Bijlage I Regeling DBBC’s, ZZP’s en extramurale parameters FZ: toelichting op de nadere regel
Regeling DBBC’s, ZZP’s en extramurale parameters FZ
Deze bijlage geeft een toelichting op de ‘Regeling DBBC’s, ZZP’s en extramurale parameters FZ’ en is als volgt opgebouwd: Op grond van het Interimbesluit FZ is met ingang van 1 april 2012 de rol van de NZa ten aanzien van de FZ in strafrechtelijk kader veranderd. Waar de NZa voorheen alleen een adviserende rol had, heeft de NZa de rol als regulator en als onafhankelijke toezichthouder erbij gekregen. Met de inwerkintreding van de Wet Forensische Zorg zullen daarnaast de handhavende bevoegdheden van de NZa, welke zijn neergelegd in hoofdstuk 6 van de Wmg, op de forensische zorg van toepassing zijn. Het ministerie van VenJ stelt zelf jaarlijks de zogenaamde 'Uitvoeringsregels FZ' vast. Hierin treft men een mix aan van beleid en algemeen verbindende voorschriften op het gehele terrein van de FZ. Voor een deel van dat beleidsterrein, met bijbehorende algemeen verbindende voorschriften, heeft – zoals reeds opgemerkt – de NZa sinds 1 april 2012 exclusieve bevoegdheden verworven. Niet uit te sluiten valt, dat de beleidsregels en nadere regels van de NZa overlap vertonen of tegenstrijdigheden bevatten ten opzichte van de Uitvoeringsregels FZ die door het ministerie van VenJ zijn vastgesteld. In gevallen waarin daadwerkelijk van tegenstrijdigheid sprake is, gaan de beleidsregels en nadere regels van de NZa vóór de Uitvoeringsregels FZ van het ministerie van VenJ. Ratio hierachter is, dat – indien zich een situatie van tegenstrijdigheid voordoet – in de 'Uitvoeringsregels FZ' beleid en/of algemeen verbindende voorschriften zijn opgenomen die betrekking hebben op aangelegenheden waarvoor het ministerie van VenJ niet langer bevoegd is. Forensische zorg in strafrechtelijk kader vindt plaats op basis van indicatiestelling door het Nederlands Instituut voor Forensische Psychiatrie (NIFP/IFZ), de Reclassering of het Psycho Medisch Overleg (PMO, Gevangeniswezen). In de indicatiestelling wordt het recht van de patiënt op forensische zorg vastgelegd. De Divisie Forensische Zorg (DForZ
- − Rol NZa in de forensische zorg;
- − Algemene toelichting forensische zorg;
- − Artikelsgewijze toelichting:
- − Artikel 1: reikwijdte;
- − Artikel 2: algemene bepalingen;
- − Artikel 3: DBBC’s;
- − Artikel 4: ZZP’s.
- – ambulante begeleiding (extramurale parameters);
- – verblijf met begeleiding zonder behandeling (ZZP’s);
- – zorg aan verstandelijk beperkten, met uitzondering van de zorg die is gericht op de behandeling van een gedragsstoornis, verslaving of psychiatrische problematiek.
- – 1.1: Deze regeling gaat over de DBBC’s, ZZP’s en extramurale parameters FZ en de regels die gelden voor het registreren van activiteiten en verrichtingen. De FZ in strafrechtelijk kader is van toepassing op vijf wetten: het Wetboek van strafrecht (Sr), het Wetboek van strafvordering (Sv), de Beginselenwet verpleging ter beschikking gestelden (Bvt), de Penitentiaire Maatregel (PM) en de Penitentiaire beginselenwet (Pbw).
- – 1.1: met FZ wordt alle GGZ (waaronder verslavingszorg) en verstandelijk gehandicaptenzorg aan mensen met een strafrechtelijke titel bedoeld (exclusief jeugdstrafrecht). Er kan ook sprake zijn van FZ zonder strafrechtelijk kader. Hiermee wordt de zorg bedoeld die gegeven wordt voorafgaand aan een (mogelijke) veroordeling dan wel FZ die wordt gecontinueerd nadat de strafrechtelijke titel is vervallen. Deze vorm van zorg wordt met de enigszins verwarrende term ‘FZ zonder strafrechtelijk kader’ aangeduid en valt binnen de reguliere GGZ. Deze regeling heeft, conform artikel 2 van het Interimbesluit, uitsluitend betrekking op FZ in een strafrechtelijk kader.
