Art. 4.1 Wet natuurbescherming, Houtopstanden
Het bepaalde bij en krachtens deze paragraaf, met uitzondering van artikel 4.6, heeft geen betrekking op:
a. houtopstanden binnen de bij besluit van de gemeenteraad vastgestelde grenzen van de bebouwde kom;
b. houtopstanden op erven of in tuinen;
c. fruitbomen en windschermen om boomgaarden;
d. naaldbomen, kennelijk bedoeld om te dienen als kerstbomen, indien niet ouder dan twintig jaar;
e. kweekgoed;
f. uit populieren of wilgen bestaande:
1°. wegbeplantingen;
2°. beplantingen langs waterwegen, en
3°. eenrijige beplantingen langs landbouwgronden;
g. het dunnen van een houtopstand;
h. uit populieren, wilgen, essen of elzen bestaande beplantingen die kennelijk zijn bedoeld voor de productie van houtige biomassa, indien zij:
1°. ten minste eens per tien jaar worden geoogst;
2°. bestaan uit minstens tienduizend stoven per hectare per beplantingseenheid, zijnde een aaneengesloten beplanting die niet wordt doorsneden door onbeplante stroken breder dan twee meter, en
3°. zijn aangelegd na 1 januari 2013.
Uitspraken die dit artikel aanhalen
- ABRvS 21 december 2022, ECLI:NL:RVS:2022:3910
- ABRvS 14 augustus 2019, ECLI:NL:RVS:2019:2772
- ABRvS 5 februari 2020, ECLI:NL:RVS:2020:379
- Rb. Oost-Brabant 27 juni 2018, ECLI:NL:RBOBR:2018:3110
- ABRvS 27 november 2019, ECLI:NL:RVS:2019:4017
- Rb. Zeeland-West-Brabant 19 april 2023, ECLI:NL:RBZWB:2023:2638
- Rb. Zeeland-West-Brabant 23 december 2019, ECLI:NL:RBZWB:2019:5908
- Rb. Noord-Nederland 23 augustus 2022, ECLI:NL:RBNNE:2022:3016
- Rb. Noord-Nederland 18 augustus 2022, ECLI:NL:RBNNE:2022:2931
- Rb. Limburg 18 december 2023, ECLI:NL:RBLIM:2023:7355