Bijlage 1 Besluit vaststelling beleidsregels en subsidieplafond Subsidieregeling Ministerie van Buitenlandse Zaken 2006 (Addressing Root Causes Fund 2016–2021): algemeen
Meer en meer mensen verlaten huis en haard om een veilig onderkomen te vinden. In 2014 vluchtten ruim acht miljoen mannen en vrouwen als gevolg van gewapend conflict, bedreiging en vervolging. Het aantal vluchtelingen komt daarmee op een totaal van bijna zestig miljoen. Wereldwijd is nu één op de 122 mensen vluchteling, ontheemd of asielzoeker. Nooit eerder waren dat er zoveel. Het overgrote deel van de vluchtelingen is ontheemd in eigen land (38 miljoen) en ongeveer een derde vindt een onderkomen in het buitenland. Meestal is dit één van de buurlanden, maar steeds meer vluchtelingen weten ook de weg naar Europa te vinden. Vluchtelingenorganisatie UNHCR schat dat ruim 750.000 vluchtelingen in 2015 via de Middellandse Zee Europa bereikten.5Refugees/Migrants Emergency Response. UNHCR, 2015. http://data.unhcr.org/mediterranean/regional.php Ook Nederland ondervindt in toenemende mate de effecten van de groei van het aantal vluchtelingen en migranten. Volgens het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) vroegen in 2014 24.000 mensen asiel aan in Nederland, een toename van 66 procent ten opzichte van 2013. Van januari tot november 2015 vroegen 54.000 mensen asiel aan in Nederland.6Cijfers Ministerie van Veiligheid en Justitie, 14 december 2015. Een groot deel van de mensen dat besluit te vertrekken komt uit herkomstlanden die gekenmerkt worden door gewapend conflict en/of repressie. Een tweede groep komt uit landen die (momenteel) niet verwikkeld zijn in een gewapend conflict, maar die hoog op de Fragile States Index staan en vaak een lange geschiedenis van gewapend conflict of instabiliteit kennen. Deze landen worden gekenmerkt door een combinatie van o.a. geweld, politieke instabiliteit, gebrek aan onafhankelijke rechtspraak, slecht bestuur, hoge (jeugd)werkloosheid, ongelijke verdeling van rijkdom, hoge bevolkingsgroei en gebrek aan betaalbaar onderwijs.7States of Fragility 2015 – Revised Edition. OECD, 2015. Bijna de helft van de wereldbevolking die onder de armoedegr
- 0. Begrippenlijst
- 1. Algemeen
- 2. Procedure
- 3. Eisen aan de aanvraag en indiening
- 4. Beoordelingscriteria
- Beleidsdoelstelling(en): De beleidsdoelstellingen van het speerpunt Veiligheid & Rechtsorde zijn de vijf doelstellingen zoals beschreven op pagina zes van dit beleidskader. Per ‘doelland’ is/zijn er één of meerdere beleidsdoelstelling(en) geselecteerd waarop aanvragen ingediend kunnen worden. De geselecteerde beleidsdoelstelling(en) zijn per doelland uitgesplitst in één of meerdere landendoelstelling(en).
- Landendoelstelling(en): De subdoelstellingen van het speerpunt Veiligheid & Rechtsorde geformuleerd per doelland in annex 1 bij dit beleidskader (bijvoorbeeld voor wat betreft Afghanistan zijn dat 5.1, 2.1, 2.2, etc.).
- Doellanden: De landen waarvoor het Addressing Root Causes Fund openstaat.
- Programma-outcomes: Door de aanvrager/alliantie geformuleerde middellange termijn effecten of consequenties van programma-outputs op de begunstigden van het programma, die binnen de duur van het project behaald kunnen worden.
- 1. verbeterde veiligheid voor mensen,
- 2. een functionerende rechtsorde,
- 3. inclusieve politieke processen,
- 4. legitieme en capabele overheden en
- 5. gelijke toegang tot werkgelegenheid en basisvoorzieningen.13Kamerbrief (Kamerstuk 32 605 nr. 94) over het speerpunt Veiligheid en Rechtsorde, 21 mei 2012.
- • op een gedegen marktanalyse (uit betrouwbare bronnen) gestoeld zijn en (mede daardoor) evident vraaggestuurd zijn;
- • zich richten op de aanpak van specifieke, voor de context relevante tekortkomingen binnen de vraag (naar arbeid/diensten), het aanbod (bijv. een gebrek aan de juiste vaardigheden bij beoogde doelgroepen) en/of de bemiddeling tussen vraag en aanbod;
- • laten zien hoe (centrale en lagere) overheden worden gestimuleerd barrières te slechten die een adequaat arbeidsmarkt- en ondernemingsklimaat hinderen; en
- • zich bewust zijn van hun impact op lokale markten (vanuit de doelstelling zo min mogelijk marktverstorend te werken) en complementair zijn aan relevante initiatieven van andere actoren.
- • Aanvragers zijn verplicht om voor de informatie ten behoeve van de drempeltoets het aanvraagformulier25https://www.rijksoverheid.nl/onderwerpen/subsidies-voor-ontwikkelingssamenwerking-en-europa/inhoud/subsidies-maatschappelijke-organisaties te gebruiken. Hiervoor geldt geen maximum aantal pagina’s.
- • Het trackrecord en de conceptnotitie dienen te worden opgesteld aan de hand van de daarvoor beschikbaar gestelde formats (annex 1 en 2 bij het aanvraagformulier) en dienen zichtbaar ten minste in te gaan op alle onderdelen genoemd onder 3.3. Het trackrecord en de conceptnotitie dienen als verplichte bijlagen aan het aanvraagformulier toegevoegd te worden.
- • De conceptnotitie beslaat maximaal veertien pagina’s. Dit is exclusief het voorblad, de toelichtingen en checklists en onderdeel vijf gericht op het subsidiebedrag in het format.
- ○ Voor de visualisatie van de verandertheorie maken aanvragers gebruik van het daarvoor beschikbaar gestelde figuur. Dit figuur, inclusief de handleiding, is te vinden in het format t.b.v. de conceptnotitie.
- ○ Indien de aanvraag zich (mede) richt op doelstelling 5.1 dan beslaat de conceptnotitie maximaal vijftien pagina’s, waarbij maximaal één pagina voor de marktanalyse mag worden uitgetrokken.
- • Het trackrecord beslaat niet meer dan zes pagina’s per casus. Dit is exclusief het voorblad, de toelichtingen, checklists en onderdeel één (duur en intensiteit) in het format en de verplichte bijlages.
- • Aanvragers gebruiken enkele regelafstand, normale marges (2,54 cm aan alle kanten) en lettertype Verdana 9 (of een vergelijkbaar lettertype van vergelijkbare grootte).
- • Het trackrecord en de conceptnotitie dienen beide voorzien te zijn van een voorblad waarop in ieder geval de volgende informatie vermeld staat: de titel van het fonds (Addressing Root Causes Fund), de naam van de aanvrager/penvoerder en mede-indieners, de contactpersoon van de aanvrager/penvoerder, de titel van het voorstel, naam van het land en de door de aanvrager/alliantie gekozen landendoelstelling(en).
