100% blijft.
- • De faalkansbegroting geldt voor het hele traject. Een wijziging heeft consequenties voor alle vakken van een toetsspoor waarvan de faalkansruimtefactor wijzigt.
- • Een gedetailleerde toets per traject geeft een nauwkeuriger resultaat.
- • Wanneer de faalkansruimte significant (circa 5 keer) groter wordt en
- • Het vak in de gedetailleerde toets per vak net niet aan de faalkanseis per vak voldoet (toetsoordeel na gedetailleerde toets per vak is categorie IIIv)
- • Als de faalkans per vak voor het betreffende toetsspoor valt in categorie Iv, is het toetsoordeel per vak gelijk aan ‘voldoet ruim’.
- • Als de faalkans per vak voor het betreffende toetsspoor valt in categorie IIv, is het toetsoordeel per vak gelijk aan ‘voldoet zeker aan de signaleringswaarde’.
- • Als de faalkans per vak voor het betreffende toetsspoor valt in categorie IIIv, is het toetsoordeel per vak gelijk aan ‘voldoet zeker aan de ondergrens’.
- • Als de faalkans per vak voor het betreffende toetsspoor valt in categorie IVv, is het toetsoordeel per vak gelijk aan ‘voldoet mogelijk aan de ondergrens of de signaleringswaarde’.
- • Als de faalkans per vak voor het betreffende toetsspoor valt in categorie Vv, is het toetsoordeel per vak gelijk aan ‘voldoet niet aan de ondergrens’. De toetsoordelen van de overige toetssporen kunnen er niet toe leiden dat het vak aan de ondergrens en dus ook niet aan signaleringswaarde voldoet.
- • Als de faalkans per vak voor het betreffende toetsspoor valt in categorie VIv, is het toetsoordeel per vak gelijk aan ‘voldoet ruim niet aan de ondergrens’.
- • Als de faalkans per traject valt in categorie It, is het toetsoordeel per traject voor het betreffende toetsspoor of de combinatie van toetssporen gelijk aan ‘voldoet ruim aan de signaleringswaarde’.
- • Als de faalkans per traject valt in categorie IIt, is het toetsoordeel per traject voor het betreffende toetsspoor of de combinatie van toetssporen gelijk aan ‘voldoet aan de signaleringswaarde’.
- • Als de faalkans per traject valt in categorie IIIt, is het toetsoordeel per traject voor het betreffende toetsspoor of de combinatie van toetssporen gelijk aan ‘voldoet aan de ondergrens en mogelijk aan de signaleringswaarde’.
- • Als de faalkans per traject valt in categorie IVt, is het toetsoordeel per traject voor het betreffende toetsspoor of de combinatie van toetssporen gelijk aan ‘voldoet mogelijk’.
- • Als de faalkans per traject valt in categorie Vt, is het toetsoordeel per traject voor het betreffende toetsspoor of de combinatie van toetssporen gelijk aan ‘voldoet niet aan de ondergrens’.
- • Als de faalkans per traject valt in categorie VIt, is het toetsoordeel per traject voor het betreffende toetsspoor of de combinatie van toetssporen gelijk aan ‘voldoet ruim niet aan de ondergrens’.
- • Als uit de eenvoudige toets resulteert dat de faalkans per vak verwaarloosbaar is of dat het toetsspoor niet relevant is dan wordt de categorie Iv aan het vak toegekend voor het betreffende toetsspoor.
- • Indien het toetsoordeel volgt uit een gedetailleerde toets per vak, kan de categorie voor het toetsoordeel per vak en per toetsspoor rechtstreeks worden bepaald. Uitzondering hierop vormen de toetssporen uit groep 3. Voor deze toetssporen zijn aanvullende berekening met hydraulische belastingen en een veiligheidsfactor bij de verwachte overstromingskans waarbij het toetsspoor voldoet nodig om de categorie van het toetsoordeel te bepalen.
- • De wijze waarop de categorie van het toetsoordeel in een toets op maat wordt bepaald is afhankelijk van de uitgevoerde toets op maat en onderdeel van de toets zelf.
