Bijlage 2 Regeling vaststelling model cross-over kwalificatie en toetsingskader cross-over kwalificaties mbo 2016: behorende bij de Regeling vaststelling model cross-over kwalificatie en toetsingskader cross-over kwalificaties mbo 2016
1. Leeswijzer 11 2. De cross-over kwalificatie 11 2.1. Het model 11 2.2. Voorblad en overzicht cross-over kwalificatie 12 2.2.1. Voorblad 12 2.2.2. Overzicht van de cross-over kwalificatie 12 2.3. Het samenstellen van een cross-over kwalificatie 13 2.3.1. Typering van de beroepengroep 13 2.3.2. Kerntaak 13 2.3.3. Complexiteit 14 2.3.4. Verantwoordelijkheid en zelfstandigheid 14 2.3.5. Vakkennis en vaardigheden 14 2.3.6. Werkproces 15 2.3.7. Beroepsgerichte moderne vreemde talen en taal- en rekeneisen 16 2.3.8. Interne consistentie 16 2.4. Generieke onderdelen van het basisdeel 16 2.5. Profieldeel 16 2.5.1. Algemene informatie profieldeel 17 2.5.2. Onderdeel waaraan een certificaat is verbonden 17 3. De verantwoordingsinformatie bij de cross-over kwalificatie 17 3.1. Invulinstructie verantwoordingsinformatie 17 3.1.1. Arbeidsmarktinformatie 17 3.1.2. Trends en ontwikkelingen 17 3.1.3. Bijzondere vereisten 17 3.1.4. Beroepsspecifieke moderne vreemde talen 17 3.1.5. Ontwikkelingsmogelijkheden van de beroepsbeoefenaar in het onderwijs 18 3.1.6. Terugvalopties 18 3.1.7. Samenstelling cross-over kwalificatie 18 3.1.8. Betrokkenen 18 3.1.9. Middenkaderopleiding van meer dan 3 jaar 18 3.1.10. Aanvullende informatie 18 4. Het koppelen van keuzedelen aan de cross-over kwalificatie 19 4.1. Karakteristieken van het keuzedeel 19 4.1.1. Doel en typen van keuzedelen 19 4.1.2. Afbakening 19 4.1.3. Omvang 19 4.2. Richtlijnen voor het koppelen van keuzedelen aan de cross-over kwalificatie 19 4.3. Koppeling keuzedelen moderne vreemde talen 20 5. Bijlage 1: descriptoren nlqf 20 6. Bijlage 2: Europees referentiekader mvt 21 7. Bijlage 3: Toelichting bij de uitwerking van beroepsgerichte taal- en rekeneisen 22 7.1. Beroepsgerichte taal- en rekeneisen 22 7.2. Beroepsgerichte moderne vreemde talen (mvt) 23 Deze instructie is een handleiding voor de ontwikkeling van de cross-over kwalificatie en verantwoordingsinformatie. De instructie behoort bij het model cross-over kwalificatie mbo. Het
- – het is samengesteld uit onderdelen van bestaande kwalificaties
- – het is samengesteld uit onderdelen uit tenminste twee verschillende domeinen
- – het is niet mogelijk om een entree- of specialistenopleiding samen te stellen
- – het bevat altijd één kwalificatie: het is geen dossier met meerdere profielen
- • Basisberoepsopleiding: niveau 2
- • Vakopleiding: niveau 3
- • Middenkaderopleiding: niveau 4
- • typerende beroepshouding in gedrag bij werkprocessen;
- • resultaat van de beroepengroep in het resultaat bij werkprocessen.
- • De kerntaken behoren tot het wezen van de beroepengroep.
- • Een kerntaak bestaat meerdere samenhangende werkprocessen.
- • Een kerntaak is een serie handelingen die apart waarneembaar is in de beroepspraktijk.
- • Aan de kerntaak zijn de essentiële vakkennis en vaardigheden voor de beroepengroep gekoppeld.
- • Vermijd zo veel mogelijk overlap tussen kerntaken.