- • Aanvragen, inclusief alle bijlagen, moeten in het Engels ingediend worden.
- • Het aangevraagde subsidiebedrag moet in euro’s ingediend worden. Er hoeft in fase I geen budget in te worden gediend. In de conceptnotitie (onderdeel vijf van het format) noemt de aanvrager/alliantie een minimaal subsidiebedrag per geformuleerde programma-outcome die de aanvrager/alliantie nodig denkt te hebben voor het behalen van de geformuleerde programma-outcomes, daarnaast noemt de aanvrager/alliantie het maximaal gewenste subsidiebedrag per programma-outcome. In het geval van een alliantie worden deze bedragen uitgesplitst over de indienende organisaties. De bovengrens van het aangevraagde subsidiebedrag is het maximum bedrag dat de aanvrager als subsidie toegewezen kan krijgen. Zie het format voor verdere toelichting.
- • Indien de aanvrager gebruik maakt van bijlages dient de aanvrager in het voorstel expliciet te verwijzen naar de betreffende bijlage en het paginanummer en alinea van de bijlage waar de informatie te vinden is. Alle informatie waarnaar gevraagd wordt in dit beleidskader dient zichtbaar en duidelijk vindbaar in de aangeleverde stukken betreffende uw aanvraag te staan. Verwijzingen naar websites zijn niet toegestaan.
- • Aanvragen voor een subsidie dienen met gebruikmaking van het door de minister vastgestelde aanvraagformulier t.b.v. drempeltoets, met de formats t.b.v. het trackrecord en de conceptnotitie als verplichte bijlages toegevoegd, uiterlijk op vrijdag 4 maart 2016 om 12.00 uur Nederlandse tijd te zijn ontvangen op het Ministerie van Buitenlandse Zaken. Aanvragen moeten of per-email als Adobe PDF26Maak geen gebruik van We Transfer of vergelijkbare websites voor het indienen van voorstellen. Het is toegestaan om de documenten in zip file aan te leveren. worden ingediend via DSH-ARCFUND@minbuza.nl of per post naar Ministerie van Buitenlandse Zaken, t.a.v. DSH ARC Fund, Postbus 20061 EB Den Haag, Nederland. Indien de aanvraag per post wordt ingediend, dienen de bestanden ook digitaal op USB-stick meegeleverd te worden.
- • Aanvragen die later dan genoemde datum en tijdstip worden ingediend worden afgewezen. De aanvrager/penvoerder is de enige verantwoordelijke voor een tijdige en volledige indiening van een aanvraag.
- • Indien de aanvraag per e-mail wordt ingediend, moet het onderwerp van de e-mail als volgt worden opgesteld: naam land _ naam aanvrager/penvoerder _ titel van het voorstel
- • Aanvragen dienen compleet en zonder voorbehoud te worden ingediend, rechtsgeldig ondertekend. Het is niet mogelijk om een voorlopige aanvraag in te dienen.
- • Indien het voorstel wordt ingediend door een alliantie dient de aanvraag voorzien te zijn van een, door alle leden getekende, samenwerkingsovereenkomst.
- • Mochten er vragen zijn naar aanleiding van het beleidskader en aanvraagformulier, dan kunt u deze uitsluitend per e-mail op het adres DSH-ARCFUND@minbuza.nl indienen in de volgende twee perioden:
- ○ Tot woensdag 20 januari 2016, 12:00 uur waarna de vragen geanonimiseerd beantwoord en gepubliceerd worden op de website op uiterlijk woensdag 27 januari.
- ○ Tot vrijdag 5 februari 2016, 17:00 waarna de vragen geanonimiseerd beantwoord en gepubliceerd worden op de website op uiterlijk vrijdag 12 februari.
- • Voorstellen die meerdere landen bestrijken worden afgewezen. Voor elk land waarvoor een aanvrager/alliantie subsidie wil aanvragen dient een afzonderlijke aanvraag, bestaande uit informatie ten behoeve van de drempeltoets met als verplichte bijlages een trackrecord en conceptnotitie, te worden ingediend.
- • De aanvrager komt voor maximaal één subsidieaanvraag in het gekozen doelland in aanmerking. Dat kan zijn een individuele subsidieaanvraag of een aanvraag in één alliantieverband waarbij geen onderscheidt wordt gemaakt in penvoerders en mede-indieners. Indien een aanvrager meerdere aanvragen indient voor één doelland, dan wel in meerdere aanvragen voor hetzelfde doelland participeert, hetzij als penvoerder, hetzij als mede-indiener, worden deze aanvragen alle afgewezen.
- • Er is geen maximum aan het aantal landen waarvoor een aanvrager een voorstel in mag dienen.
- • In het kader van de aanvraagprocedure wordt met nadruk gewezen op artikel 7, derde lid, van het Subsidiebesluit Ministerie van Buitenlandse Zaken. Mocht een voorstel onvolledig worden ingediend, dan kan de minister vragen om aanvulling. Als datum van ontvangst van het voorstel zal vervolgens gelden de datum waarop het voorstel is aangevuld. Indien een voorstel pas in de laatste twee weken voor het verstrijken van de deadline van 4 maart 2016, 12:00 uur Nederlandse tijd wordt ingediend, loopt de indiener het risico dat de minister geen toepassing zal geven aan haar bevoegdheid om de indiener een aanvulling te vragen, aangezien een dergelijke aanvulling niet meer mogelijk is zonder de deadline te overschrijden. In dat geval zal het voorstel niet meer kunnen worden aangevuld, maar zal het worden beoordeeld zoals het primair was ingediend.
- 1. In het gekozen doelland gericht op de beleidsdoelstellingen van het speerpunt Veiligheid & Rechtsorde, niet zijnde de gekozen landendoelstelling(en) en;
- 2. In een andere fragiele staat27Dat wil in dit kader zeggen een land uit de top 40 van de Fragile States Index uit 2015 van het Fund for Peace: http://www.fsi.fundforpeace.org/rankings-2015., dan wel Jordanië of Libanon, niet zijnde het gekozen doelland, gericht op de gekozen landendoelstelling(en).28Dit betekent bijv. dat als de aanvrager/penvoerder een aanvraag indient voor Afghanistan en daarbij kiest om zich te richten op de voor Afghanistan geselecteerde beleidsdoelstelling 2 (functionerende rechtsorde), maar in Afghanistan nog geen ervaring op die doelstelling heeft dat de volgende twee casussen aanlevert: (1) een programma op het gebied van functionerende rechtsorde in een andere fragiele staten dan wel Jordanië of Libanon (zie de lijst bij voetnoot 26) EN (2) een programma in Afghanistan op andere doelstellingen van het speerpunt V&R niet zijnde doelstelling 2 functionerende rechtsorde.
- • In het geval dat de aanvrager/penvoerder (en evt. mede-indiener) de moederorganisatie is, mogen de programma’s uitgevoerd door de gehele eigen organisatie als casus gebruikt worden.