- • Indien het toetsoordeel volgt uit een gedetailleerde toets per traject kan de categorie van het toetsoordeel rechtsreeks worden bepaald uit de faalkans per traject op basis van tabel 2-4.
- • Voor de toetssporen in groep 5 geldt dat wanneer is geconcludeerd dat een indirect mechanisme significante invloed heeft op een of meer directe mechanismen, de invloed op het toetsoordeel van de betreffende toetssporen in de toets op maat wordt bepaald. Bij een significante invloed wordt de categorie van de toetsoordelen van de betreffende toetssporen aangepast.
- • Hydraulische belastingen.
- • Overige belastingen.
- • Waterstanden, inclusief waterstandverlopen en lokale toeslagen.
- • Windgolven.
- • Stroming.
- • Wind.
- • IJs.
- • Aardbevingen en aardschokken.
- • Hydraulische belasting als gevolg van scheepvaart.
- • Verkeer.
- • Aanvaringen.
- • Een primaire scheepsgolf: frontgolf, tijdelijke waterspiegeldaling en haalgolf.
- • Een secundaire scheepsgolf: boeg- dan wel hekgolf.
- • Stroming: retourstroom en stroming door de schroefstraal.
- 1. Het verzamelen van de relevante informatie over de waterkering met betrekking tot het toetsspoor. De mechanismebeschrijving en parameterlijst geven aan welke informatie relevant kunnen zijn voor het schematiseren van het mechanisme binnen een toetsspoor. Onder informatie wordt onder andere verstaan: meetgegevens, waarnemingen, ervaringen, eerdere schematiseringen en analyses (of analyseresultaten). Het verzamelen van informatie hoeft niet uitputtend te worden uitgevoerd. De beheerder maakt op basis van technisch inhoudelijke kennis een afweging tussen de verwachte benodigde informatie en benodigde inspanning om te komen tot de gewenste schematisering. Mocht het in een vervolgstap noodzakelijk blijken meer informatie in te winnen, dan kan die informatie alsnog en gerichter worden ingewonnen.
- 2. Het opstellen van een schematisering voor een gekozen deel van de waterkering op basis van de verzamelde relevante informatie over de waterkering. Een schematisering heeft altijd betrekking op een gekozen deel van de waterkering. Andersom geldt dat de eigenschappen in het gekozen deel van de waterkering de schematisering bepaalt. De beheerder stelt op basis van technisch inhoudelijke kennis van het gedrag en de opbouw van de waterkering de schematisering op. De beheerder maakt in feite een technisch inhoudelijke onderbouwde vertaling van de verzamelde relevante informatie naar een schematisering. Hierbij dienen de aanwijzingen in de schematiserings-handleidingen als hulpmiddel voor het op objectieve en uniforme wijze komen tot een schematisering. Gemotiveerd afwijken van de aanwijzingen kan in bepaalde gevallen nodig zijn. Bij het schematiseren werkt de beheerder van grof naar fijn. Het is vaak niet nodig om een zeer verfijnde schematisering op te stellen. De beheerder maakt op basis van technisch inhoudelijke kennis een inschatting van de benodigde mate van fijnheid van de schematisering om te komen tot het toetsoordeel. Ook kan de afweging worden gemaakt in inspanning om eerst met een beperkte inspanning grof te schematiseren en daarna met een gerichte inspanning de schematisering te verfijnen of om direct een relatief grotere inspanning te leveren om te komen tot een verfijnde schematisering. Schematiseringskeuzes dienen te zijn onderbouwd op basis van de verzamelde informatie en te worden vastgelegd. Bij het schematiseren dient niet alleen rekening gehouden te worden met de beschikbare informatie, maar ook met de onzekerheden door het ontbreken van informatie. In deze stap kan de conclusie ook zijn dat er onvoldoende informatie beschikbaar is om (een deel) van de schematisering in de gewenste fijnheid op te kunnen stellen. In dat geval gaat de beheerder terug naar stap 1 en wint de benodigde informatie alsnog in.
