Art. 3.34 Wet natuurbescherming, Overige bepalingen ten aanzien van in het wild levende dieren en planten
1. Het is verboden dieren of eieren van dieren uit te zetten.
2. Het verbod, bedoeld in het eerste lid, geldt niet voor het uitzetten van dieren van soorten die op grond van artikel 1, tweede lid, van de Visserijwet 1963 zijn aangewezen als «vis», of voor het uitzetten van hun eieren.
3. Gedeputeerde staten kunnen ontheffing en provinciale staten kunnen vrijstelling verlenen van het verbod, bedoeld in het eerste lid.
4. Het is verboden exoten behorende tot bij algemene maatregel van bestuur aangewezen plantensoorten te planten of te zaaien.
5. Onze Minister kan, in zoverre in afwijking van het derde lid, ontheffing of vrijstelling verlenen van de verboden, bedoeld in het eerste en vierde lid, ten behoeve van de herintroductie van soorten, of voor het uitzetten, planten of zaaien van exoten. Onze Minister verleent een ontheffing of vrijstelling als bedoeld in de vorige volzin in overeenstemming met gedeputeerde staten van de provincie waar de herintroductie of uitzetting plaatsvindt.
Uitspraken die dit artikel aanhalen
- ABRvS 4 december 2024, ECLI:NL:RVS:2024:4983
- ABRvS 5 januari 2022, ECLI:NL:RVS:2022:31
- Rb. Noord-Holland 23 februari 2018, ECLI:NL:RBNHO:2018:1423
- Rb. Zeeland-West-Brabant 6 augustus 2024, ECLI:NL:RBZWB:2024:5405
- Rb. Zeeland-West-Brabant 6 augustus 2024, ECLI:NL:RBZWB:2024:5404
- Rb. Zeeland-West-Brabant 6 augustus 2024, ECLI:NL:RBZWB:2024:5402
- Rb. Noord-Holland 15 september 2017, ECLI:NL:RBNHO:2017:7645