- • In het geval dat de aanvrager/penvoerder (en evt. mede-indiener) de dochterorganisatie van een internationale ngo is, dan mogen alleen programma’s als casus worden gebruikt die de desbetreffende aanvrager/penvoerder (en evt. mede-indiener) volledig in eigen beheer heeft en wordt uitgevoerd door (een combinatie van) eigen medewerkers, de lokale afdeling van de moederorganisatie en/of een lokale partnerorganisatie.
- • In het geval dat de aanvrager/penvoerder (en evt. mede-indiener) de dochterorganisatie van een internationale ngo is, dan mogen programma’s als casus gebruikt worden waarbij de aanvrager/penvoerder (en evt. mede-indiener) die als penvoerder van de uitvoerende alliantie fungeert verantwoordelijk is voor de resultaten.
- • In het geval dat de aanvrager/penvoerder (en evt. mede-indiener) de dochterorganisatie van een internationale ngo is, mogen programma’s die de aanvrager samen met een andere dochter van de internationale ngo beheert niet als casus gebruikt worden.
- • In het geval dat de aanvrager/penvoerder (en evt. mede-indiener) de dochterorganisatie van een internationale ngo is of onderdeel uitmaakt van netwerk van organisaties, dan mogen programma’s die door andere dochterorganisaties of leden van het netwerk worden uitgevoerd niet als casus gebruikt worden.
- • In het geval de aanvrager/penvoerder (en evt. mede-indiener) financiële middelen heeft geworven voor programma’s, zonder dat de verantwoordelijkheid voor de resultaten bij de aanvrager/penvoerder (en evt. mede-indiener) ligt, dan mogen deze programma’s niet als casus gebruikt worden.
- • Duur en intensiteit van voor het ARC-fonds relevante ervaring: Zie 3.3.2. en het format t.b.v. het trackrecord voor de toelichting hierover.
- • Context en relevantie: De aanvrager/penvoerder schetst de context waarin het programma werd uitgevoerd en de relevantie van het programma voor de doelgroep.
- • Effectiviteit: De aanvrager/penvoerder laat zien in welke mate het programma succesvol is geweest in het realiseren van resultaten (programma-outcomes29Met outcomes wordt bedoeld: de middellange termijn effecten of consequenties van programma-outputs op de begunstigden van het programma. Dit kan bijvoorbeeld inhouden: hun reacties op en tevredenheid met producten of diensten en gedrags- of andersoortige verandering op de korte tot middellange termijn die plaatsvinden onder de doelgroep. De tijdsplanning is zo dat de outcomes van het project bereikt kunnen worden binnen de duur van het project. Zie OECD/DAC: http://www.oecd.org/development/evaluation/1886527.pdf) in vergelijking met de vooraf geformuleerde doelstellingen. Geef daarbij aan hoe de gekozen interventiestrategie en daaraan gerelateerde activiteiten hebben bijgedragen aan het realiseren van de resultaten. Staaf dit aan de hand van outcome-indicatoren en voor in ieder geval één casus door middel van een evaluatie. Indien resultaten niet (volledig) behaald werden, leg uit welke interne en externe factoren hieraan ten grondslag lagen, welke lessen hieruit getrokken en hoe deze lessen hebben geleid tot aanpassingen in de interventiestrategie.30Indien aanvragers hier naar behoren op ingaan, is het maximum aantal punten voor criterium T1 niet uitgesloten.
- • Duurzaamheid: De aanvrager/penvoerder laat zien hoe de duurzaamheid van de behaalde resultaten is gewaarborgd. Specificeer daarbij op grond van welke indicatoren dit is aangetoond. Geef aan op welke manier (lokale) autoriteiten, lokale organisaties en de doelgroep onderdeel waren van (het opstellen van) een strategie gericht op duurzaamheid. Indien deze groepen geen onderdeel waren van de strategie gericht op duurzaamheid, leg uit waarom.31Indien aanvragers hier naar behoren op ingaan, is het maximum aantal punten voor criterium T2 niet uitgesloten. Zie hoofdstuk vier.
- • Betrokkenheid partnerorganisaties: De aanvrager/penvoerder geeft aan op welke manier partners betrokken waren bij het programmaontwerp, de uitvoering, de monitoring en de verantwoording en hoe hun capaciteiten daarbij versterkt zijn. In casussen waarbij het niet haalbaar was om via partnerorganisaties te werken of het niet in het belang van het programma/de doelgroep beschouwde, leg uit waarom dat het geval was.32Indien aanvragers hier naar behoren op ingaan, is het maximum aantal punten voor criterium T3 niet uitgesloten. Zie hoofdstuk vier.
- • Betrokkenheid doelgroep: De aanvrager/penvoerder geeft aan op welke manier de doelgroep betrokken was bij het programmaontwerp, de uitvoering, de monitoring en verantwoording. Indien van toepassing, geef aan welke concrete aanpassingen zijn gedaan op grond van de feedback van de doelgroep in vergelijking met de oorspronkelijke doelstellingen en/of interventiestrategie.
- • Monitoring en evaluatie: De aanvrager/penvoerder geeft aan welke monitoring- en evaluatiemethodes gebruikt zijn, inclusief het formuleren van een baseline, om voortgang op het behalen van de doelstellingen te monitoren en het leren van lessen. Ga daarbij specifiek in op hoe gemeten wordt of het programma gender-sensitief dan wel gender-transformatief is. Het is hierbij van belang dat de aanvrager aantoont dat de gebruikte monitoring- en evaluatiemethodes verandering in de bredere omgeving in kaart brengt en leidt tot korte feedback en ‘learning loops’. Indien van toepassing, leg uit hoe de onderliggende aannames van verandertheorie getest werden en of en hoe dit tot aanpassingen in de verandertheorie heeft geleid.
- • Complementariteit en toegevoegde waarde: De aanvrager/penvoerder laat zien hoe het programma complementair was aan en van toegevoegde waarde op andere programma’s geïmplementeerd door de aanvrager en programma’s van andere organisaties in hetzelfde interventiegebied. Leg daarbij uit hoe de coördinatie en afstemming met andere relevante actoren verliep. Indien een programma niet complementair was, leg uit waarom.33Indien aanvragers hier naar behoren op ingaan, is het maximum aantal punten voor criterium T6 niet uitgesloten. Zie hoofdstuk vier.
- • Gender: De aanvrager/penvoerder laat zien aan hoe het programma gender-sensitief dan wel gender-transformatief was (inclusief medewerkers, doelgroep en capaciteitsopbouw).
- • Conflict-sensitiviteit: De aanvrager/penvoerder laat zien hoe de eigen rol en de rol van partners conflict-sensitief was op een manier dat de aanvrager begrijpt hoe de interventies en de context op elkaar inwerkten, zowel positief als negatief, en welke stappen genomen werden om de mogelijk negatieve effecten te mitigeren. Indien het programma bewust gericht was op activiteiten die spanningen en conflicten in de samenleving deden toenemen (bijvoorbeeld door het confronteren/doorbreken van bestaande machtsstructuren, ongelijkheid, corruptie en/of exploitatie), dan dient de aanvrager aan te geven op basis van welke legitimiteit het zulke activiteiten ondernam.