- • Gemiddeld genomen komt het niveau van alle onderdelen in de cross-over kwalificatie overeen met het NLQF-niveau van de kwalificatie (zie bijlage 1 voor de NLQF-descriptoren). Dat kan betekenen dat voor sommige vakkennis- en vaardigheidsitems afgeweken kan worden van het gemiddelde niveau en op een hoger of lager niveau gevraagd kan worden. Het kan voorkomen dat het niveau van vakkennis en vaardigheden in een hogere schaal thuishoort dan de gehele cross-over kwalificatie omdat deze op het punt van verantwoordelijkheid & zelfstandigheid en/of complexiteit op een lager niveau uitkomt.
- • Een kerntaak is beschreven op het niveau van de beginnende beroepsbeoefenaar.
- • niet alle werkprocessen uit een bestaande kerntaak van toepassing zijn voor de kerntaak in de cross-over kwalificatie
- • er werkprocessen uit verschillende bestaande kerntaken worden samengevoegd tot een nieuwe kerntaak
- • De aard van de werkzaamheden: wisselend of gestructureerd, lokaal of ook internationaal.
- • De mate van standaardisering van werkzaamheden en de diversiteit ervan.
- • De aard van de kennis en vaardigheden: Gaat het om basale of specialistische kennis? Hoe breed is het domein van de kennis c.q. de vaardigheden waarover de beroepsbeoefenaar dient te beschikken? Maak hierbij gebruik van de NLQF-descriptoren (zie bijlage 1).
- • Overige complicerende factoren, zoals mate van afbreukrisico en kenmerkende beroepsdilemma’s.
- • Het niveau van de gevraagde vakkennis en vaardigheden is door middel van de NLQF-descriptoren aangegeven. Het NLQF-schema is daarbij richtinggevend. De regel is dat gemiddeld genomen het niveau van alle onderdelen in het dossier overeen moet komen met het NLQF-niveau van de kwalificatie. Dat kan betekenen dat voor sommige vakkennis- en vaardigheidsonderdelen afgeweken kan worden van het gemiddelde niveau. Er kan dan een hoger of lager niveau gevraagd kan worden dan het niveau van de cross-over kwalificatie. Het kan voorkomen dat het niveau van vakkennis en vaardigheden in een hoger schaal thuishoort dan de gehele kwalificatie omdat deze op het punt van verantwoordelijkheid & zelfstandigheid en/of complexiteit op een lager niveau uitkomt.
- • Vakkennis en vaardigheden zijn op het goede abstractieniveau beschreven:
- ○ niet te abstract geformuleerd: niet in algemene termen en niet zonder context;
- ○ maar ook niet te gespecificeerde vakkennis en vaardigheden;
- ○ geen opsomming van afzonderlijke elementen, maar beschrijf categorieën, groepen van vakkenniselementen en vaardigheden;
- ○ neem als richtlijn dat de vakkennis en vaardigheden niet binnen 5 jaar verouderd en achterhaald zijn;
- ○ neem geen vaardigheden (en vakkennis) op die al in het werkproces genoemd zijn.
- • Vakkennis en vaardigheden zijn zodanig concreet geformuleerd dat ze voldoende houvast bieden voor gebruikers voor de inhoudelijke inrichting van het onderwijs, de examens en de beroepspraktijkvorming;
- ○ formuleer contextrijk zodat duidelijk wordt in de uitwerking wat de samenhang is met de werkprocessen in de kerntaak en dat zichtbaar wordt hoe de kennis toegepast wordt in het beroep;
- ○ formuleer vakkennis en vaardigheden zodanig dat op basis van alleen de vakkennis en vaardigheden de gebruiker al een beeld krijgt van de aard van het beroep c.q. vakgebied.
- • Bewaak het onderscheid tussen vakkennis en vaardigheden:
- ○ bij vakkennis gaat het om reproductie van of inzicht in theorieën, principes, concepten;
- ○ bij vaardigheid gaat het om het kunnen toepassen daarvan in een bepaalde beroepscontext.
- • Bewaak het onderscheid én de samenhang tussen handelingen in de werkprocessen en vakkennis en vaardigheden:
- ○ vakkennis en vaardigheden zijn voorwaardelijk voor het succesvol kunnen uitvoeren van de werkprocessen in de kerntaak. Daarom mag er geen overlap zijn tussen werkproces (‘de beroepsbeoefenaar stelt een wapeningsconstructie af’) en de vakkennis en vaardigheden (‘de beroepsbeoefenaar kan een wapeningsconstructie afstellen’);
- ○ in de uitwerking van vakkennis en vaardigheden moet duidelijk zijn wat de relatie is met de werkprocessen van de kerntaak. Dus niet bij het dossier Ondernemer Horeca / bakkerij ‘heeft basiskennis van wet- en regelgeving’, maar wel ‘heeft basiskennis van wet- en regelgeving voor horeca- en bakkerijbedrijven op het gebied van veiligheid en ondernemersrecht’.
- • In een beschrijving van een werkproces behoren geen gedragselementen en/of resultaten. Onderscheid die drie goed in de uitwerking van het werkproces.
- • Neem in de vakkennis en vaardigheden geen handelingen op die al in het werkproces benoemd worden.
- • Het werkproces beschrijft wat de (beginnend) beroepsbeoefenaar doet (handelingen).
- • Het werkproces moet resulteren in een ‘resultaat’.
- • Dat resultaat wordt bereikt door de inzet van essentiële competenties (gedrag) en het hanteren en toepassen van vakkennis en vaardigheden.
- • Branchevereisten die gelden voor een specifiek onderdeel van een kwalificatie en/of waaraan een branchecertificaat verbonden is;
- • Regelingen met eisen aan de persoon of werkplek, zoals leeftijd, verklaring omtrent gedrag of Arbo-eisen. Bijvoorbeeld: regelingen die van toepassing zijn op de persoon van de beroepsbeoefenaar, zoals een Verklaring omtrent gedrag of regelingen die betrekking hebben op de werkplek.
- • Koppeling van de keuzedelen Engels A2 en B1 wordt niet toegestaan voor de niveau 4 kwalificaties. De generieke eisen Engels overlappen grotendeels met het keuzedeel Engels B1 (en dus ook met Engels A2).
- • Koppeling van de keuzedelen Engels A2 en B1 wordt altijd toegestaan bij de overige kwalificaties, indien die geen beroepsgerichte eisen Engels bevatten.
- • Koppeling van keuzedelen Duits, Frans en Spaans A2 en B1 wordt toegestaan bij alle kwalificaties en niveaus indien die geen beroepsgerichte eisen voor de betreffende taal bevatten.
- • Wanneer een kwalificatie wel indicatieve eisen bevat voor een beroepsgerichte moderne vreemde taal, dan hanteren we de volgende regels:
- ○ Indien de beroepsgerichte eisen MVT betrekking hebben op 1 van de 5 taalvaardigheden (luisteren, lezen, gesprekken voeren, spreken, schrijven), dan wordt de koppeling toegestaan.
- ○ Indien de beroepsgerichte eisen betrekking hebben op 4 of 5 van de vaardigheden corresponderend met het niveau van het keuzedeel, dan wordt de koppeling niet toegestaan.
- ○ Indien de beroepsgerichte eisen betrekking hebben op 2 of 3 van de vaardigheden, dan vragen we om te onderbouwen wat de toegevoegde waarde is.
- • Er is sprake van noodzakelijke beroepsspecifieke inkleuring wanneer bij een kerntaak een taal- en/of rekenvaardigheid wezenlijk is voor de beroepsuitoefening. Denk hier bijvoorbeeld aan het voeren van adviesgesprekken (gesprekken voeren is generiek, adviesgesprekken zijn beroepsspecifiek).
- • Beschrijf de taal- rekenvaardigheid bij ‘vakkennis en vaardigheden’ (met gebruikmaking NLQF) op kerntaakniveau.
- • Optioneel is onder ‘gedrag’ een verduidelijking mogelijk van hoe taal en/of rekenen wordt ingezet in dat werkproces en bij complexiteit wanneer de inzet van talige of rekenkundige vaardigheden een essentiële complicerende factor is bij een kerntaak.