- – 2.2: De samenloop tussen DBBC’s en ZZP-C in de FZ wijkt af van de samenloop tussen DBC’s en ZZP-B in de curatieve GGZ. Dit wordt veroorzaakt doordat de ZZP-C is gericht op begeleiding zonder behandeling,en de ZZP-B gericht is op voortgezette behandeling met verblijf. In de forensische zorg is het toegestaan om tegelijkertijd een ambulante DBBC te registreren in combinatie met een ZZP.
- − Registratie Het registratieproces start op het moment dat een patiënt die in een forensische zorginstelling geplaatst is, bij de zorgbieder komt met een zorgvraag. Op dat moment worden meteen een zorgtraject en een DBBC geopend. Een zorgtraject volgt het zorgproces voor één primaire diagnose en kan bestaan uit een initiële DBBC, waarin de primaire diagnose is gesteld, en een onbeperkt aantal vervolg-DBBC's.
- − Validatie Als de DBBC is afgesloten volgt de validatie. Tijdens de validatie wordt de DBBC gecontroleerd op een volgens deze regeling goede en technisch volledige registratie.
- − Afleiding Na de validatie wordt via de afleiding bepaald in welke behandelprestatie/productgroep de DBBC terechtkomt. Vervolgens wordt de DBBC als onderdeel van de factuur naar de zorgverzekeraar gestuurd en worden daarnaast de DBBC-gegevens aan het DBC-informatiesysteem (DIS) geleverd.
- – Als een nieuwe patiënt zich aanmeldt. Let op:
- – Beschikt een zorgaanbieder over meerdere locaties en verandert een patiënt van locatie maar niet van primaire diagnose, dan is er géén sprake van een nieuwe patiënt. De hoofdbehandelaar op de andere locatie mag dan geen initiële DBBC openen. Alle geboden zorg op de andere locatie voor dezelfde primaire diagnose moet op de al geopende DBBC worden geregistreerd.
- – Bij overplaatsing van een patiënt gedurende het fpt is er te allen tijde sprake van een nieuwe patiënt. De zorgaanbieder waarnaar de patiënt overgeplaatst wordt, opent in deze situatie dus een initiële DBBC met het zorgtype fpt proefverlof (144) of fpt voorwaardelijke beëindiging (145).
- – Als een bekende patiënt voor een andere primaire diagnose in zorg komt dan de diagnose waarvoor de patiënt al in behandeling is. Dit geldt ook als de strafrechtelijke titel gelijk blijft. Let op: Er kan sprake zijn van parallelle of seriële zorgtrajecten. De voorwaarden daarvoor staan vermeld in en een nadere toelichting is te vinden in het onderdeel 3.1.3.9 Omgaan met meerdere primaire diagnoses in deze bijlage.
- – Als de strafrechtelijke titel verandert. Als van een bekende patiënt de strafrechtelijke titel van een patiënt verandert, is er sprake van een nieuw indicatie- en plaatsingsbesluit en wordt een initiële DBBC geopend voor de nieuwe strafrechtelijke titel. De hoofdbehandelaar sluit de DBBC en opent een initiële DBBC voor de nieuwe strafrechtelijke titel.
- – Als een strafrechtelijke titel wordt opgelegd. Wanneer een bekende patiënt in zorg is in het kader van een voorgenomen indicatiestelling en hij een strafrechtelijke titel opgelegd krijgt, sluit de hoofdbehandelaar de DBBC met het zorgtype ‘Voorgenomen indicatiestelling’. Vervolgens opent hij een nieuwe initiële DBBC met één van de 21 strafrechtelijke titels.
- – De lopende DBBC staat 365 dagen open. Als een (initiële of vervolg-) DBBC 365 dagen open staat en de behandeling is nog niet afgerond, sluit de hoofdbehandelaar de lopende DBBC. De openingsdatum van de vervolg-DBBC is de dag waarop de eerstvolgende patiëntgebonden activiteit plaatsvindt.
