Bijlage 1 Besluit vaststelling beleidsregels en subsidieplafond subsidiëring Subsidieregeling Ministerie van Buitenlandse Zaken 2006 (Vrouwen, vrede en veiligheid 2016–2019): beleidskader vrouwen, vrede en veiligheid 2016–2019
In de beleidsagenda’s van de minister van Buitenlandse Zaken en de minister voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking staan veiligheid en rechtvaardigheid centraal. Onze veiligheid staat onder druk. Het meest evident en relevant voor Nederland zijn de oplaaiende conflicten in de ring rond Europa. Conflicten vormen een bedreiging voor mensenrechten en internationaal recht. Rechtvaardigheid gaat onder andere over rechten van vrouwen en gendergelijkheid, ofwel ongelijke machtsverhoudingen tussen mannen en vrouwen, maar ook om ongelijkheid in sociaal, politiek, religieus of etnisch opzicht of vanwege sekse of seksuele geaardheid. Een structureel veranderende wereld vraagt om keuzes en innovatief gebruik van de bestaande middelen; het beleidskader Vrouwen, vrede en veiligheid 2016–2019 beoogt daartoe een bijdrage te leveren. Dit beleidskader is een nadere uitwerking van het internationale genderbeleid zoals onder andere verwoord in de Kamerbrief Internationaal Genderbeleid van november 20113Kamerstuk 2011–2012, 32 735, nr. 39, het Nationaal Actieplan Vrouwen, vrede en veiligheid 2016–2019 en de Kamerbrief Vrouwen, vrede en veiligheid van maart 2016.4Kamerstuk 2015–2016, 26 150, nr. 150 Dit document is als volgt opgebouwd. In hoofdstuk 2 worden de beleidstheorie, de uitgangspunten, de reikwijdte en de prioriteitsgebieden van de Vrouwen, vrede en veiligheid agenda omschreven. Hoofdstuk 3 beschrijft de beoordelingsprocedure en bepaalt welke organisaties in aanmerking kunnen komen voor een subsidie in het kader van Vrouwen, vrede en veiligheid 2016–2019. Hoofdstuk 4 beschrijft de criteria die worden gehanteerd om de aanvragen te selecteren die in aanmerking komen voor subsidie. Hoofdstuk 5 gaat over monitoring en evaluatie. Op 31 oktober 2000 nam de VN-Veiligheidsraad (‘de Raad’) resolutie 1325 aan over Vrouwen, vrede en veiligheid. Voor het eerst erkende de Raad expliciet de waardevolle rol die vrouwen spelen bij het voorkomen en oplossen van conflicten. Er volg
- 1. Drempelcriteria: criteria waaraan elke aanvraag zonder meer moet voldoen. Indien een aanvraag niet voldoet aan één of meer drempelcriteria wordt de aanvraag afgewezen en niet verder beoordeeld.
- 2. Kwaliteitscriteria: criteria met betrekking tot de kwaliteit van de beleidstheorie en de uitwerking daarvan in een programmavoorstel, inclusief criteria met betrekking tot de financiële effectiviteit (de verhouding tussen resultaten en budget).
- A. Een beleidstheorie die in ieder geval de volgende elementen omvat:
- 1. Een gendersensitieve context-, actor- en conflictanalyse van het doelland, die de volgende vragen beantwoordt:
- • Wat zijn de sociale, economische en politieke factoren die de gendergelijkheid op de gekozen thema (s) in het doelland kunnen belemmeren of faciliteren, en wat zijn de belangrijkste problemen en onderliggende oorzaken die de aanleiding hiervoor vormen?
- • Op wat voor manier engageren lokale, regionale, nationale en internationale actoren zich met mannen, vrouwen en gender minderheden?
- • Proberen deze actoren positieve verandering in de probleemgebieden en de geselecteerde thema(s) te bewerkstelligen of blokkeren zij juist positieve verandering? Op welke wijze?
- • Beschrijf de invloed die actoren hebben om verandering te bewerkstelligen
- • Beoordeel de legitimiteit van de verschillende actoren.
- • Geef een oordeel over de specifieke rol (positief en negatief) die de verschillende actoren spelen.
- • Wat zijn de belangrijkste kwesties, diepere oorzaken en factoren die leiden tot het conflict? En in welke mate beïnvloeden deze hoofdoorzaken vrouwen, mannen, en genderminderheden verschillend?
