Bijlage I Regeling personeel brandweer BES: behorend bij artikel 1, eerste lid, Regeling personeel brandweer BES
Regeling personeel brandweer BES
Functienaam: Bevelvoerder Beschrijving van de functie: De Bevelvoerder heeft de leiding over de bemensing van een tankautospuit en de bemensing van bijzondere voertuigen. Hij heeft taken, bevoegdheden en verantwoordelijkheden met betrekking tot de operationele leiding en uitvoeringscoördinatie van mensen en middelen vanaf het moment van uitruk tot en met het moment van terugkeer op de kazerne. In geval van opschaling heeft hij de leiding over de (blus)eenheden tot de aankomst van de (Vak)Officier van Dienst. Als deze aanwezig is, handelt hij onder verantwoordelijkheid van deze functionaris. De Bevelvoerder: De vakbekwaamheid (uitgedrukt in kerntaken en competenties zoals beschreven in deel B) wordt geborgd door middel van opleiden, examineren, bijscholen en oefenen. Aanstelling in de functie van Bevelvoerder kan geschieden wanneer de opleiding tot Bevelvoerder Caribisch Nederland is afgerond met een diploma. De werkgever en de brandweerfunctionaris dienen aan te kunnen tonen dat de vakbekwaamheid is onderhouden. Geeft leiding aan de uitvoering van de werkzaamheden op het gebied van de voorbereiding op de verkenning en inzet. Verzamelt en analyseert gegevens met betrekking tot het incident en stelt op basis daarvan een (voorlopig) plan en vervolgens een verkenningsplan op. Informeert de ploegen, maakt een taakverdeling en bepaalt de persoonlijke bescherming. Geeft leiding aan de uitvoering van de werkzaamheden met betrekking tot de bestrijding van het incident en het redden van mens en/of dier. Coördineert de personele en materiële nazorg (inclusief de evaluatie van het proces en het functioneren) en zorgt voor de administratieve afhandeling van het incident. Taakgebieden: brandbestrijding; technische hulpverlening; ongevalbestrijding gevaarlijke stoffen; met specifieke aandacht voor: In de competentiematrix wordt het verband tussen competenties en kerntaken weergegeven. Er zijn drie typen competenties: Daarnaast zijn voor de repressieve brandweerfuncties drie kernco
- 1. werkt samen met de leden van een bluseenheid;
- 2. heeft taken, bevoegdheden en verantwoordelijkheden met betrekking tot de taakgebieden: brandbestrijding; technische hulpverlening; ongevalbestrijding gevaarlijke stoffen; met specifieke aandacht voor:
- – ondersteuning bij vliegtuigincidenten;
- – ondersteuning bij scheepvaartincidenten;
- – ondersteuning bij industriële incidenten en
- – ondersteuning bij natuurgeweld.
- − ondersteuning bij vliegtuigincidenten;
- − ondersteuning bij scheepvaartincidenten;
- − ondersteuning bij industriële incidenten -
- − en ondersteuning bij natuurgeweld.
- – Strategische en organisatorische competenties (organisatie);
- – Sociale, maatschappelijke en communicatieve competenties (omgeving);
- – Vakmatige en kenniscompetenties (professie).
- – Accuraat;
- – Stressbestendig;
- – Samenwerken.
- a. voor zichzelf,
- b. zijn manschappen en andere hulpverleners,
- c. voor slachtoffers en
- d. omgeving.
- – De leidraad oefenen.
- – Oefenkaarten.
- – Een portfolio voor de vakbekwaamheidregistratie.
- – Een diagnostische toets voor de blijvende vakbekwaamheid.
- – Het werkboek Competentiegericht oefenen.
- – werkt samen met de leden van een bluseenheid bestaande uit een of meer crashtenders en overige blusvoertuigen van het brandweerkorps;
- – kan ter incidentele en tijdelijke vervanging optreden in de rol van On Scene Commander;
- – heeft taken, bevoegdheden en verantwoordelijkheden met betrekking tot het taakgebied vliegtuigbrandbestrijding.
- – Strategische en organisatorische competenties (organisatie);
- – Sociale, maatschappelijke en communicatieve competenties (omgeving);
- – Vakmatige en kenniscompetenties (professie).
- – Accuraat;
- – Stressbestendig;
- – Samenwerken.
