Bijlage 1 Generiek toestemmingsbesluit nevenactiviteiten – cluster 1 (verkoop programma’s en fragmenten door landelijke publieke media-instellingen aan derden aan de hand van Tarievenlijst hergebruik archiefmateriaal Nederlands Instituut voor Beeld en Geluid): juridisch kader
Generiek toestemmingsbesluit nevenactiviteiten – cluster 1 (verkoop programma’s en fragmenten door landelijke publieke media-instellingen aan derden aan de hand van Tarievenlijst hergebruik archiefmateriaal Nederlands Instituut voor Beeld en Geluid)
- 1. De NPO en de publieke media-instellingen mogen alleen na voorafgaande toestemming van het Commissariaat nevenactiviteiten verrichten
- 2. Nevenactiviteiten zijn activiteiten, directe of indirecte deelnemingen in rechtspersonen daaronder begrepen, die niet rechtstreeks verband houden met of ten dienste staan van de uitvoering van de publieke media-opdracht, met uitzondering van verenigingsactiviteiten als bedoeld in artikel 2.136.
- 3. Toestemming kan alleen worden gegeven als een nevenactiviteit verband houdt met of ten dienste staat van de verwezenlijking van de publieke media-opdracht en direct gerelateerd is aan het media-aanbod van de publieke omroep, op marktconforme wijze wordt verricht en ten minste kostendekkend is.
- 4. In afwijking van het eerste lid is geen voorafgaande toestemming van het Commissariaat nodig voor het bij wijze van experiment van beperkte omvang en duur verrichten van nevenactiviteiten die bestaan uit het leveren van goederen of diensten, met inbegrip van rechten en verplichtingen aan:
- a. mediabedrijven ten behoeve van de versterking en verbetering van de nieuws- en informatievoorziening; of
- b. culturele instellingen.
- 5. De NPO en de publieke media-instellingen melden nevenactiviteiten als bedoeld in het vierde lid bij het Commissariaat.
- 6. Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld over:
- a. de wijze van melden;
- b. de omvang en duur van het experiment;
- c. de aard en inhoud van de nevenactiviteiten; en
- d. de samenwerking met de in het vierde lid, onderdelen a en b, bedoelde instellingen.
- ‘1. Het verstrekken van informatie ingevolge deze wet blijft achterwege voor zover dit: (...) (...)
- c. bedrijfs- en fabricagegegevens betreft, die door natuurlijke personen of rechtspersonen vertrouwelijk aan de overheid zijn meegedeeld;
- 2. Het verstrekken van informatie ingevolge deze wet blijft eveneens achterwege voor zover het belang daarvan niet opweegt tegen de volgende belangen: (...) (...)’
- d. inspectie, controle en toezicht door bestuursorganen;
- e. de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer;