Bijlage A Regeling leerresultaten VO 2016: berekening en correctie indicatoren; normering resultaten
Regeling leerresultaten VO 2016
Het Uitvoeringsbesluit WVO 2020 kent vier indicatoren, te weten: De inspecteur-generaal van het onderwijs heeft in overeenstemming met artikel 2.54 van het Uitvoeringsbesluit WVO 2020 een voorstel gedaan om de in artikel 2.52 van het Uitvoeringsbesluit WVO 2020 genoemde indicatoren op een andere wijze te berekenen. De voorstellen worden in deze regeling vastgesteld. Gezien recente ontwikkelingen, een eigen analyse en signalen van organisaties in het onderwijs wordt in de onderhavige regeling voortaan uitgegaan van absolute normen. Een absolute norm betekent dat een vaste score als cesuur wordt genomen. Voor de berekening van deze indicatoren zijn landelijke absolute normen opgesteld op basis van de gegevens over studievoortgang en de examenresultaten van leerlingen in de jaren 2013, 2014 en 2015, behalve voor de havo, waarvoor de norm is opgesteld op basis van die gegevens voor de leerjaren 2016, 2017 en 2018. Op basis van de landelijke normen en de berekende correcties worden (afhankelijk van de indicator) per vestiging of per afdeling (schoolsoort of leerweg) de specifieke normen bepaald. Aan de indicatoren wordt op basis van de leerresultaten een kwalificatie gegeven, per afdeling. De mogelijke kwalificaties zijn ‘onder de norm’ en ‘boven de norm’. Is de score gelijk aan een gestelde norm, dan geldt de kwalificatie ‘boven de norm’ Bij drie indicatoren – Onderbouwsnelheid, Bovenbouwsucces en Examencijfers – wordt in de beoordeling rekening gehouden met de kenmerken van de leerlingenpopulatie van de school, genoemd in artikel 2.52 van het Uitvoeringsbesluit WVO 2020, de zogenoemde correctiefactor. De landelijke norm van een indicator voor de school kan verlaagd worden omdat er rekening wordt gehouden met de kenmerken van de leerlingpopulatie. De hoogte van de correctie is naar rato van het aantal leerlingen met een specifiek kenmerk. Elke indicator heeft specifieke kenmerken waarvoor de landelijke norm gecorrigeerd wordt. De waarde van de correctiefactor verschilt
- – het percentage leerlingen met een onvertraagde studievoortgang in de eerste twee leerjaren (onderbouwsnelheid);
- – het percentage leerlingen met een onvertraagde studievoortgang in de overige leerjaren (bovenbouwsnelheid);
- – het niveau dat de leerling in het derde leerjaar daadwerkelijk heeft bereikt ten opzichte van het niveau dat de leerling gelet op het schooladvies, bedoeld in artikel 42, tweede lid, van de Wet op het primair onderwijs, naar verwachting in het derde leerjaar zou bereiken; en
- – het gemiddelde cijfer van het centraal examen (examencijfers).
- • APCG: leerlingen woonachtig in een armoedeprobleemcumulatiegebied;
- • Instroom: leerlingen die tussentijds instromen;
- • Opstroom: leerlingen die in de bovenbouw opstromen van vmbo-t naar havo en van havo naar vwo.
- • een leerling die op hetzelfde niveau zit als het schooladvies van het primair onderwijs krijgt een score 0 (nul);
- • een leerling die op een hoger niveau zit dan het schooladvies van het primair onderwijs krijgt een score +1;
- • een leerling die op een lager niveau zit dan het advies van het primair onderwijs krijgt een score –1.
- • categorale vestiging voor vwo;
- • vestiging voor havo/vwo gecombineerd;
- • categorale vestiging voor vmbo-(g)t;
- • vestiging voor vmbo-(g)t/havo gecombineerd, categorale vestiging voor havo en vestiging voor vmbo-(g)t, havo en vwo gecombineerd;
- • vestiging voor vmbo-basis, vestiging voor vmbo-kader en vestiging voor vmbo-basis en -kader gecombineerd;
- • vestiging met alle soorten voor vmbo-breed (basis, kader en g(t)) en vmbo-breed-havo gecombineerd;
- • vestigingen met een aanbod van vmbo-basis tot en met vwo gecombineerd.