- • Contextanalyse en actorenmapping v.w.b. het/de beoogde interventiegebied(en): De aanvrager/alliantie geeft aan op welk(e) interventiegebied(en) (nationaal/provinciaal/lokaal – afhankelijk van het beoogde interventiegebied) de aanvraag zich richt. De aanvrager dient een adequate contextanalyse te schetsen uitvloeiend in een logische probleemstelling (de gedefinieerde grondoorzaken van het gewapende conflict of instabiliteit dan wel irreguliere migratie) in het/de beoogde interventiegebied(en). Indien de aanvraag zich op doelstellingen 5.1 (werkgelegenheid) focust dient een marktanalyse onderdeel te zijn van de contextanalyse. Daarnaast geeft de aanvrager/alliantie een overzicht (mapping) van de actoren die van belang zijn voor de oplossing van het probleem, in zowel positieve als negatieve zin, en de onderlinge verhoudingen tussen deze actoren. Schenk hierbij specifiek aandacht aan:
- ○ De politieke en socio-economische dynamiek.
- ○ De politieke en socio-economische machtsstructuren, waarbij in ieder geval wordt ingegaan op de relatie tussen mannen en vrouwen.
- ○ De invloed van de regionale/nationale context c.q. gebeurtenissen op de politieke en socio-economische dynamiek in het/de beoogde interventiegebied(en).
- ○ De formulering van een heldere probleemstelling, te weten de geïdentificeerde grondoorzaken van gewapend conflict of instabiliteit, dan wel irreguliere migratie, die voortvloeit uit bovenstaande analyse.
- ○ De actoren die invloed hebben op de mogelijke oplossing van het probleem; zowel in positieve als in negatieve zin; inclusief de onderlinge verhoudingen tussen de verschillende actoren.
- ○ De rol van de aanvrager/alliantie en van partners in de context.
- ○ De bronnen die geraadpleegd zijn in de totstandkoming van deze context- en actorenmapping.
- ○ Indien van toepassing, een gedegen marktanalyse waarin beschreven wordt hoe de markt eruit ziet, wie de belangrijkste spelers zijn en wat de voornaamste kansen en belemmeringen in de markt zijn. Hierbij dient aangetoond te worden waarop de analyse is gebaseerd (ervaring en/of onderzoek) meegeleverd als bijlage(n).
- • Verandertheorie: De aanvrager/alliantie specifieert de verandertheorie in de vorm van een visualisatie. Hiervoor wordt gebruik gemaakt van het figuur in het format t.b.v. de conceptnotitie. Op grond van deze verandertheorie en de uitkomsten van het consultatieproces wordt in fase II (zie 2.2.) een programmadocument uitgewerkt. In de aanvraag gaat het daarom om een eerste opzet.
- ○ In de visualisatie dient de aanvrager/alliantie de volgende onderdelen op te nemen:
- • De beoogde resultaatgebieden (programma-outcomes34Zie voetnoot 29.) voor het in fase II uit te werken programmadocument die bijdragen aan de door de aanvrager/alliantie gekozen landendoelstelling(en) uit annex 1 van het beleidskader in het door de aanvrager/alliantie gekozen doelland. Hierbij dient de aanvrager/alliantie te streven naar maximaal drie programma-outcomes.
- • De aannames over de verbanden tussen de programma-outcomes en de landendoelstelling(en).
- • De verbanden tussen de verschillende programma-outcomes.
- • De strategie voor het bereiken van de programma-outcomes, inclusief de daaronder liggende aannames.
- ○ In de conceptnotitie licht de aanvrager/alliantie de volgende onderdelen betreffende de verandertheorie toe:
- • Hoe de programma-outcomes bijdragen aan (1) de overkoepelende doelstellingen van het ARC-fonds en (2) de gekozen landendoelstelling(en) in annex 1 van het beleidskader in het door de aanvrager/alliantie gekozen doelland en beoogde interventiegebied(en).
- • Hoe de strategie beschreven in de visualisatie bijdraagt aan het behalen van de programma-outcomes.
- • Hoe de programma-outcomes complementair zijn aan andere activiteiten die in het desbetreffende land worden ondernomen door de aanvrager/alliantie en andere ngo’ s en multilaterale instellingen en aansluiten bij de prioriteiten van de overheid (indien relevant in een conflictsituatie). Indien de activiteiten niet complementair zijn, leg uit waarom.35Indien aanvragers hier naar behoren op ingaan, is het maximum aantal punten voor criterium C11 niet uitgesloten. Zie hoofdstuk vier.
- • De basis voor de aannames (onderzoek, eigen ervaring, etc.) zoals geformuleerd in de visualisatie.
- • De wijze waarop de duurzaamheid van de programma-outcomes gegarandeerd wordt, waarbij specifiek wordt ingegaan op de rol van (lokale) autoriteiten, lokale partners en de doelgroep.
- • De wijze waarop de verandertheorie genderkwesties op een geïntegreerde en transformerende aanpakt.
- • Hoe de verandertheorie binnen de invloedsfeer van de aanvrager/alliantie ligt.
- • Indien van toepassing (landendoelstelling 5.1), de wijze waarop de programma-outcomes (1) gericht zijn op de aanpak van specifieke, voor de context-relevante tekortkomingen, binnen de vraag, het aanbod en/of de bemiddeling tussen vraag en aanbod op de markt en (2) de (centrale en lagere) overheden gestimuleerd worden om barrières te slechten die een adequaat arbeidsmarkt- en ondernemingsklimaat hinderen.
- • Toegevoegde waarde en relevantie: De aanvrager/alliantie beschrijft waarom het in aanmerking dient te komen voor subsidie in het gekozen doelland. Schenk hierbij specifiek aandacht aan:
- ○ De strategische relevantie van deze aanvraag voor het Nederlandse beleid op speerpunt Veiligheid & Rechtsorde.
- ○ De toegevoegde waarde van de aanvrager/alliantie ten opzichte van andere organisaties actief in het doelland op de gekozen landendoelstelling(en).
- ○ In het geval dat dit een aanvraag van een alliantie betreft, leg uit waarom er voor het werken in een alliantie is gekozen en wat de toegevoegde waarde van het werken in de alliantie is ten opzichte van de individuele alliantieleden.
- • Conflict sensitiviteit: De aanvrager/alliantie toont aan dat het over adequate kennis en expertise op het gebied van conflict-sensitiviteit beschikt en hoe het zorgdraagt dat medewerkers, lokale partners eventuele aannemers op een conflict-sensitieve manier opereren en rapporteren naar de aanvrager/alliantie over contextuele veranderingen en de wisselwerking tussen programma-activiteiten en de context.