- 3. Het bepalen of verdere verfijningen van delen van de schematisering of van de geschematiseerde eigenschappen van de waterkering nodig is. Om te kunnen beoordelen of een schematisering goed genoeg is, is een vergelijking tussen de resultaten op basis van de schematisering en de verwachtingen van de beheerder nodig. Hierbij is ook kennis nodig van de gebruikte modellen: het resultaat kan ook afwijken van de verwachting door het gebruikte model. Het uitvoeren van een gevoeligheidsanalyse kan de beheerder helpen om te bepalen of verfijningen van delen van de schematisering of geschematiseerde eigenschappen van de waterkering nodig zijn.
- • de verfijning van de schematisering of geschematiseerde eigenschappen niet leidt tot een ander toetsoordeel (andere categorie),
- • wordt voldaan aan een van de criteria aangegeven in hoofdstuk 3 van Bijlage I Procedure (zie paragraaf 3.2.5). Als verfijning van de schematisering nodig is, gaat de beheerder terug naar stap 2. Ook in deze stap kan de conclusie zijn dat er onvoldoende informatie beschikbaar is om (een deel) van de schematisering goed op te kunnen stellen. In dat geval gaat de beheerder terug naar stap 1 en wint de benodigde informatie alsnog in.
- • Stap E.1 en E.2: Relevantietoets op basis van type waterkering.
- • Stap E.3: Toets op basis van algemene kenmerken.
- • De kruinbreedte en de helling van het binnentalud vallen binnen de bij deze parameters aangegeven ranges,
- • De waterhoogte die de dijk keert is kleiner of gelijk aan 2/3 van de hoogte van het dijklichaam:
- • Stap G.1: Voldoet aan toepassingsvoorwaarde voor het rekenmodel voor de sterkte.
- • Stap G.2: Analyse van belasting en sterkte.
- • Bewezen sterkte onderzoeken (parameter optimalisatie op basis van waarnemingen van overleefde hoge waterstanden).
- • Toepassen van Eindige Elementen Modellen (EEM).
- • Toepassen tijdsafhankelijk grondwaterstromingsmodellen voor schematiseren waterspanningen.
- • Het in rekening brengen van reststerkte van de waterkering.
- • Stap E.1 en E.2: Relevantietoets op basis van type waterkering.
- • Stap E.3: Toets op basis van algemene kenmerken.
- • De kruinbreedte en de helling van het buitentalud vallen binnen de bij deze parameters aangegeven ranges.
- • De waterhoogte die de dijk keert is kleiner of gelijk aan 2/3 van de hoogte van het dijklichaam:
- • De breedte van het voorland is minimaal 2 keer de hoogte van de waterkering:
- • Stap G.1: Voldoet aan toepassingsvoorwaarde voor het rekenmodel voor de sterkte.
- • Stap G.2: Analyse van belasting en sterkte.
- • Bewezen sterkte onderzoeken (parameter optimalisatie op basis van waarnemingen van overleefde hoge waterstanden).
- • Toepassen van Eindige Elementen Modellen (EEM).
- • Toepassen tijdsafhankelijk grondwaterstromingsmodellen voor schematiseren waterspanningen.
- • Het in rekening brengen van de reststerkte van de waterkering.
- • Stap E.1: Relevantietoets op basis van type kering
- • Stap E.2: Relevantietoets op basis van ondergrondkenmerken.
- • Stap E.3: Toepassingsvoorwaarde voor eenvoudige en gedetailleerde toets
- • Stap E.4: Toets op tijdsafhankelijke benadering.
- • Stap E.5: Toets op basis van geometrische kenmerken.
- • • Er is geen sprake van een aansluiting op een constructie of van een doorgaande leiding onder de waterkering.
- • Kwelweglengte is groter dan 50 m.
- • Rivierafvoer speelt geen rol bij het verval over de waterkering.
- • • Er zijn rapporten of waarnemingen beschikbaar op basis waarvan kan worden aangetoond dat in het verleden geen zandmeevoerende wel is waargenomen.
- • • In calamiteitenplannen wordt rekening gehouden met maatregelen die moeten worden genomen wanneer twee extreme hoogwatergolven achter elkaar optreden.
- • Opbarsten.
- • Heave.
- • Terugschrijdende erosie.
- • Uitvoeren van tijdsafhankelijke grondwaterstromingsberekeningen.