- – In verband met overgang naar forensisch psychiatrisch toezicht (fpt). Er kan sprake zijn van een forensisch psychiatrisch toezicht (fpt) in de fasen transmuraal verlof, proefverlof en voorwaardelijke beëindiging. Specifieke activiteiten en verrichtingen worden tijdens de fasen proefverlof en voorwaardelijke beëindiging door een forensisch psychiatrisch centrum (fpc) uitgevoerd. Deze activiteiten en verrichtingen moeten geregistreerd worden op een vervolg-DBBC met het zorgtype fpt. Als een patiënt tijdelijk wordt teruggeplaatst in een fpc, wordt gesproken van een time-out. Zie ook Figuur 4 Zorgtraject en DBBC's en Figuur 5 Situaties waarin een initiële DBBC moet worden geopend.
- a. Als een patiënt overgaat naar de fase proefverlof of fase voorwaardelijke beëindiging In dat geval wordt de voorgaande (vervolg)-DBBC gesloten (ook als de 365-dagen grens nog niet bereikt is). Als afsluitreden moet worden gekozen voor ‘afsluiten DBBC vanwege openen vervolg-DBBC’ (afsluitreden 4). Eén dag na sluiting van deze DBBC wordt een vervolg-DBBC met het zorgtype ‘fpt proefverlof’ of ‘fpt voorwaardelijke beëindiging’ geopend. Wanneer de behandeling na 365 dagen na openingsdatum van de DBBC met zorgtype fpt voortgezet wordt, wordt opnieuw een vervolg-DBBC met zorgtype fpt geopend.
- b. Bij time-out tijdens fase proefverlof of fase voorwaardelijke beëindiging Het kan zijn dat de patiënt tijdens het fpt met zorgtype ‘proefverlof’ of ‘voorwaardelijke beëindiging’ in een time-out terechtkomt. In dat geval moet de DBBC met zorgtype ‘fpt proefverlof’ of ‘fpt voorwaardelijke beëindiging’ worden gesloten met reden ‘afsluiting time-out’ (afsluitreden 8). Aansluitend wordt in hetzelfde zorgtraject een nieuwe vervolg-DBBC geopend. Tijdens de fase proefverlof heeft deze het zorgtype ‘TBS met proefverlof (art. 51 Bvt)’ en tijdens de fase voorwaardelijke beëindiging het zorgtype ‘Voorwaardelijke beëindiging van de verpleging van overheidswege (art. 38 g Sr)’.
- – De elementen zorgtype en aard delict worden éénmalig aan het begin van het zorgtraject door de hoofdbehandelaar vastgelegd.
- – De elementen diagnose en aard en mate van gevaar worden door de hoofdbehandelaar ingevuld en kunnen indien gewenst gedurende de looptijd van de (initiële) DBBC gewijzigd worden. Bij het wijzigen van de gevaartypering wordt de datum vastgelegd waarop de wijziging heeft plaatsgevonden.
- – Wanneer het zorgtype ‘Verdiepingsdiagnostiek’ (146) wordt gekozen, kan de DBBC worden afgesloten zonder registratie van aard delict en/of diagnoseclassificatie.
- – naam patiënt;
- – geboortedatum;
- – geslacht;
- – patiëntnummer;
- – strafrechtsketennummer (SKN)13Strafrechtsketennummer (SKN): Iedereen die is belast met de toepassing van het strafrecht, is bij het onderling uitwisselen van persoonsgegevens over verdachten en veroordeelden verplicht om het SKN te gebruiken.;
- – circuit;
- – startdatum DBBC;
- – einddatum DBBC;
- – startdatum strafrechtelijke titel;
- – einddatum strafrechtelijke titel.