- • Subsidiebedrag36Voor dit onderdeel worden geen punten toegekend. De aanvrager/alliantie volstaat met het invullen van het schema in het format.: De aanvrager/alliantie noemt een minimaal subsidiebedrag die de aanvrager/alliantie nodig denkt te hebben voor het behalen van de geformuleerde programma-outcomes, daarnaast noemt de aanvrager/alliantie het maximaal gewenste subsidiebedrag. Zie criterium D.7. in hoofdstuk 4 voor het in dit beleidskader vastgestelde minimum en maximum bedrag voor subsidieaanvragen. De door de aanvrager/alliantie genoemde bedragen mogen niet onder of boven de in dit beleidskader vastgestelde bedragen per voorstel uitkomen. Deze twee bedragen dienen uitgesplitst te worden over de geformuleerde programma-outcomes en in geval van een alliantie over de indienende organisaties. Gebruik hiervoor het schema in het format t.b.v. de conceptnotitie. Daarnaast levert de aanvrager/alliantie de volgende informatie aan: de gewenste looptijd (minimaal 36 en maximaal 60 maanden), de gewenste startdatum (niet eerder dan 1 september 2016 en niet later dan 1 januari 2017) en het percentage van het budget dat naar verwachting via lokale partnerorganisaties uitgegeven gaat worden. Het subsidiebedrag hoeft niet onderbouwd te worden.
- D.1. De aanvrager (of in het geval van een alliantie: de penvoerder) en eventuele mede- indieners is (zijn) een Nederlandse, internationale of lokale non-gouvernementele organisatie (ngo) zonder winstoogmerk en bezit(ten) rechtspersoonlijkheid.
- • Onder ngo wordt verstaan een niet op winst gerichte en niet door een overheidsinstantie opgerichte of aan een overheidsinstantie statutair of feitelijk verbonden organisatie die beschikt over rechtspersoonlijkheid naar burgerlijk recht in het land waar de ngo statutair gevestigd is.
- • Onder Nederlandse ngo wordt verstaan: opgericht in Nederland, volgens Nederlands recht en statutair in Nederland gevestigd.
- • Onder lokale ngo wordt verstaan: een organisatie die statutair is gevestigd in het land waarin de beoogde activiteiten worden uitgevoerd (doelland). Vanwege het conflict in Syrië is het de afgelopen jaren lastig gebleken voor lokale ngo’s om zich statutair te vestigen in Syrië. Daarom geldt voor lokale Syrische ngo’s de volgende definitie: een organisatie die statutair is gevestigd in Syrië, Jordanië, Libanon of Turkije en alleen activiteiten in Syrië uitvoert.
- • Onder internationale ngo wordt verstaan: een organisatie die statutair buiten de grenzen van Nederland en het gekozen doelland is gevestigd en in minimaal twee landen activiteiten implementeert, waarbij de ngo in de periode 2013-2015, of in geval het jaarverslag en/of de jaarrekening voor het jaar 2015 nog niet gereed zijn, de periode 2012–2014, minimaal € 500.000 per jaar buiten het land van vestiging heeft besteed.
- • In het geval van een alliantie omvat de aanvraag een, door alle alliantieleden, getekende samenwerkingsovereenkomst, waarin in ieder geval afspraken zijn neergelegd over (i) de wijze waarop elk van de partijen bijdraagt aan de werkzaamheden van het samenwerkingsverband, (ii) de wijze waarop de besluitvorming in het samenwerkingsverband plaatsvindt, (iii) de wijze waarop de kosten en de risico’s worden gedeeld over de deelnemers en (iv) de wijze waarop de naleving van de aan een subsidie verbonden verplichtingen jegens de minister is gewaarborgd, inclusief de zorg voor gezamenlijke geaggregeerde rapportages.
- D.2. De aanvrager of de penvoerder heeft in de periode 2011–2015, of in geval het jaarverslag en/of de jaarrekening voor het jaar 2015 nog niet gereed zijn, de periode 2010–2014, ten minste drie jaar ervaring met het uitvoeren van programma’s in het doelland voor een budget van:
- • in het geval van een Nederlandse of internationale ngo minimaal € 500.000 per jaar.
- • in het geval van een lokale ngo minimaal € 200.000 per jaar.
- D.3. De aanvrager toont aan dat vanaf 1 januari 2016 ten minste 25% van de jaarlijkse inkomsten afkomstig is uit bronnen anders dan subsidies en/of bijdragen van het Ministerie van Buitenlandse Zaken (incl. ambassades). Subsidies verkregen uit het ARC-fonds zullen nooit meer dan 75% van de totale jaarlijkse inkomsten van de organisatie bedragen. De aannemelijkheid wordt onderbouwd aan de hand van de financiële verslaglegging over de periode 2012–2014.
- • In het geval van een alliantie geldt dit criterium voor de gehele alliantie. Dat wil zeggen dat indien één van de alliantieleden minder dan 25% van de jaarlijkse inkomsten uit andere dan BZ-bijdragen verwerft, dit kan worden gecompenseerd door een andere partij uit de alliantie.
- • Gelden die direct of indirect worden verkregen ten laste van de begroting van het Ministerie van Buitenlandse Zaken (bijvoorbeeld een subsidie of bijdrage van een Nederlandse ambassade) tellen niet mee bij het bepalen van de omvang van de eigen inkomsten maar wel bij het bepalen van de omvang van de jaarlijkse inkomsten.
- D.4.
- A. De maximale bezoldiging van de individuele leden van het management en bestuur van de aanvrager/penvoerder en mede-indieners gevestigd in de EU bedraagt met ingang van het tijdvak waarvoor de subsidie wordt aangevraagd per kalenderjaar ten hoogste € 168.000 op grond van een 36-urige werkweek. Genoemd bedrag bestaat naast de beloning (de som van de periodiek betaalde beloningen en bonusbetalingen) ook uit de belastbare vaste en variabele onkostenvergoedingen en beloningen betaalbaar op termijn, zoals vakantiegeld, een 13e maand, werkgeversdeel pensioenbijdrage e.a. Voor EU lidstaten die geen gebruik maken van de euro geldt dat omrekening van de lokale valuta naar de euro geschiedt op grond van de spotrates die door het ministerie worden gehanteerd met ingang van 1 januari 2016. De koerslijst van deze spotrates is toegevoegd als annex 2 bij het beleidskader.
- B. Gelet op de koopkrachtgegevens gepubliceerd door EUROSTAT (GDP PPS)37* EUROSTAT, http://ec.europa.eu/eurostat/tgm/table.do?tab=table&init=1&language=en&pcode=tec00114&plugin=1 geldt voor aanvragers/penvoerders en mede-indieners gevestigd in de volgende landen een aangepaste norm, op grond van het algemene inkomensniveau in de betreffende landen38Berekend aan de hand van de spotrates die door het ministerie worden gehanteerd met ingang van 1 januari 2016. De koerslijst van deze spotrates is toegevoegd als annex II van het beleidskader.:
- a. Noorwegen: NRK 2.153.538 – € 228.275
- b. Zwitserland: SFR 227.547 – € 207.750
- c. Japan: YEN 22.192.867 – € 168.000
- d. VS/Canada: USD 207.205 – € 189.800
- C. De maximale bezoldiging van de individuele leden van management en bestuur van de aanvrager/penvoerder en mede-indieners gevestigd in landen anders dan EU lidstaten, Noorwegen, Zwitserland, Japan, de VS en Canada staat met ingang van het tijdvak waarvoor subsidie wordt gevraagd in redelijke verhouding tot het niveau van de functie, de geografische ligging en de omvang en complexiteit van de organisatie.