- • Gebruik dezelfde instructies als voor de overige vakkennis en vaardigheden. Dus:
- – Actief formuleren in een volledige zin;
- – Specifiek en contextgericht uitwerken zodat de relatie met de werkprocessen waarop de taal-en of rekenvaardigheid betrekking heeft duidelijk is in de beschrijving.
- • Bepaal of voor het beroep c.q. de beroepengroep waarvoor de kwalificatie is geschreven een mvt van wezenlijk belang is. Beantwoord daarbij ook de vraag of dit een specifieke mvt is of dat de school hierin (bijvoorbeeld afhankelijk van de regio) zelf een keus kan maken.
- • Vraag je af of de mvt zodanig van belang is voor de uitoefening van het beroep dat dit voorwaardelijk is voor diplomering. Maak de afweging om alleen dan mvt op te nemen als blijkt dat de beheersing van mvt nodig is voor de goede uitoefening van het beroep.
- • Staat er een aanwijzing in het BCP waardoor het aannemelijk is dat er een of meerdere mvt(‘s) in de kwalificatie komen?
- • Wat is het achterliggende doel hiervan en over welke eisen hebben we het dan?
- • Gaat het om alle (mondelinge en schriftelijke) taalvaardigheden of om een deel daarvan?
- • Is rekening gehouden met het mbo-niveau waarop de opleiding wordt gevolgd? Enerzijds moet naar de mate van beheersing worden gekeken (foutloos schrijven voor de basisberoepsopleiding (niveau 2) is wel erg ambitieus), anderzijds naar het domein (schrijven hoeft mogelijk op een minder hoog niveau te worden beheerst dan gesprekkenvoeren).
- 1. Wanneer mvt-eisen tot de kern van de beroepsuitoefening horen worden deze opgenomen in verschillende onderdelen van de kwalificatie zoals typering van de beroepengroep en complexiteit, naast vakkennis en vaardigheden. Indien het gaat om een beperkte rol van beroepsgerichte mvt-eisen in de beroepsuitoefening dan horen deze in ieder geval beschreven te zijn bij de verantwoordingsinformatie en de vakkennis en vaardigheden.
- 2. Bepaal of de mvt relevant is voor de betreffende kerntaak.
- • Ga na of er communicatieve elementen staan beschreven binnen de kerntaak.
- • Ga na of deze ook relevant zijn in een of meerdere mvt(‘s).
- • Bepaal per mvt de relevantie.
- • Het uitvoeren van beroepsgerichte handelingen in een mvt is een complicerende factor. Neem daarom een verwijzing naar de noodzaak van mvt op bij complexiteit.
- 3. Bepaal welke aspecten van de werkprocessen in de mvt uitgevoerd moeten kunnen worden. Maak bij de uitwerking van de mvt-eisen gebruik van de descriptoren van de relevante ERK-niveaus. (zie referentieniveaus moderne vreemde talen).
- • Ga na of er communicatieve elementen staan beschreven binnen de werkprocessen.
- • Als in de omschrijving van de werkprocessen geen taalaanwijzingen staan, ga je er vanuit dat deze alleen in het Nederlands uitgevoerd hoeven te worden.
- • Ga na of de werkprocessen of elementen ervan ook in een mvt uitgevoerd moet kunnen worden.
- • Zorg dat voor elke mvt uit de omschrijving blijkt in welke mate de mvt ten behoeve van de betreffende werkprocessen moet worden beheerst.
- 4. Beschrijf beroepsgerichte mvt-eisen in vakkennis en vaardigheden concreet en contextrijk. Het moet duidelijk zijn om welke taalvaardigheid het gaat en in welke context die toegepast moet worden.
- • Dus niet: ‘Kan vaktaal in het Engels gebruiken’
- • Wel: ‘Kan eenvoudige relatiebeheer- en klantenservicegesprekken in een tweede moderne vreemde taal voeren’
- 5. Neem in de verantwoording een indicatieve verwijzing naar een ERK niveau op (zie instructie Verantwoordingsinformatie).