Art. 2.4.3 Meetcode gas LNB, Bepaling van de hoeveelheid gas onder normaalcondities
Bij turbine- en ultrasone-gasmeters wordt de temperatuuropnemer voor het vaststellen van de temperatuur t geplaatst in een zogenaamde “meet- en impulsring” achter de gasmeter, ofwel direct achter de gasmeter, waarbij de maximale afstand tussen uitlaatflens van de gasmeter en de temperatuuropnemer 0,5 m bedraagt. Bij rotorgasmeters bevindt de meet- en impulsring zich aan de inlaatzijde van de rotormeter. De temperatuuropnemer moet bij ingebruikname zijn voorzien van een kalibratiecertificaat van een erkende kalibratieinstelling.