- – zichzelf,
- – zijn manschappen en andere hulpverleners,
- – voor slachtoffers en
- – omgeving.
- – De leidraad oefenen.
- – Oefenkaarten.
- – Een portfolio voor de vakbekwaamheid registratie.
- – Een diagnostische toets voor de blijvende vakbekwaamheid.
- – Het werkboek Competentiegericht oefenen.
- 1. werkt samen met de leden van een voertuigbezetting;
- 2. heeft taken, bevoegdheden en verantwoordelijkheden met betrekking tot de kerntaken van de brandweer;
- 3. voert opdrachten uit van de leidinggevende en meldt bevindingen altijd aan hem. Indien omstandigheden dit vragen, wordt – onder verantwoordelijkheid van de leidinggevende – op eigen initiatief gehandeld;
- 4. hanteert de bepakking van de voertuigen waar hij als bediener voor aangewezen is. Onder leidinggevende verstaan we hier een Bevelvoerder, een Manschap B met een leidinggevende taak en een (Vak)Officier van Dienst.
- – Strategische en organisatorische competenties (organisatie);
- – Sociale, maatschappelijke en communicatieve competenties (omgeving);
- – Vakmatige en kenniscompetenties (professie).
- – Accuraat;
- – Stressbestendig;
- – Samenwerken.
- – Verzorgt de waterwinning:
- – Zorgt voor de goede werking van de pomp
- – Verhelpt eenvoudige storingen
- – Voorziet in een ongestoorde waterlevering
- – Maakt gebruik van bluswatervoorzieningen
- – Houdt de pomp operationeel
- – De leidraad oefenen.
- – Oefenkaarten.
- – Een portfolio voor de vakbekwaamheidregistratie.
- – Een diagnostische toets voor de blijvende vakbekwaamheid.
- – Het werkboek Competentiegericht oefenen.
- – Strategische en organisatorische competenties (organisatie);
- – Sociale, maatschappelijke en communicatieve competenties (omgeving);
- – Vakmatige en kenniscompetenties (professie).
- – Accuraat;
- – Stressbestendig;
- – Samenwerken.
- 1) De Instructeur A: houdt zich bezig met het vakbekwaam maken en houden van functionarissen t/m vsbo/vmbo niveau.
- 2) Voert onder verantwoordelijkheid van een docent afgebakende delen van leergangen uit, aansluitend op zijn eigen vakinhoudelijke expertise. Daarnaast assisteert hij binnen de eigen organisatie oefenleiders bij het uitvoeren van oefeningen.
- 3) Zorgt ervoor dat zijn eigen vakbekwaamheid op niveau is, zowel vakinhoudelijk als didactisch. Hij beschikt over de vakinhoudelijke verdiepende kennis die hem in staat stelt om boven de stof te staan. Dit is een essentieel onderdeel van het kunnen overdragen van de vereiste kennis en vaardigheden.
- 4) Valt qua functie, binnen de veiligheidsketen (Pro- actie, Preventie, Preparatie, Repressie en Nazorg), onder de schakel preparatie.
- 5) Werkt in het brandweerkorps.
- 6) Legt verantwoording af aan de Specialist opleiden en oefenen en/of aan de Medewerker opleiden en oefenen en/of aan de Instructeur B.
- 7) Moet binnen verschillende culturen/disciplines en op verschillende niveaus kunnen samenwerken.
- – Strategische en organisatorische competenties (organisatie);
- – Sociale, maatschappelijke en communicatieve competenties (omgeving);
- – Vakmatige en kenniscompetenties (professie).
- – Accuraat;
- – Stressbestendig;
- – Samenwerken.
- – deelnemers met leerproblemen,
- – ongemotiveerde deelnemers,
- – deelnemers die risico’s opzoeken,
- – kritiek van deelnemers en
- – ongekwalificeerde deelnemers in gevaarlijke situaties.
- – afstand bewaren en betrokkenheid tonen.
- – De leidraad oefenen.
- – Oefenkaarten.
- – Een portfolio (vakbekwaamheidsregistratie).
- – De diagnostische toets blijvende vakbekwaamheid.
- – Het werkboek competentiegericht oefenen.