- • Het in rekening brengen van heterogeniteit en ruimtelijke variatie van de ondergrond.
- • Stap E.1: Relevantietoets op basis van type waterkering.
- • Stap E.2: Toets op basis van algemene kenmerken.
- 1. Het wordt aangetoond dat de binnenteen van de waterkering in voldoende mate gedraineerd wordt. Dit kan door aan te tonen dat een drainageconstructie in de teen van de waterkering goed functioneert.
- 2. De waterkering heeft een (slecht doorlatende) kleikern waarvan de hoogte gelijk is aan of hoger is dan de waterstand bij de norm en waarvan de basis aansluit op een slecht doorlatende ondergrond.
- 3. Het gehele dijklichaam binnenwaarts van de binnenkruinlijn bestaat volledig uit klei.
- 4. De waterkering is zandig en heeft een zandig binnentalud met een helling flauwer dan 1V:5H. Met zandig binnentalud wordt bedoeld een binnentalud met ongeveer gelijke doorlatendheid als de kern van de dijk. Een kleibekleding ontbreekt in dit geval.
- • Stap G.1: Voldoet aan toepassingsvoorwaarde voor het rekenmodel voor de sterkte.
- • Stap G.2: Analyse van belasting en sterkte.
- • G.2.a Met op evenwichtsvergelijkingen gebaseerde rekenregels wordt vastgesteld of micro-instabiliteit kan optreden. Deze rekenregels zijn beschreven in de schematiseringshandleiding microstabiliteit. Indien wordt voldaan aan deze rekenregels, dan voldoet de waterkering aan de gedetailleerde toets per vak voor het toetsspoor microstabiliteit.
- • G.2.b Geometrische toets of micro-instabiliteit kan leiden tot kruinverlaging.
- • De geometrische toets gaat uit van de restprofiel benadering. Daarin wordt gecontroleerd of een restprofiel acceptabel is vanuit het oogpunt van veiligheid. Noodzakelijk voor de controle van het profiel van de kering is de ligging van de freatische lijn in de dijk. Die bepaalt namelijk het sijpeloppervlak op het binnentalud.
- • Voor de bepaling van het restprofiel gelden de volgende aannamen, zie Figuur 8-2:
- • Het materiaal spoelt niet hoger uit dan het sijpeloppervlak.
- – Het weggespoelde materiaal wordt afgezet onder een evenwichtshelling van 1V:5H.
- – Het hoger gelegen materiaal zakt bij onder een helling van het natuurlijk talud .
- – Het oppervlak van de aantasting in de dwarsdoorsnede moet overeenstemmen met het oppervlak van de aanzanding.
- • Waterbouw-asfaltbeton (WAB).
- • Vol en zat gepenetreerde breuksteen (V&ZG).
- • Asfaltmastiek.
- • Dicht steenasfalt.
- • Geprefabriceerde open steenasfaltmatten (eventueel) met wapening.
- • Open steenasfalt.
- • Zandasfalt (toplaag of onderlaag).
- • Patroongepenetreerde breuksteen
- • Waterstand h ten opzichte van NAP [m].
- • Golfhoogte Hm0 [m].
- • Stap G.1: Voldoet aan toepassingsvoorwaarde voor de rekenregels voor de sterkte.
- • Stap G.2: Analyse van belasting en sterkte.
- • De bekleding bestaat uit waterbouwasfaltbeton (WAB). Alleen voor een asfaltbekleding die uit één of twee goed gehechte lagen waterbouwasfaltbeton bestaat, is er een uitgewerkte procedure om de materiaal- en constructie-eigenschappen te bepalen. Deze procedure is beschreven in de Schematiseringshandleiding asfaltbekleding. De grenzen aan de mengselsamenstelling voor waterbouwasfaltbeton staan vermeld in de Handreiking dijkbekledingen deel 3: asfaltbekledingen. Voor de overige typen asfaltbekledingen is er dus geen gedetailleerde toets beschikbaar.
- • Hm0 ≤ 3m. Bij extreem grote golfhoogtes leiden golfklappen mogelijk tot grondmechanisch bezwijken van de ondergrond.