- D.5. De aanvrager heeft de beschikking over een kantoor in het land waarvoor de subsidie wordt aangevraagd – al dan niet via partnerorganisaties. In het geval van een alliantie dienen één of meerdere alliantiepartners over een kantoor te beschikken.
- D.6. De aanvrager/penvoerder is in staat tot adequaat financieel beheer en kan door ervaringsdeskundigheid met betrekking tot de activiteiten waarvoor subsidie wordt gevraagd een doelgerichte en doelmatige uitvoering van de activiteiten waarborgen.
- D.7. De subsidieaanvraag heeft een minimale looptijd van drie jaar (36 maanden) en maximale looptijd van vijf jaar (60 maanden) en het gevraagde subsidiebedrag betreft minimaal jaarlijks gemiddeld: Voor alle aanvragen geldt dat het aangevraagde subsidiebedrag een maximum heeft van € 10 miljoen per land bij een gehele looptijd van vijf jaar (2016–2021). Indien de aanvraag een kortere periode betreft bedraagt het gevraagde subsidiebedrag niet meer dan € 6 miljoen bij een looptijd van drie jaar en € 8 miljoen bij een looptijd van vier jaar.
- • € 500.000 per jaar wanneer het een Nederlandse of internationale ngo betreft.
- • € 200.000 per jaar wanneer het een lokale ngo betreft.
- • € 1.000.000 per jaar wanneer het een alliantie betreft.
- D.8. De activiteiten starten niet eerder dan 1 september 2016 en niet later dan 1 januari 2017 en worden uiterlijk afgerond op 31 december 2021.
- D.9. De aanvrager komt voor maximaal één subsidieaanvraag in het gekozen doelland in aanmerking. Dat kan zijn een individuele subsidieaanvraag of een aanvraag in één alliantieverband waarbij geen onderscheidt wordt gemaakt in penvoerders en mede-indieners. Indien een aanvrager meerdere aanvragen indient voor één doelland, dan wel in meerdere aanvragen voor hetzelfde doelland participeert, hetzij als penvoerder, hetzij als mede-indiener, worden deze aanvragen allen afgewezen.
- D.10. De subsidieaanvraag richt zich op (1) de algemene doelstelling van het ARC-fonds, namelijk het wegnemen van grondoorzaken van instabiliteit/conflict en/of irreguliere migratie en (2) één of meerdere landendoelstellingen zoals geformuleerd in het beleidskader.
- D.11. De subsidieaanvraag betreft geen:
- • initiatieven die proselitisme (mede) beogen;
- • financiering van commerciële dienstverlening, investeringen of commerciële activiteiten;
- • activiteiten waarvoor reeds rechtstreeks een subsidie of bijdrage ten laste van het Ministerie van Buitenlandse Zaken wordt ontvangen;
- • activiteiten van een lokale maatschappelijke organisatie waarvoor reeds middellijk ten laste van de begroting van het Ministerie van Buitenlandse Zaken een bijdrage wordt ontvangen.
- • activiteiten van organisaties die reeds ten laste van de begroting van het Ministerie van Buitenlandse Zaken een instellingssubsidie ontvangen waarvan de werkingsduur zich uitstrekt tot in het subsidietijdvak waarop de tender waarvoor een aanvraag wordt ingediend betrekking heeft.
- D.12. De subsidieaanvraag betreft activiteiten die worden uitgevoerd in één van de doellanden Afghanistan, Pakistan, Jordanië, Libanon, Syrië, Ethiopië, Somalië, Sudan, Zuid-Sudan, Mali, Burundi en de Democratische Republiek Congo.
- T.1. De mate waarin de geplande outcomes gerealiseerd zijn en dit gestaafd wordt door middel van onafhankelijk onderzoek.
- T.2. De mate waarin de outcomes duurzaam waren.
- T.3. De mate waarin de partners betrokken waren bij (1) de voorbereiding (= keuze doelstellingen), (2) de uitvoering en (3) monitoring van het programma, (4) de verantwoording over de resultaten van het programma richting begunstigden en (5) de mate waarin hun capaciteiten versterkt zijn.
- T.4. De mate waarin de doelgroep betrokken was bij (1) de voorbereiding (= keuze doelstellingen) en (2) de uitvoering en (3) de monitoring van het programma en er (4) verantwoording over de resultaten aan de doelgroep werd afgelegd.
- T.5. De mate waarin de gebruikte monitoring en evaluatiemethoden de (1) voortgang op de doelstellingen, (2) veranderingen in de bredere omgeving dan het programma, en (3) geleerde lessen in kaart brachten en er op basis van deze informatie wijzigingen in het huidige en toekomstige programma’s werden/zijn doorgevoerd.
- T.6. De mate waarin het programma complementair was, en toegevoegde waarde had op andere in het doelland uitgevoerde programma’s van de aanvrager, andere organisaties en/of de overheid en er sprake was van coördinatie en afstemming met andere organisaties en/of de overheid.
- T.7. De mate het programma gender-sensitief dan wel gender-transformatief was in alle aspecten van het programma.
- T.8.
- A. De mate waarin de rol van de aanvrager/alliantie en eventuele partners conflict-sensitief was. Indien het in de casus omschreven programma zich bewust richt op activiteiten die mogelijk de spanningen/conflicten in een samenleving doen toenemen (bijv. het confronteren en/of doorbreken van bestaande machtsverhoudingen, patronen van ongelijkheid in de samenleving, corruptie en/of exploitatie) dan is ook het volgende criterium van toepassing:
- B. De mate waarin de aanvrager/alliantie zelf of via partners over legitimiteit beschikte om dergelijke activiteiten uit te voeren.
- C.1. De mate waarin de aanvrager/alliantie de socio-economische en politieke dynamiek in het/de beoogde interventiegebied(en) benoemt.
- C.2. De mate waarin de aanvrager/alliantie de socio-economische en politieke machtsstructuren in het/de beoogde interventiegebied(en) benoemt, waarbij in ieder geval wordt ingegaan op de gendermachtsrelaties tussen mannen en vrouwen.
- C.3. De mate waarin de aanvrager/alliantie benoemt hoe de nationale en regionale context de socio-economische en politieke dynamiek in het/de beoogde interventiegebied(en) beïnvloedt.
- C.4. De mate waarin de aanvrager/alliantie een heldere probleemstelling – de geïdentificeerde grondoorzaken van het gewapende conflict of instabiliteit dan wel irreguliere migratie – formuleert die voortvloeit uit de contextanalyse en actorenmapping.
- C.5. De mate waarin de aanvrager/alliantie de actoren die van belang zijn voor de oplossing van het probleem, zowel in positieve als in negatieve zin, en de onderlinge verhoudingen tussen de actoren in het/de beoogde interventiegebied(en) benoemt.
- C.6. De mate waarin de aanvrager/alliantie benoemt welke posities de aanvrager/alliantie en de partners innemen in de context.