- 1) Werkt samen met de leden van een bluseenheid
- 2) Heeft taken, bevoegdheden en verantwoordelijkheden met betrekking tot de taakgebieden brandbestrijding, technische hulpverlening en ongeval bestrijding gevaarlijke stoffen; waarbij nadrukkelijk aandacht besteed wordt aan:
- – ondersteuning bij vliegtuigincidenten;
- – ondersteuning bij scheepvaartincidenten;
- – ondersteuning bij industriële incidenten en
- – en ondersteuning bij natuurgeweld
- 3) Voert opdrachten uit van de bevelvoerder en meldt bevindingen altijd aan hem. Indien omstandigheden dit vragen, wordt – onder verantwoordelijkheid van de bevelvoerder – op eigen initiatief gehandeld;
- 4) Hanteert de bepakking van de tankautospuit ten behoeve van de taakgebieden eventueel aangevuld met benodigde middelen van andere voertuigen.
- – ondersteuning bij vliegtuigincidenten;
- – ondersteuning bij scheepvaartincidenten;
- – ondersteuning bij industriële incidenten en
- – ondersteuning bij natuurgeweld.
- – Strategische en organisatorische competenties (organisatie);
- – Sociale, maatschappelijke en communicatieve competenties (omgeving);
- – Vakmatige en kenniscompetenties (professie).
- – Accuraat;
- – Stressbestendig;
- – Samenwerken.
- a. voor zichzelf,
- b. collega’s en andere hulpverleners,
- c. voor slachtoffers en
- d. omgeving.
- – De leidraad oefenen.
- – Oefenkaarten.
- – Een portfolio voor de vakbekwaamheidregistratie.
- – Een diagnostische toets voor de blijvende vakbekwaamheid.
- – Het werkboek Competentiegericht oefenen.
- 1) Werkt samen met de leden van een bluseenheid op een vliegveld in het Caribische gebiedsdeel van Nederland;
- 2) Heeft taken, bevoegdheden en verantwoordelijk- heden met betrekking tot het taakgebied vliegtuig- brandbestrijding, waaronder tevens wordt begrepen de operationele uitvoering en ondersteuning in relatie tot brandbestrijding, hulpverlening en eventueel ongeval bestrijding gevaarlijke stoffen;
- 3) Voert opdrachten uit van de Bevelvoerder vliegtuigbrandbestrijding en meldt bevindingen altijd aan hem. Indien omstandigheden dit vragen, wordt – onder verantwoordelijkheid van de Bevelvoerder vliegtuigbrandbestrijding – op eigen initiatief gehandeld;
- 4) Hanteert de bepakking van de crashtender ten behoeve van het taakgebied eventueel aangevuld met benodigde middelen van andere voertuigen.
- – Strategische en organisatorische competenties (organisatie);
- – Sociale, maatschappelijke en communicatieve competenties (omgeving);
- – Vakmatige en kenniscompetenties (professie).
- – Accuraat;
- – Stressbestendig;
- – Samenwerken.
- – past ventilatietechnieken toe.
- – zet een handline in voor blussing.
- – past verschillende blustechnieken toe.
- – bevrijdt slachtoffers.
- – stelt slachtoffer(s) veilig.
- – assisteert bij het veilig stellen van het luchtvaartuig.
- – bewaakt continue de veiligheid van slachtoffers en hulpverleners.
- – De leidraad oefenen.
- – Oefenkaarten.
- – Een portfolio voor de vakbekwaamheid registratie.
- – Een diagnostische toets voor de blijvende vakbekwaamheid.
- – Het werkboek Competentiegericht oefenen.
- – Strategische en organisatorische competenties (organisatie);
- – Sociale, maatschappelijke en communicatieve competenties (omgeving);
- – Vakmatige en kenniscompetenties (professie).
- – Accuraat;
- – Stressbestendig;
- – Samenwerken.
- a. voor zichzelf,
- b. zijn manschappen en andere hulpverleners,
- c. voor slachtoffers en
- d. omgeving.
- – De leidraad oefenen.
- – Oefenkaarten.
- – Een portfolio voor de vakbekwaamheidregistratie.
- – Een diagnostische toets voor de blijvende vakbekwaamheid.
- – Het werkboek Competentiegericht oefenen.
- 1) Maakt, samen met de Specialist brandpreventie en de Controleur brandpreventie, onderdeel uit van het cluster brandpreventie. Hierin fungeert de Specialist brandpreventie als klankbord.