- • Welke rol worden mannen, vrouwen en genderminderheden verwacht te spelen/ zijn in staat om te spelen in het ontwerpen, implementeren, monitoren en evalueren van interventies?
- 2. Een landspecifieke uitwerking van de beleidstheorie van het Nationaal Actieplan in de vorm van een korte- en middellange-termijn doelstelling(en) en een visie daarop, inclusief vooronderstellingen, en interventies voor de korte en middellange termijn.
- 3. Een samenwerkingsovereenkomst tussen penvoerder en de mede-indieners met daarin een beschrijving van de diverse rollen en meerwaarde van penvoerder, mede-indieners en lokale organisaties binnen het programma, en een toelichting op de overeenkomst waarin duidelijk een gelijkwaardige en complementaire relatie blijkt tussen de verschillende alliantieleden. De overeenkomst bevat (in ieder geval) afspraken over (i) de wijze waarop elk van de partijen bijdraagt aan de werkzaamheden van de alliantie, (ii) de wijze waarop de besluitvorming in de alliantie plaatsvindt, (iii) de wijze waarop de kosten en de risico’s worden gedeeld over de alliantieleden en (iv) de wijze waarop de naleving van de aan een subsidie verbonden verplichtingen jegens de minister is gewaarborgd en (v) de manier waarop de alliantie samenwerkt met de Nederlandse ambassade in het doelland en het de landengroep van het NAP.
- 4. Meetbare outcome indicatoren ten behoeve van monitoring en bijstelling.
- B. Een programmavoorstel dat in ieder geval de volgende elementen omvat:
- 1. Een concrete, realistische uitwerking van de beleidstheorie in het gekozen doelland en een nauwkeurige beschrijving van de gekozen strategische interventies om het gewenste doel te bereiken (input, output en outcome), gerelateerd aan de beleidstheorie van het Nationaal Actieplan en gebaseerd op de genderspecifieke context-, actor- en conflictanalyse van het land.
- 2. Het voorstel laat zien wie penvoerend is, hoe de alliantie samenwerkt en welke lokale organisaties betrokken zullen worden bij de uitvoering van het programma.
- 3. Een risico-analyse en maatregelen om de omschreven risico’s te mitigeren.
- 4. Een M&E-raamwerk dat duidelijk verwijst naar de beleidstheorie en de daarin gepresenteerde indicatoren, inclusief een beschrijving van de geraamde benodigde technische assistentie voor ontwikkeling en versterking van een M&E kader op landenniveau. De penvoerder geeft aan welke monitoring- en evaluatiemethodes worden gebruikt om voortgang op het behalen van de doelstellingen te monitoren en lessen te leren.
- C. Een begroting voor de gehele looptijd van het programma, inclusief kostenraming voor de benodigde technische assistentie voor ontwikkeling en versterking van een M&E-kader. De begroting is opgesteld conform het sjabloon in annex 4. In de begroting wordt een bedrag gereserveerd voor de reiskosten t.b.v. deelname van lokale partners aan het jaarlijkse beleidsoverleg met het Ministerie van Buitenlandse Zaken. De begroting is voorzien van een Memorie van Toelichting.
- D.1: De penvoerder en Nederlandse mede-indieners zijn een Nederlandse non-gouvernementele organisatie zonder winstoogmerk en bezit rechtspersoonlijkheid. Onder Nederlandse organisatie wordt verstaan een organisatie die in Nederland is opgericht, volgens Nederlands recht en die statutair in Nederland is gevestigd. Onder ngo wordt verstaan: een niet op winst gerichte en niet door een overheidsinstantie opgerichte of aan een overheidsinstantie statutair of feitelijk verbonden organisatie die beschikt over rechtspersoonlijkheid naar burgerlijk recht in het land waar de ngo statutair gevestigd is.
- D.2: De penvoerder en Nederlandse mede-indieners zijn op 15 mei 2016 ondertekenaar van het Nationaal Actieplan Vrouwen, vrede en veiligheid 2016–2019.
- D.3: Een mede-indiener is een Nederlandse of zuidelijke non-gouvernementele organisatie (ngo) zonder winstoogmerk en bezit rechtspersoonlijkheid. Onder zuidelijke ngo wordt verstaan: een ngo die statutair is gevestigd in het land of regio waarin de beoogde activiteiten worden uitgevoerd (doelland). Vanwege conflicten in verschillende doellanden is het de afgelopen jaren lastig gebleken voor lokale ngo’s om zich statutair te vestigen in de doellanden. Daarom geldt voor lokale ngo’s werkzaam t.b.v. deze landen de volgende definitie: een organisatie die statutair is gevestigd in de regio en aantoonbaar activiteiten uitvoert t.b.v. de doellanden.