- C.7. De mate waarin de contextanalyse en actorenmapping is gebaseerd op verschillende betrouwbare bronnen zowel binnen als buiten het/de beoogde interventiegebied(en).
- C.8. Alleen van toepassing indien de conceptnotitie zich op landendoelstelling 5.1 richt: De mate waarin de marktanalyse:
- A. de markt in het/de beoogde interventiegebied(en) beschrijft;
- B. de belangrijkste spelers op de markt benoemt;
- C. realistische kansen en belemmeringen benoemt;
- D. de analyse gebaseerd is op betrouwbare bronnen (eigen ervaring en/of onderzoek) meegeleverd als bijlage(n).
- C.9. De mate waarin de verandertheorie bijdraagt aan het behalen van de (1) hoofddoelstelling van het ARC-fonds: het wegnemen van grondoorzaken van gewapend conflict of instabiliteit dan wel irreguliere migratie en (2) de gekozen landendoelstelling(en) in annex 1 van het beleidskader in het door de aanvrager/alliantie gekozen doelland.
- C.10. De mate waarin de verandertheorie genderkwesties op een geïntegreerde en transformerende manier aanpakt.
- C.11. De mate waarin de programma-outcomes (1) complementair zijn aan andere activiteiten die in het desbetreffende land worden ondernomen door de aanvrager/alliantie en andere ngo’s en multilaterale instellingen en (2) aansluiten bij de prioriteiten van de overheid in het betreffende land.
- C.12. De mate waarin de voorgenomen strategie bijdraagt aan het behalen van de door de aanvrager omschreven programma-outcomes.
- C.13. De mate waarin de onderliggende aannames expliciet zijn gemaakt en gebaseerd zijn op een solide analyse en/of ervaring van de aanvrager/alliantie.
- C.14. De mate waarin de aanvrager/alliantie aannemelijk maakt dat de verandertheorie binnen de eigen invloedsfeer ligt.
- C.15. De mate waarin de verandertheorie over een overtuigende strategie voor duurzaamheid (d.w.z. dat resultaten beklijven nadat het programma uiterlijk 2021 is afgelopen) beschikt, waarbij specifiek wordt in gegaan op de rol van (lokale) autoriteiten, lokale partners en de doelgroep.
- C.16. Alleen van toepassing indien de conceptnotitie zich op landendoelstelling 5.1 richt:
- A. De mate waarin de programma-outcomes gericht zijn op de aanpak van specifieke, voor de context relevante tekortkomingen binnen de vraag, het aanbod en/of de bemiddeling tussen vraag en aanbod;
- B. De mate waarin de programma-outcomes gericht zijn op het stimuleren van (centrale en lagere) overheden om barrières te slechten die een adequaat arbeidsmarkt- en ondernemingsklimaat hinderen;
- C.17. De mate waarin de aanvrager/alliantie overtuigend motiveert wat de toegevoegde waarde van de aanvrager/alliantie t.o.v. andere organisaties actief in het doelland op de gekozen landendoelstelling(en) in het doelland.
- C.18. De mate waarin de aanvrager/alliantie overtuigend motiveert dat de aanvraag strategische relevant is voor het beleid van Nederland op het speerpunt Veiligheid & Rechtsorde.
- C.19. Alleen van toepassing indien het een aanvraag van een alliantie betreft: de mate waarin de alliantie overtuigend motiveert wat de toegevoegde waarde van het werken in een alliantie is t.o.v. de individuele alliantieleden.
- C.20. De mate waarin de aanvrager/alliantie overtuigend motiveert over adequate kennis en expertise op het gebied van conflict-sensitiviteit te beschikken.
- C.21. De mate waarin de aanvrager/alliantie zeker stelt dat medewerkers, lokale partners en aannemers op een conflict-sensitieve manier opereren en rapporteren naar de aanvrager/alliantie over contextuele veranderingen en de wisselwerking tussen programma- activiteiten en de context.
- C.22. Alleen van toepassing indien de conceptnotitie zich op landendoelstelling 5.1 richt: De mate waarin de aanvrager/alliantie aantoont zich bewust te zijn van de impact van de programma-outcomes op lokale markten (vanuit de doelstelling zo min mogelijk marktverstorend te werken).
- 5.1 Ngo’s, waar mogelijk, in samenwerking met overheidsinstellingen, het lokale of nationale maatschappelijk middenveld en de private sector, vergroten de toegang tot duurzame werkgelegenheid voor met name jongeren en vrouwen op een conflict sensitieve wijze, die bijdraagt aan inclusieve ontwikkeling en sociale cohesie. Een sector waar veel kansen liggen is de landbouwsector. Echter, initiatieven op andere sectoren worden niet uitgesloten.
- 2.1 Mannen en vrouwen uit alle groepen zijn zich bewust van hun rechten en fundamentele vrijheden en hebben gelijke mogelijkheden om gebruik te maken van transparant functionerende formele en informele rechtspleging.
- 2.2 Instituties binnen het rechtssysteem voeren hun taken effectief en in onderlinge samenhang uit, werken vanuit de behoefte van burgers en leggen verantwoording af. Kansen daarbij liggen met name in het verbeteren van bewijsgaring en betere functionering van ‘elimination of violence against women’ (EVAW)-units.
- 2.3 Het rechtssysteem is onafhankelijk en bestrijdt machtsmisbruik en corruptie door staatsinstellingen en -vertegenwoordigers, gewapende actoren en machtige private actoren.
- 3.1 Politieke besluitvorming op alle niveaus is participatief, representatief en inclusief voor alle bevolkingsgroepen.
- 3.2 Nationale en internationale actoren nemen verantwoordelijkheid voor effectieve en inclusieve mechanismen voor vredesopbouw en conflictpreventie op verschillende niveaus, met een actieve rol voor vrouwen.
- 1.1 Alle vormen van geweld tegen burgers, waaronder seksueel geweld, en andere bedreigingen voor de fysieke veiligheid worden verminderd.
- 1.3 Lokale gemeenschappen en het maatschappelijk middenveld dragen zelfstandig en, waar wenselijk, in samenwerking met verantwoordelijke instanties bij aan verbeterde veiligheid en sociale cohesie.
- 2.1 Mannen en vrouwen uit alle groepen zijn zich bewust van hun rechten en fundamentele vrijheden en hebben gelijke mogelijkheden om gebruik te maken van formele en informele rechtspleging.
- 2.4 Formele en informele rechtsinstituties bieden gerechtigheid voor mensenrechtenschendingen en misdrijven gepleegd tijdens gewapend conflict of dictaturen, en adresseren onderliggende oorzaken van conflict.
- 4.1 Overheidsinstanties op lokaal en provinciaal niveau voeren wetten, beleid en kerntaken uit op een wijze die inclusieve en duurzame ontwikkeling van burgers.
- 4.2 Overheidsinstanties staan open voor de behoeftes en meningen van burgers en hebben functionerende systemen voor interne en externe verantwoording.
- 4.3 Overheidsinstanties voeren een transparant beheer over nationale hulpbronnen en publieke financiën en zorgen voor effectieve mechanismen om corruptie te bestrijden en te voorkomen.