- 2) Beoordeelt en adviseert op het gebied van brand- preventieve voorzieningen.
- 3) Houdt zich bezig met werkzaamheden op het gebied van toezicht en handhaving.
- 4) Geeft voorlichting en adviseert op het gebied van brandpreventie.
- 5) signaleert preparatieve en repressieve aandachtspunten.
- – Strategische en organisatorische competenties (organisatie);
- – Sociale, maatschappelijke en communicatieve competenties (omgeving);
- – Vakmatige en kenniscompetenties (professie).
- – Accuraat;
- – Stressbestendig;
- – Samenwerken.
- – bouwkundige voorzieningen;
- – installatietechnische voorzieningen (goedkeuring PvE e.d. (ook voor bouwplantoetsing)).
- – klanten over vergunningen en ontruimingsplannen;
- – betrokkenen na een incident;
- – verschillende doelgroepen;
- – (in)directe collega's binnen het brandweerkorps.
- 1) Bij basis monodisciplinair repressief optreden is de (Vak)Officier van Dienst eindverantwoordelijk voor de bestrijding van het incident.
- 2) Bij basis multidisciplinair repressief optreden coördineert de (Vak)Officier van Dienst het multidisciplinaire overleg in het motorkapoverleg (GRIP 0) indien noodzakelijk start de (Vak)Officier van Dienst het CoPI op en geeft hier leiding aan. Hij heeft de operationele leiding en is als coördinator eindverantwoordelijk voor de multidisciplinaire inzet in de GRIP 0 situatie.
- 3) Bij grootschalig multidisciplinair repressief op- treden vervult de (Vak)Officier van Dienst de rol van leider CoPI. Hij adviseert, informeert en ondersteunt het hogere echelon.
- 4) Op beheersmatig niveau stuurt de (Vak)Officier van Dienst een team aan van enige medewerkers. Het accent in die aansturing ligt op de uitvoering van hun werk. Hij is veelal werkzaam als bureauhoofd, team- leider, coördinator. Het overheersende beeld is dat hij zich richt op een enkelvoudig vakgebied. Met inachtneming van de lokale omstandigheden kan de invulling van deze rol per vestiging van het brandweerkorps verschillen. In de kleine vestigingen heeft deze leidinggevende meerdere afdelingen of vakgebieden onder zijn hoede heeft.
- – Maakt inschatting van de aard, omvang en dynamiek van het incident.
- – Schaalt indien nodig op, zowel monodisciplinair (incl. specialismen) als multidisciplinair.
- – Neemt de leiding ter plaatse over van Bevelvoerder en is eindverantwoordelijk.
- – Maakt inzetplan, vertaalt dit naar inzetdoelen en/of -vakken van brandweereenheden en voert het bevel.
- – Controleert het effect van de werkzaamheden, anticipeert op ontwikkelingen en stelt zo nodig bij.
- – Draagt zorg voor de registratie van belangrijke gegevens (bijv. blootstelling gevaarlijke stoffen).
- – Draagt zorg voor logistiek.
- – Schaalt af.
- a. voor zichzelf,
- b. zijn Bevelvoerders en manschappen en andere hulpverleners,
- c. voor slachtoffers en de omgeving.
- – Beschikt over een basisplaatje, incl. oplossingen op basis van de op dat moment bekende informatie.
- – Heeft een correct totaalbeeld van de situatie na toetsende verkenning.
- – Stelt het beeld zo nodig bij waardoor dit altijd actueel is.
- – Roept de hoogste leidinggevende ter plaatse van elke discipline bijeen en vormt een motorkapoverleg en maakt verdere afspraken over de communicatie (o.a. verbindingen, vergadertijdstippen).
- – Vormt met de deelnemers aan het motorkapoverleg een gemeen- schappelijk beeld van het incident.
- – Maakt met de deelnemers aan het motorkapoverleg een plan en verdeelt de werkzaamheden op basis van de processen in de rampenbestrijding.
- – Maakt afspraken met andere niet operationele diensten.
- – Stemt af over activiteiten voortkomend uit de processen en bewaakt de voortgang.
- – Anticipeert op de ontwikkeling van het incident en coördineert de opschaling (GRIP) en start het CoPI op en heft het motorkapoverleg op.
- – Samenwerking met andere hulpverleners