- D.4: De penvoerder dient de aanvraag in namens een alliantie die naast de penvoerder bestaat uit ten minste twee mede-indieners zoals bedoeld in criterium D.3.
- D.5: De penvoerder maakt aannemelijk dat vanaf 1 januari 2016 ten minste 25% van de jaarlijkse inkomsten van de alliantie afkomstig is uit bronnen anders dan BZ-bijdragen. Subsidies in het kader van Vrouwen, vrede en veiligheid 2016-2019 zullen nooit meer bedragen dan 75% van de jaarlijkse inkomsten van de alliantie. Omdat dit criterium voor de alliantie als geheel geldt, geldt dat indien één van de deelnemende organisaties minder dan 25% van de jaarlijkse inkomsten uit andere dan BZ bijdragen verwerft, dit kan worden gecompenseerd door de mede-indieners in de alliantie. Gelden die direct of indirect worden verkregen ten laste van de begroting van het Ministerie van Buitenlandse Zaken (bijvoorbeeld een subsidie of bijdrage van een Nederlandse ambassade) tellen niet mee bij het bepalen van de eigen inkomsten (maar wel bij het bepalen van de jaarlijkse inkomsten).
- D.6:
- A. De maximale bezoldiging van de individuele leden van management en bestuur van de penvoerder en Nederlandse mede-indieners bedraagt met ingang van het tijdvak waarvoor subsidie wordt gevraagd per kalenderjaar ten hoogste EUR 168.000 bij een voltijds dienstverband. Genoemd bedrag bestaat naast de beloning (de som van de periodiek betaalde beloningen en winstdelingen en bonusbetalingen) ook uit de belastbare vaste en variabele onkostenvergoedingen en beloningen betaalbaar op termijn, zoals vakantiegeld, 13e maand, werkgeversdeel pensioenbijdrage e.a. Het bezoldigingsmaximum is afgeleid van het salaris van de Directeur-Generaal Internationale Samenwerking van het Ministerie van Buitenlandse Zaken. DGIS valt onder de CAO voor Rijksambtenaren waarin een 36-urige werkweek als voltijds dienstverband wordt aangemerkt. Indien het dienstverband van een management-lid of bestuurder bij de betrokken organisatie minder dan 36 uur per week betreft, wordt het bezoldigingsmaximum van EUR 168.000 pro-rato verlaagd en gerelateerd aan de deeltijdfactor van het dienstverband (omvang aanstelling / 36 * EUR 168.000). Wanneer de organisatie de deeltijdfactor verstrekt in de subsidieaanvraag, is dit het uitgangspunt voor de berekening van het verlaagde bezoldigingsmaximum. Wanneer de deeltijdfactor niet wordt verstrekt, wordt uitgegaan van een omvang van een voltijds dienstverband van 36 uur.
- B. De maximale bezoldiging van de individuele leden van management en bestuur van mede-indieners gevestigd in één van de doellanden staat met ingang van het tijdvak waarvoor subsidie wordt gevraagd in redelijke verhouding tot het niveau van de functie, de geografische ligging en de omvang en complexiteit van de organisatie.
- D.7: De penvoerder en Nederlandse mede-indieners zijn in staat tot een adequaat financieel beheer. De penvoerder kan door ervaringsdeskundigheid met betrekking tot de activiteiten als waarvoor subsidie wordt gevraagd een doelgerichte en doelmatige uitvoering van de activiteiten waarborgen.
- D.8: Het programma betreft activiteiten gericht op één doelland: Afghanistan, Colombia, DRC, Irak, Jemen, Libië, Syrië of Zuid-Sudan.
- D.9: De subsidieaanvraag heeft een looptijd van 1 november 2016 tot 31 december 2019. De subsidieaanvraag gericht op Afghanistan, Colombia, DRC, Irak, Libië of Syrië bedraagt € 2 miljoen voor de gehele looptijd. De subsidieaanvraag gericht op Jemen of Zuid-Sudan bedraagt € 1,5 miljoen voor de gehele looptijd.