- 5.1 Ngo’s ondersteunen, waar mogelijk, in samenwerking met overheidsinstellingen, het lokale en nationale maatschappelijk middenveld en de private sector, de gemeenschappen in het vergroten van de toegang tot duurzame werkgelegenheid, met name voor jongeren en gemarginaliseerde groepen, op een wijze die bijdraagt aan een vermindering in relevante conflict-gerelateerde grieven van de populatie.
- 5.2 Ngo’s ondersteunen, waar mogelijk, in samenwerking met overheidsinstellingen, het lokale en nationale maatschappelijk middenveld en/of de private sector, de gemeenschappen in het verbeteren van de eerlijke toegang tot basisvoorzieningen, met name voor jongeren en gemarginaliseerde groepen, op een wijze die bijdraagt aan een vermindering in relevante conflict-gerelateerde grieven van de populatie.
- 4.1 Overheidsinstanties op alle niveaus voeren wetten, beleid en kerntaken uit op een wijze die inclusieve en duurzame ontwikkeling van vluchtelingen, gastgemeenschappen en (potentiële) Ethiopische migranten bevordert.
- 5.1 Ngo’s vergroten, waar mogelijk, in samenwerking met lokale of nationale overheidsinstellingen, met het lokale en nationale maatschappelijk middenveld en de private sector, de toegang tot duurzame werkgelegenheid voor vluchtelingen, migranten en gastgemeenschappen op een wijze die bijdraagt aan bredere economische ontwikkeling.
- 5.2 Ngo’s verbeteren, waar mogelijk, in samenwerking met lokale en nationale overheidsinstellingen, met het lokale en nationale maatschappelijk middenveld en de private sector de eerlijke toegang tot basisvoorzieningen op een wijze die bijdraagt aan het wegnemen van grondoorzaken van (gedwongen) migratie en instabiliteit.
- 2.1 Mannen en vrouwen, vooral de meest kwetsbare vluchtelingen en Jordaniërs, zijn zich bewust van hun rechten en fundamentele vrijheden en hebben gelijke mogelijkheden om gebruik te maken van formele en informele rechtspleging.
- 5.1 Ngo’s in samenwerking met overheidsinstellingen, het lokale en nationale maatschappelijk middenveld en de private sector vergroten de toegang tot duurzame werkgelegenheid, ten voordele van zowel Jordaniërs als Syrische vluchtelingen en ten behoeve van de Jordanese economie, op een conflict-sensitieve wijze die bijdraagt aan inclusieve ontwikkeling en sociale cohesie.
- 5.2 Ngo’s in samenwerking met overheidsinstellingen en dienstverleners verbeteren de eerlijke toegang tot kwalitatief goed onderwijs en (beroeps)training en/of water en sanitaire diensten op een wijze die bijdraagt aan sociale cohesie.
- 4.1 Overheidsinstanties werken met een participatieve aanpak op een wijze die inclusieve en duurzame ontwikkeling bevordert.
- 4.2 Overheidsinstanties staan open voor de behoeftes en meningen van burgers en het maatschappelijk middenveld.
- 5.1 Ngo’s vergroten, samen met de private sector, overheidsinstellingen, en het lokale en nationale maatschappelijk middenveld de mogelijkheden voor toegang tot duurzame werkgelegenheid op een conflict-sensitieve wijze die bijdraagt aan inclusieve ontwikkeling en sociale cohesie.
- 5.2 Ngo’s verbeteren, samen met de private sector, overheidsinstellingen, het lokale en nationale maatschappelijk middenveld en de onderwijssector de eerlijke toegang tot onderwijsmogelijkheden die aansluiten op de vraag van de Libanese arbeidsmarkt.
- 1.1 Alle vormen van geweld tegen burgers, waaronder seksueel geweld, en andere bedreigingen voor de fysieke veiligheid worden verminderd (resultaten voor mensen).
- 1.2 Instanties die verantwoordelijk zijn voor veiligheid voeren hun taken effectief en in onderlinge samenhang uit, werken vanuit de veiligheidsbehoefte van burgers en leggen verantwoording af. Dit geldt voornamelijk voor security and justice sector reform, inspelend op de behoeften van burgers zoals community policing.
- 1.3 Gemeenschappen en het maatschappelijk middenveld dragen zelfstandig en in samenwerking met verantwoordelijke instanties bij aan verbeterde veiligheid en sociale cohesie.
- 3.2 Nationale en internationale actoren nemen verantwoordelijkheid voor effectieve en inclusieve mechanismen voor vredesopbouw en conflictpreventie op verschillende niveaus, met een actieve rol voor vrouwen. Speciale aandacht gaat uit naar verzoening en transitional justice.
- 2.2 Instituties binnen het rechtssysteem voeren hun taken effectief en in onderlinge samenhang uit, werken vanuit de behoefte van burgers en nemen verantwoordelijkheid voor hun acties.
- 2.4 Formele en informele rechtsinstituties bieden gerechtigheid voor mensenrechtenschendingen en misdrijven gepleegd tijdens gewapend conflict of dictaturen, en adresseren onderliggende oorzaken van conflict.
- 5.1 Ngo’s vergroten, in samenwerking met overheidsinstellingen, het lokale en nationale maatschappelijk middenveld en de private sector de toegang tot duurzame werkgelegenheid op een conflict-sensitieve wijze die bijdraagt aan inclusieve ontwikkeling en sociale cohesie.
- 1.3 Lokale gemeenschappen en het maatschappelijk middenveld dragen zelfstandig en in samenwerking met verantwoordelijke instanties bij aan verbeterde veiligheid en een cultuur van vreedzaamheid via inclusieve mechanismen voor conflictpreventie- en resolutie.
- 5.1 Ngo’s vergroten, bij voorkeur in samenwerking met overheidsinstellingen, het lokale en nationale maatschappelijk middenveld en de private sector, de toegang tot duurzame werkgelegenheid, specifiek voor jongeren en vrouwen, op een conflict-sensitieve wijze die bijdraagt aan inclusieve ontwikkeling, sociale cohesie en verminderde afhankelijkheid van humanitaire hulp. Prioritaire sectoren zijn sectoren waar een groot deel van de bevolking afhankelijk van is voor hun inkomen – landbouw, veeteelt, dienstverlening en handel.
- 4.3 Overheidsinstanties voeren een transparant beheer over nationale hulpbronnen en publieke financiën en zorgen voor effectieve mechanismen om corruptie te bestrijden en te voorkomen waardoor vertrouwen tussen overheid en burger toeneemt.
- 5.2 Lokale overheidsinstellingen verbeteren de eerlijke toegang tot basisvoorzieningen op een wijze die bijdraagt aan de legitimiteit van instituties en sociale cohesie en die het zelf-organiserend vermogen van de samenleving versterkt.
- 1.3 Lokale gemeenschappen en het maatschappelijk middenveld dragen zelfstandig en waar mogelijk in samenwerking met verantwoordelijke instanties bij aan verbeterde veiligheid en nemen zo een grondoorzaak van gedwongen migratie weg.