- • GRWS < onderrand asfaltbekleding. Indien het niveau van het grondwater in de dijk onder maatgevende omstandigheden (GRWS) tot onder de asfaltbekleding aanwezig is, dan kunnen golfklappen aanleiding geven tot verwekingsverschijnselen of lokale afschuiving in de ondergrond: grondmechanisch bezwijken. Ook de in rekening te brengen stijfheid kan dan niet op de gebruikelijke manier worden vastgesteld.
- • Het watersysteem is 7. IJsselmeer, 8. Markermeer, 9. Waddenzee Oost, 10 Waddenzee West, 11. Hollandse Kust Noord, 12 Hollandse Kust Midden, 13 Hollandse Kust Zuid of 15. Westerschelde. Alleen voor deze watersystemen zijn er door middel van kalibratie veiligheidsfactoren bepaald.
- • Type onderlaag of ondergrond = zand. Alleen voor de situatie waarbij er direct onder de WAB-bekleding zand aanwezig is, zijn er gekalibreerde veiligheidsfactoren beschikbaar.
- • Als de asfaltbekleding bestaat uit twee lagen WAB dan moeten deze goed gehecht zijn.
- • Asfaltlaagdikte > 0,1 m.
- • Variatiecoëfficiënt van de buigtreksterkte Vσb < 0,35. Alleen voor bekledingen met een beperkte variabiliteit in de buigtreksterkte zijn er gekalibreerde veiligheidsfactoren beschikbaar.
- • Onderbouwd toepassen van het rekenmodel uit de gedetailleerde toets buiten het gebruikelijke toepassingsgebied van het model.
- • Voor OSA-bekledingen (open steenasfalt) kan een analyse met het rekenmodel uit de gedetailleerde toets worden uitgevoerd, maar de bepaling van de materiaaleigenschappen en het voldoen aan de veiligheidseis vereisen specialistische aandacht.
- • Volledig probabilistische analyse met het rekenmodel uit de gedetailleerde toets.
- • Analyse van de reststerkte, als de gedetailleerde toets op AGK niet leidt tot goedkeuring van het vak, dan kan de erosie van een eventuele onderlaag van klei in de toets op maat worden beoordeeld.
- • Waterbouw-asfaltbeton (WAB).
- • Vol en zat gepenetreerde breuksteen (V&ZG).
- • Asfaltmastiek.
- • Dicht steenasfalt.
- • Geprefabriceerde open steenasfaltmatten (eventueel) met wapening.
- • Open steenasfalt.
- • Zandasfalt (toplaag of onderlaag).
- • Patroongepenetreerde breuksteen
- A. De ondergrond en het dijklichaam bestaan uit homogeen zand of een ander materiaal met een vergelijkbare doorlatendheid. Dit is bijvoorbeeld niet het geval als er zich een (extreem) doorlatende mijnsteenkade onder de bekleding bevindt of als er sprake is van een overlaging van een doorlatende steenzetting. Ook bij een buitendijkse verzwaring (in zand) van een oude kade of dijk van klei is de eenvoudige methode niet toepasbaar, evenmin als bij de aanwezigheid van slecht doorlatende deklaag (dikte > 1 meter) die toe- of afstroming van grondwater naar of uit het dijklichaam belemmert.
- B. Als de vorige, maar het asfalt ligt op een kleilaag van beperkte dikte (zie hiervoor de Schematiseringshandleiding asfaltbekleding). De wateroverdrukken treden op tegen de onderzijde van de kleilaag. Als onder de kleilaag een kern van zand ligt, is de eenvoudige rekenmethode toepasbaar, waarbij de kleilaag als deel van de toplaag wordt meegerekend.
- C. De asfaltbekleding (eventueel met onderliggende kleilaag) is aangelegd op een dijklichaam van zand op een ondergrond met een slecht doorlatende deklaag (dikte > 1 meter), waarbij het buitentalud geheel dicht is en aansluit op de deklaag. Gebruik in dat geval als maatgevende grondwaterstand (MGWS) het niveau van de freatische lijn uit bijlage 1 van het TR waterspanningen bij dijken (TAW, 2004).