- 1. Acuut fysiek gevaar Hierbij geeft de hoofdbehandelaar aan in welke mate de patiënt een fysiek gevaar vormt voor zijn omgeving en/of voor zichzelf. Het gaat hier om het gevaar van de patiënt in de behandelsetting gedurende het afgelopen jaar. Als de patiënt korter dan een jaar in de instelling verblijft, gaat het om het gevaar van de patiënt in de behandelsetting sinds opname. De hoofdbehandelaar baseert de mate van gevaar op de eventuele incidenten die zich in het afgelopen jaar/sinds opname hebben voorgedaan. De mate van acuut fysiek gevaar is onderverdeeld in de volgende categorieën: Voorbeelden van incidenten zijn: De categorieën voor de mate van fysiek gevaar zijn:
- – De patiënt heeft een gevaar gevormd voor een ander;
- – De patiënt heeft zichzelf of een ander daadwerkelijk schade berokkend;
- – De patiënt is gesepareerd geweest.
- – Geen risico: geen dreiging aanwezig;
- – Laag risico: verbale dreiging;
- – Matig risico: één (fysiek) incident en eventueel verbale dreiging;
- – Hoog risico: meerdere incidenten dan wel één ernstig incident waarbij schade aan het slachtoffer of de patiënt zelf is berokkend.
- 2. Vluchtgevaar Hier geeft de hoofdbehandelaar aan in welke mate de patiënt, die klinisch is opgenomen, ontsnappingspogingen heeft voorbereid en/of heeft ondernomen. De hoofdbehandelaar gebruikt hiervoor alle hem bekende informatie die hij relevant acht, ook als die ver in het verleden ligt. De mate van vluchtgevaar dient alleen te worden beoordeeld indien de patiënt klinisch wordt behandeld. De mate van vluchtgevaar is onderverdeeld in de volgende categorieën:
- – Geen risico: patiënt heeft geen poging tot ontvluchting ondernomen;
- – Laag risico: patiënt heeft in het verleden voorbereidingen getroffen voor een vluchtpoging, zonder een daadwerkelijke poging te doen;
- – Matig risico: patiënt heeft in het verleden daadwerkelijk een vluchtpoging ondernomen;
- – Hoog risico: patiënt is er in het verleden in geslaagd te ontsnappen;
- – Niet van toepassing: patiënt wordt ambulant behandeld.
- 3. Recidivegevaar Het gaat hierbij om het gevaar wanneer de patiënt zich op dit moment in de maatschappij zou begeven. Hiervoor dient de hoofdbehandelaar gebruik te maken van één van de volgende risicotaxatie-instrumenten: HKT-30, HCR-20 of SVR-20. Wanneer voor de patiënt risicotaxatie(s) gedaan zijn in het kader van verlofbewegingen, kan informatie uit die risicotaxatie(s) gebruikt worden voor het classificeren van het recidivegevaar. De categorieën voor recidivegevaar zijn: Voor het classificeren van de mate van recidivegevaar maakt de hoofdbehandelaar gebruik van de score op een risicotaxatie-instrument, bijvoorbeeld: De categorieën voor recidivegevaar zijn: Let op: De categorie ‘Onbekend’ wordt gebruikt wanneer de hoofdbehandelaar geen uitspraak kan doen over de mate van het recidivegevaar, omdat de patiënt nog niet veroordeeld is (preventieve fase).
- – HKT-30;
- – HCR-20;
- – SVR-20.
- – geen/laag risico;
- – matig risico;
- – hoog risico;
- – onbekend.
- – Op As 1 is de diagnose 799.9 ‘Diagnose/aandoening uitgesteld’ niet toegestaan.
- – Registreer V71.09 ‘Geen diagnose of aandoening op As 1 aanwezig’ als er geen As 1-stoornis bij de betreffende patiënt aanwezig is.
- – De diagnosetypering van seksueel misbruik van een kind voor slachtoffers is 995.53 en voor daders V61.21.
- – Per persoonlijkheidsstoornis sluiten de antwoordmogelijkheden ‘aanwezig’ en ‘trekken van’ elkaar uit.
- – Op As 2 kunt u wel kiezen voor de code 799.9 ‘Diagnose/aandoening uitgesteld’, maar deze kan nooit de primaire diagnose van de DBBC zijn.
- – Registreer V71.09 ‘Geen diagnose of aandoening op As 2 aanwezig’ als er geen As 2-stoornis bij de betreffende patiënt aanwezig is.
- 1. ‘Geen of geen relevante diagnose op As 3’ als er geen somatische aandoening aanwezig is of als de somatische aandoening geen consequenties heeft voor de behandeling van de patiënt.