- D.10: De penvoerder en mede-indieners werken samen op grond van een samenwerkingsovereenkomst tussen penvoerder en de mede-indieners met daarin een beschrijving van de diverse rollen en meerwaarde van penvoerder, mede-indieners en lokale organisaties binnen het programma, en een toelichting op de overeenkomst waarin duidelijk een gelijkwaardige relatie blijkt tussen de verschillende alliantieleden. Uit de overeenkomst blijkt (in ieder geval) (i) de wijze waarop elk van de partijen bijdraagt aan de werkzaamheden van de alliantie, (ii) de wijze waarop de besluitvorming in de alliantie plaatsvindt, (iii) de wijze waarop de kosten en de risico’s worden gedeeld over de alliantieleden en (iv) de wijze waarop de naleving van de aan een subsidie verbonden verplichtingen jegens de minister is gewaarborgd, en (v) de manier waarop de alliantie samenwerkt met de Nederlandse ambassade in het doelland en het de landengroep van het NAP.
- D.11: Het programma betreft geen commerciële dienstverlening, investeringen of commerciële activiteiten.
- P.1: De mate waarin de beleidstheorie een adequate, gendersensitieve context-, actor- en conflictanalyse van het doelland bevat.
- P.2: De mate waarin de beleidstheorie een logische uitwerking is van de beleidstheorie van het Nationaal Actieplan en gebaseerd is op de context-, actor- en conflictanalyse.
- P.3: De mate waarin de beleidstheorie een adequaat systeem voor monitoring van inputs en outcomes bevat, inclusief indicatoren, dat aansluit bij de visie en doelen van de beleidstheorie.
- P.4: De mate waarin a) de beleidstheorie expliciet de daaraan ten grondslag liggende vooronderstellingen benoemt en b) de alliantie in staat is tot aanpassing indien blijkt dat deze vooronderstellingen dienen te worden gewijzigd.
- P.5: De mate waarin het programma beleidsmatig relevant is. Dit wordt beoordeeld op grond van de volgende factoren:
- (1) de mate waarin de activiteiten logisch voortvloeien uit de gendersensitieve context-, actor- en conflictanalyse van het doelland.
- (2) de mate waarin de activiteiten een logische uitwerking zijn van de beleidstheorie.
- (3) de mate waarin a) de inhoudelijke focus van de activiteiten gerelateerd is aan de beleidstheorie in het Nationaal Actieplan Vrouwen, vrede en veiligheid en b) de activiteiten bijdragen aan de doelstelling of de subdoelstellingen van dit beleidskader. De doelstelling is: het stimuleren van structurele verandering van normen, wetten en instituties, zodat vrouwen en mannen gelijke kansen en rechten hebben en volwaardig kunnen deelnemen aan vredesopbouw en wederopbouw. Subdoelen zijn: de mate waarin de activiteiten zich richten op alle drie de onderling samenhangende subdoelen: (1) bescherming van vrouwen en meisjes in conflict- en post-conflictsituaties, (2) het bestrijden van gender normen, die obstakels voor duurzame vrede zijn en (3) het creëren van gelijke deelname van vrouwen aan conflictpreventie en -oplossing, vredesopbouw, hulpverlening en wederopbouw.
- P.6: De mate waarin het programma complementair is aan andere activiteiten die in het doelland worden ondernomen door de alliantie, andere ngo’s en multilaterale instellingen.
- P.7: De mate waarin het programma bijdraagt aan capaciteitsontwikkeling van de partners in het doelland. Capaciteitsontwikkeling richt zich op het versterken van partnerorganisaties in termen van expertise, management en financieel beheer en op het ontwikkelen van kernbekwaamheden en -vaardigheden die nodig zijn om ook op termijn in een veranderende context relevant te blijven en resultaten te blijven behalen.
- P.8: De mate waarin lokale partners effectieve invloed hebben op het programma. Dat blijkt uit deelname van de partners bij de ontwikkeling van het programma, deelname aan de implementatie van het programma en deelname aan evaluatie en bijsturing van het programma.
- P.9: De mate waarin sprake is van een adequaat risicomanagement. Het risicomanagement bestaat uit een risicoanalyse, mitigerende maatregelen en een systeem van monitoring van risico’s.
- P.10: De mate waarin het programma is uitgewerkt in SMART geformuleerde outcomes, beoogde outputs en voorgenomen activiteiten.
- P.11: De mate waarin het programma is voorzien van een helder en realistisch verband tussen de te bereiken outputs en de daarvoor benodigde middelen.