- • Onderscheid maken in de eisen gesteld aan de laagdikte op basis van de hoogte op het talud. De wateroverdruk onder de bekleding is maximaal ter plaatse van de maatgevende buitenwaterstand (de theoretische waarde óf de gemiddelde waterstand). Het is echter niet noodzakelijk dat de asfaltdikte die uit Vgl 10.2 of Vgl 10.4 volgt, in het gehele dwarsprofiel aanwezig is. Aan de onderrand van de gesloten bekleding en ter hoogte van de maatgevende grondwaterstand is geen wateroverdruk aanwezig en is de vereiste dikte geringer. Deze analyse is alleen zinvol als de asfaltdikte niet overal op het talud dezelfde dikte heeft. Omdat dat uitzonderingsgevallen betreft is deze analyse in de toets op maat ondergebracht.
- • Aangezien de in de vuistregels gehanteerde aannamen voor de maatgevende grondwaterstand conservatief zijn, kan ook een nauwkeuriger bepaling van de geohydrologische randvoorwaarden worden overwogen.
- • Waterstand h ten opzichte van NAP bij de norm [m].
- • Golfhoogte Hm0 bij de norm [m].
- • Stap G.1: Voldoet aan toepassingsvoorwaarde voor de rekenregels voor de sterkte.
- • Stap G.2: Analyse van belasting en sterkte.
- • De graskwaliteit dient een open of een gesloten zode te zijn.
- • De taludhelling dient 1V : 2,5H of flauwer te zijn.
- • golfhoogte Hm0 [m].
- • Stap G.1: Voldoet aan toepassingsvoorwaarde voor de rekenregels voor de sterkte.
- • Stap G.2: Analyse van belasting en sterkte.
- • De bekleding ligt niet op een zandscheg (figuur 12-2).
- • De taludhelling is minder steil dan 1V:2,5H.
- • Beter bepalen van waterspanningen in de zandkern onder de kleilaag onder invloed van hoogwater in combinatie met (maximale) golfterugtrekking. Hiervoor kan gebruik worden gemaakt van een niet stationaire grondwaterstomingsberekening (waterstand in de zandkern) en kennis uit het onderzoek naar steenzettingen, op basis waarvan een inschatting kan worden gegeven van de stijghoogte op het talud bij maximale golfterugtrekking.
- • Toepassen van een geavanceerder stabiliteitsmodel, bijvoorbeeld met behulp van EEM en bepalen van locatie-specifieke sterkteparameters.
- • Nauwkeuriger beschrijven van het faalproces, wat gebeurt er bij instabiliteit, hoelang duurt het voordat het optreedt en is er eventueel nog voldoende reststerkte aanwezig voor het resterende deel van het hoogwater.
- • Uitvoeren van een grootschalige proef.
- • Stap G.1: Voldoet aan toepassingsvoorwaarde voor de rekenregels voor de sterkte.
- • Stap G.2: Analyse van belasting en sterkte.
- • Graskwaliteit is open zode of gesloten zode.
- • Hm0 ≤ 3 m. De golfhoogte wordt bepaald door het uitvoeren van een HBN berekening bij 0,1 l/s/m gegeven de doorsnede eis voor het faalmechanisme GEKB.
- • Taludhelling flauwer dan 1V:4H of kleilaagdikte ≥ 0,4 m.
- • Gebruik maken van de cumulatieve overbelastingmethode om locatie-specifiek een kansverdeling van het kritisch overslagdebiet af te leiden. Hierdoor zijn bijvoorbeeld de volgende optimalisaties mogelijk:
- – Nauwkeuriger schatting van de karakteristieke golfhoogte kan worden gebruikt in plaats van klassen van golfhoogte.
- – Locatie-specifieke invoer van de sterkte gekarakteriseerd door Uc [m/s]. Deze kan worden aangescherpt met kleine veldproeven en of golfoverslagproeven.
- – In het geval van overgangen en objecten, de invloedsfactoren hiervan specifiek voor de overgang of object invoeren.
- • In rekening brengen van reststerkte na falen van de grasbekleding.
- • Het overslagdebiet q is kleiner dan 0,1 l/s/m (bepaald bij de norm).