- 2. ‘Diagnose op As 3 enkelvoudig’ als er sprake is van een somatische aandoening die beperkte consequenties heeft. Doe dit dus alleen als deze aandoening naar verwachting zorgverzwarend is voor de behandeling van de primaire diagnose.
- 3. ‘Diagnose op As 3 complex’ als er sprake is van een somatische aandoening die veel consequenties heeft dan wel zorgverzwarend werkt voor de behandeling van de As 1- of As 2-stoornis. Van complex is bijvoorbeeld sprake als:
- – een medisch specialistische behandeling door een andere medisch specialist dan de psychiater noodzakelijk is;
- – aanvullende zorg gericht op de somatische aandoening of als gevolg van de somatische aandoening noodzakelijk is. Bijvoorbeeld in geval van doofheid;
- – er een specifieke behandelafdeling (PAAZ, PUK, PMU/GAPZ/GAAZ) nodig is om zorg te kunnen bieden;
- – er sprake is van bepaalde specifieke ziektebeelden, zoals ziekte van Alzheimer of Hypothyreoïdie.
- – De hoogste GAF-score van de voorgaande 365 dagen. Is er geen eerdere GAF-score? Registreer dan de GAF-score bij het begin van de behandeling of maak een inschatting van de hoogste GAF-score van het afgelopen jaar.
- – De GAF-score op het moment van openen van de DBBC.
- – De primaire diagnose kan niet een van de volgende codes zijn: ‘799.9 Diagnose/aandoening uitgesteld’ of ‘V71.09 Geen diagnose of aandoening op As 2 aanwezig’.
- – Als er bij een diagnose op As 2 ‘Trekken van ..’ wordt gescoord, kan deze wel dienen als primaire diagnose.
- – De eventuele code op As 2 voor zwakzinnigheid of zwakbegaafdheid kan niet als primaire diagnose geregistreerd worden (hieronder vallen ook de codes voor stoornissen in de kindertijd op As 2).
- – V-codes kunnen als primaire diagnose gekozen worden.
- – Een vervolg-DBBC heeft altijd precies dezelfde primaire diagnose als de voorgaande (initiële) DBBC. Deze diagnose kan niet worden aangepast.
- – Dit betekent dat als de primaire diagnose in dezelfde hoofdgroep valt als bij de voorgaande DBBC, maar niet precies hetzelfde is, een initiële DBBC geopend moet worden voor het behandelen van de nieuwe diagnose.
- – Als de primaire diagnose van een openstaande initiële DBBC wijzigt wordt de diagnose van die initiële DBBC aangepast. Er wordt dus géén nieuwe initiële DBBC (en geen nieuw zorgtraject) geopend. Dit geldt zowel bij wijzigingen naar een diagnose binnen dezelfde hoofdgroep als naar een diagnose in een andere hoofdgroep.
- a. Parallelle zorgtrajecten Er is sprake parallelle zorgtrajecten als de hoofdbehandelaar meerdere initiële DBBC’s en bijbehorende zorgtrajecten opent. Parallelle zorgtrajecten kunnen worden geregistreerd als er sprake is van meerdere primaire diagnoses waarvoor gelijktijdig substantieel verschillende behandelingen moeten worden ingezet. De hoofdbehandelaar moet het openen van parallelle zorgtrajecten op dat punt ook kunnen verantwoorden. Parallelle zorgtrajecten mogen niet in eenzelfde diagnosehoofdgroep vallen. Zie hiervoor ook artikel 3.1.3.9 van deze regeling. Onder diagnosehoofdgroep verstaan we een combinatie tussen de hoofdgroepen zoals deze in de DSM-IV-TR worden aangeduid, en de diagnosehoofdgroepen zoals opgenomen in de prestatiecode. In onderstaande tabel wordt aangegeven welke hoofdgroepen ontstaan wanneer deze combinatie tussen DMS-IV-TR en de prestatiecode wordt gemaakt. In totaal zijn er voor de FZ 23 hoofdgroepen. Voorwaarden parallelle zorgtrajecten: Een uitzondering geldt als ambulante behandeling gelijktijdig met proefverlof of voorwaardelijke beëindiging wordt ingezet: In het geval van forensisch psychiatrisch toezicht (fpt) en een gelijktijdig openstaand regulier zorgtraject, is het niet nodig dat de primaire diagnose van beide zorgtrajecten verschilt. Tijdens de fasen proefverlof en voorwaardelijke beëindiging kan gelijktijdig met het fpt of een time-out tijdens het fpt ook ambulante behandeling plaatsvinden. Hiervoor worden een apart zorgtraject en initiële DBBC geopend met het zorgtype ‘TBS met proefverlof’ (tijdens de fase proefverlof) of zorgtype ‘Voorwaardelijke beëindiging van de verpleging van overheidswege’ (tijdens de fase voorwaardelijke beëindiging).
