Bijlage 1 Regeling omzetting scores in cijfers VO: wijze van omzetting van scores in cijfers bij centrale examens VO als bedoeld in artikel 1
Regeling omzetting scores in cijfers VO
De instructies die het CvTE toepast om tot de N-termen te komen. De normering van de centrale examens dient er zorg voor te dragen dat in opeenvolgende jaren aan kandidaten bij eenzelfde centraal examen (vak en schooltype/leerweg) dezelfde eisen worden gesteld. Omdat het technisch onmogelijk is onze examens van jaar op jaar precies even moeilijk te maken, zorgt de keuze van de normeringsterm (N-term) daarvoor. Het proces van normering is erop gericht, gegeven dit uitgangspunt, de juiste N-term te bepalen. In supplement I staan de formules die bij de omzetting van score naar cijfer worden gehanteerd. Voor ieder centraal examen stelt het College voor toetsen en examens (CvTE), zodra dat mogelijk is, referentiegegevens vast; een referentie-examen met een referentie-N-term en een referentiepopulatie met een referentie-gemiddeld cijfer en referentie-percentage onvoldoende. Bij een stabiel vaardigheidsniveau wordt de N-term bij een nieuw examen zo gekozen dat het gemiddeld cijfer zo dicht mogelijk ligt bij het referentie-gemiddeld cijfer. In een periode waarin het vaardigheidsniveau stabiel is, kunnen de referentiegegevens gebaseerd worden op meerdere jaren en in een periode waarin het vaardigheidsniveau niet stabiel is, zullen de referentiegegevens gebaseerd zijn op het meest recente geschikte centraal examen. Voor ieder centraal examen worden afnamegegevens verzameld; scores per item per kandidaat. Daarnaast wordt informatie verzameld over de moeilijkheidsgraad van dat examen in vergelijking met het referentie-examen. Daarvoor kan gebruik gemaakt worden van: De N-term wordt bepaald aan de hand van een gewogen oordeel over alle beschikbare bronnen voor het betreffende centraal examen. Op deze manier wordt gezorgd dat een verandering in vaardigheidsniveau gesignaleerd wordt en de prestatie-eis gelijk blijft ook als de vaardigheid van de examenpopulatie verschilt van de referentiepopulatie8Dit is een groep kandidaten uit een of meer eerdere examenjaren, waarvan gegevens ov
- – Het referentie-examen met de referentie-N-term vormt, in combinatie met de inhoud van de syllabus, de prestatie-eis op het centraal examen.1De prestatie-eis is de prestatie die een leerling moet leveren om een voldoende op een centraal examen te halen en daarmee te laten zien dat de leerstof beschreven in de syllabus in voldoende mate wordt beheerst.Bij een nieuw examen zou het, bij gelijke vaardigheid, even moeilijk moeten zijn om hetzelfde cijfer te halen als op het referentie-examen. Het CvTE monitort of handhaven van de prestatie-eis op een centraal examen reëel en mogelijk is en stelt deze zo nodig bij.2Als blijkt dat het handhaven van de prestatie-eis niet meer mogelijk of reëel is, benadert het CvTE de Minister met een analyse waarin wordt onderbouwd dat de eisen niet meer te handhaven zijn en of wellicht maatregelen kunnen worden genomen (bijvoorbeeld in het onderwijs) waardoor de vaardigheid van de kandidaten weer in lijn komt met de eisen.
- – De referentiepopulatie is de groep examenkandidaten uit één of meerdere examenjaren. Het referentiegemiddeld cijfer geeft aan welk gemiddeld cijfer de referentiepopulatie gehaald zou hebben op het referentie-examen bij de referentie-N-term. De prestaties van nieuwe kandidaten kunnen vergeleken worden met die van de referentiepopulatie.
- − Pretest, posttest of anchor in package3Bij een pre- of posttest is de vergelijking gebaseerd op resultaten van leerlingen die onderdelen uit een examen en ankeropgaven hebben gemaakt. Bij anchor in package maken opgaven uit een eerder examenjaar deel uit van het huidige examen. De term package komt van de digitale examens waar de verschillende varianten van het examen tezamen package genoemd worden.
- − Vergelijkende standaardbepalingen4Bij een vergelijkende standaardbepaling is het oordeel over de moeilijkheidsgraad gebaseerd op een door een groep experts uitgevoerde vergelijking van de moeilijkheidsgraad van de twee examens.
- ○ Uitgevoerd door de vaststellingscommissie van het CvTE
- ○ uitgevoerd door een groep experts onder leiding van Stichting Cito
- ○ uitgevoerd door correctoren van de staatsexamens
- − Methoden om vaardigheidswijziging in een cluster van vakken te schatten5Op basis van de waargenomen vaardigheidsontwikkeling op examens met een pretest, posttest, anchor in package of standaardbepaling, wordt de vaardigheidsontwikkeling geschat voor vergelijkbare vakken zonder dergelijke equivaleringsmethoden.
- − Docentenoordeel6Examendocenten wordt gevraagd de moeilijkheidsgraad van het door hen nagekeken examen te vergelijken met een examen uit een eerder examenjaar.
- − Historische N-termen7De N-termen die de afgelopen jaren zijn vastgesteld op het betreffende centrale examen.
- − vergelijking tijdvak 2 met tijdvak 1 op basis van de resultaatverbetering van kandidaten die in het eerste tijdvak een onvoldoende hadden
- a. de fout of onvolkomenheid niet eerder is hersteld via een erratum op de opgaven of via een aanvulling op het correctievoorschrift, bedoeld in artikel 10 van de Regeling beoordelingsnormen en bijbehorende scores centraal examen VO;
- b. herstel via een aanvulling op het correctievoorschrift gelet op het tijdstip waarop de fout wordt vastgesteld naar het oordeel van het CvTE leidt tot een te groot risico op onjuistheden bij het vaststellen van scores op examens; en
- c. de N-term nog niet is vastgesteld.
- 1. Elk gescoord punt draagt altijd bij tot een hoger examencijfer (afronding daargelaten);
- 2. Een score van 0% correspondeert altijd met examencijfer 1,0;
- 3. Een score van 100% correspondeert altijd met examencijfer 10,0;
- 4. Over een zo breed mogelijk centraal interval van de scoreschaal is er (afronding daargelaten) sprake van een evenredige stijging van score- en cijferpunten die onafhankelijk is van de normering.
- − de hoofdrelatie: de formule die, voor de overgrote meerderheid van de kandidaten, het berekeningsvoorschrift geeft voor het omzetten van score naar cijfer;
- − vier grensrelaties: vier formules die (bij andere N-termen dan 1,0) voorkomen dat kandidaten met zeer lage of zeer hoge scores een cijfer zouden krijgen dat in strijd is met bovengenoemde vier uitgangspunten.