- • De taludhelling van het binnentalud is flauwer of gelijk aan 1V:5H en bestaat niet uit veen.
- • De taludhelling van het binnentalud is flauwer of gelijk aan 1V:3H en de dijk bestaat uit stevige klei (zie Schematiseringshandleiding grasbekleding).
- • De taludhelling van het binnentalud is flauwer of gelijk aan 1V:4H en de dijk bestaat uit klei die niet als stevig wordt gekwalificeerd.
- • De dijk bestaat uit zand, al dan niet voorzien van een kleibekleding, en heeft een goed werkende drainage in de binnenteen.
- • Stap G.1: Voldoet aan toepassingsvoorwaarde voor de rekenregels voor de sterkte.
- • Stap G.2: Analyse van belasting en sterkte.
- • Beter bepalen van waterspanningen in de toplaag en kern van de dijk of dam bij overslag, door toepassen van niet-stationaire grondwaterstromingsmodellen en bepaling van de locatie-specifieke stromingsparameter in het veld.
- • Toepassen van een geavanceerder stabiliteitsmodel, bijvoorbeeld met behulp van EEM en bepalen van locatie-specifieke sterkteparameters.
- • Nauwkeuriger beschrijven van het faalproces: wat gebeurt er bij instabiliteit, hoelang duurt het voordat het optreedt en is er eventueel nog voldoende reststerkte aanwezig voor het resterende deel van het hoogwater.
- • Uitvoeren van een grootschalige proef, waarbij infiltratie wordt gesimuleerd door het talud over een bepaalde strekking te overstromen.
- • Lage havendam waarvan de golfreductie essentieel is voor de standzekerheid van de achterliggende waterkering (zie hiervoor het beoordelingsschema Havendammen).
- • Relatief lage dijk waarbij de golfoverslag zodanig is dat de steenzetting op kruin en binnentalud essentieel is voor de erosiebescherming (overslagbestendige dijk).
- • Stabiliteit steenzetting toplaaginstabiliteit onder golfaanval ZTG.
- • Stabiliteit steenzetting toplaaginstabiliteit onder langsstroming ZTS.
- • Stabiliteit steenzetting afschuiving ZAF.
- • Stabiliteit steenzetting materiaaltransport vanuit de granulaire laag ZMG
- • Stabiliteit steenzetting materiaaltransport vanuit de ondergrond ZMO
- • Gezette betonzuilen.
- • Gezette natuursteen (o.a. basalt).
- • Gezette betonblokken met of zonder gaten erin.
- • Open blokkenmatten.
- • Blokkenmatten zonder openingen.
- • Steenzetting gepenetreerd met mastiek.
- • Steenzetting gepenetreerd met beton.
- • Gezette klinkers
- • Steenzetting met breuksteen overlaging.
- • Steenzetting met PBA (polyurethaan gebonden breuksteen) overlaging.
- • Steenzetting die op een oude steenzetting is gezet.
- • Steenzetting op de kop van een havendam.
- • Steenzetting gelegen op een zandscheg, zie Figuur 12-2.
- • Steenzetting op een onderlaag van klei, waarbij de zanddijk een hoog achterland (bijvoorbeeld opgespoten industrieterrein) heeft.
- • In het geval er sprake is van een zandscheg wordt verwezen naar de suggesties genoemd in het Technisch Rapport Steenzettingen (TAW, 2003b).
- • Dijken met een aanzienlijke erosie-weerstand kunnen probabilistisch doorgerekend worden om de faalkans van de dijk te bepalen. Dit is relevant voor dijken die relatief breed zijn (breedte van de dijk op het niveau van de waterstand bij de norm: Bdijk > 20 Hm0 ), een relatief dikke kleilaag hebben (kleilaagdikte dklei > 0,6 Hm0 ), of belast worden met relatief kleine golven (Hm0 < 2 m).
- • Stap G.1: Voldoet aan toepassingsvoorwaarde voor het rekenmodel voor de sterkte.
- • Stap G.2: Analyse van belasting en sterkte.
- • Aansluitingsconstructies of overgangsconstructies, (duin-Dijk; Duin – Hybride keringen; duin – kunstwerk)