- – Een patiënt kan binnen één instelling maximaal drie openstaande zorgtrajecten hebben.
- – Bij initiële parallelle DBBC’s en bijbehorende zorgtrajecten is het een voorwaarde dat de primaire diagnoses een verschillende parallelliteitscode kennen. Zie Tabel 7.
- b. Seriële (opeenvolgende) zorgtrajecten Er kan sprake zijn van verschillende diagnoses waarvan één diagnose het meest dringend is (comorbiditeit). Er is dan sprake van één primaire diagnose en meerdere nevendiagnoses. In een dergelijke situatie opent de hoofdbehandelaar eerst een initiële DBBC en een zorgtraject voor de primaire diagnose. Als de patiënt voor de primaire diagnose is uitbehandeld, sluit de hoofdbehandelaar het zorgtraject en opent een nieuwe initiële DBBC en een nieuw zorgtraject, waarbij de eerdere nevendiagnose de nieuwe primaire diagnose wordt. We spreken dan van opeenvolgende zorgtrajecten. Deze vorm van opeenvolgend behandelen heet ook wel de ‘stepped care-systematiek’. Let op: De voorwaarde voor opeenvolgende DBBC’s en bijbehorende zorgtrajecten is dat de primaire diagnoses van elkaar verschillen. Voorbeeld: Een patiënt heeft een alcoholverslaving en een depressie. Is de alcoholverslaving de aandoening die het meest dringend moet worden behandeld, dan opent de hoofdbehandelaar daarvoor een initiële DBBC met de alcoholverslaving als primaire diagnose. Als de patiënt voor de alcoholverslaving is uitbehandeld, opent hij een nieuw zorgtraject met een nieuwe initiële DBBC met depressie als primaire diagnose.
- – face-to-face contact;
- – telefonisch contact;
- – schriftelijk/e-mail contact;
- – direct contact via internet (chatten, Skype etc.).
- – het voorbereiden van een activiteit (bijvoorbeeld van een sessie psychotherapie);
- – verslaglegging in het kader van de activiteit (bijvoorbeeld psychiatrisch onderzoek);
- – hersteltijd na een intensieve behandelsessie.
- – een reguliere dag structurering die in een 24-uurs verblijfssituatie wordt geboden;
- – een welzijnsactiviteit zoals zang, bingo, uitstapjes en dergelijke.
- 1. Dagbesteding sociaal (ontmoeting) De meest basale functie van een dagactiviteitencentrum is de ontmoetingsfunctie. De inloopfunctie is de meest ‘laagdrempelige’ functie in het kader van dag- en arbeidsmatige activiteiten. Aan de deelnemers worden over het algemeen geen strenge eisen gesteld voor wat betreft de deelname aan de inloop.
- 2. Dagbesteding activering Deze vorm gaat verder dan het ontmoeten van anderen en omvat ook recreatieve, creatieve of sportieve activiteiten. Deze activiteiten worden over het algemeen groepsgewijs aangeboden. De deelname is niet verplicht, maar over het algemeen wel minder vrijblijvend. Voorbeelden van dagbesteding in het kader van activering zijn: tekenen, voetballen en tuinieren.
- 3. Dagbesteding educatie Educatieve dagbesteding heeft als doel om de patiënt iets te leren. Bij de educatieve activiteiten is er over het algemeen sprake van een vast weekprogramma en een groepsgewijs aanbod. Denk bijvoorbeeld aan een computercursus, cursus boekbinden en gitaarles.
- 4. Dagbesteding arbeidsmatig Bij arbeidsmatige dagbesteding zijn activiteiten gericht op het begeleiden van patiënten die aan het werk willen in het reguliere arbeidsproces, zoals het opdoen van arbeidsvaardigheden en -ervaring. Het gaat hierbij om onbetaalde werkzaamheden, soms wordt een beperkte onkostenvergoeding verstrekt.
- 5. Dagbesteding overig Alle dagbesteding die niet onder sociale, activerende, educatieve of arbeidsmatige dagbesteding valt, maar wel wordt ingezet in het kader van de behandeling van een patiënt met een bepaalde primaire diagnose, kan onder overige dagbesteding worden geregistreerd.
- – Tijdens dagbesteding mag de behandelaar géén direct patiëntgebonden behandelactiviteiten registreren.
- – Tijdens de dagbesteding worden patiënten namelijk niet behandeld of verpleegd.
- – Dagbesteding mag tegelijkertijd geregistreerd worden met verblijfsdagen.
- – Er kan alleen dagbesteding geregistreerd worden als de patiënt ook daadwerkelijk aanwezig is.
- – Er zijn voor elk type dagbesteding twee activiteiten beschikbaar: één als het een laag beveiligingsniveau betreft, en één voor een midden, hoog, zeer hoog beveiligingsniveau.
- 1. De verblijfsintensiteit bepalen
- – Een deelprestatie verblijf kan alleen geregistreerd worden als de patiënt op zijn laatst 20:00 uur is opgenomen (dit geldt zowel bij eerste opname als bij heropname) en ’s nachts in de instelling verblijft. De dag van opname en de daarop volgende nacht gelden als één verblijfsdag.
- – Naast de inzet van verzorgend opvoedkundig en verplegend (VOV-personeel) voorziet de productstructuur voor verblijf in beschrijving van de verblijfszorg. Voor de keuze van de deelprestatie van verblijf is de zorgvraag van de patiënt leidend. Op basis van de zorgvraag van de patiënt is van de 28 prestaties van verblijf degene van toepassing die het meest overeenkomt met de beschreven verblijfszorg. Declaratie vindt plaats overeenkomstig de verblijfsdagen die telkens, volgens de zorgvraag van de patiënt, van toepassing zijn.
- 2. Het beveiligingsniveau18Zie Bijlage VIII Verschillen in beveiligingsniveaus. vaststellen Met het beveiligingsniveau wordt aangegeven wat het niveau is van de beveiliging die is georganiseerd tijdens het verblijf van de betreffende patiënt, dan wel voor de afdeling waar de patiënt verblijft. Er zijn vier beveiligingsniveaus gedefinieerd: Op basis van het voor de patiënt benodigde beveiligingsniveau wordt een keuze gemaakt uit de niveaus zoals die in Bijlage V beschreven staan.
- – Beveiligingsniveau 1: (zeer) laag
- – Beveiligingsniveau 2: gemiddeld (laag en hoog)
- – Beveiligingsniveau 3: hoog
- – Beveiligingsniveau 4: zeer hoog
- 3. De verblijfssoort19Voor extreem vlucht- en beheersgevaarlijke (EVBG) TBS-patiënten geldt een extra opslag voor verblijf (deze opslag geldt per patiënt per verblijfsdag). vaststellen In Tabel 9 is te zien tot welke verblijfssoort de verschillende combinaties van beveiligingsniveau en verblijfsintensiteit leiden. 1Voor beveiligingsniveau 2 geldt voor zorg, geleverd aan personen die een indicatie ‘SGLVG+’hebben en verblijven in een setting die voldoet aan de omschrijving ‘SGLVG+’, een hogere NHC toeslag. Voor de omschrijving ‘SGLVG+’: zie Bijlage VI. De verblijfssoort ‘A1’ vertegenwoordigt dus een beveiligingsniveau 1 in combinatie met een lichte verzorgingsgraad; verblijfssoort ‘G4’ staat voor de combinatie tussen een beveiligingsniveau 4 en een zeer intensieve verzorgingsgraad.
- – Ziekenhuisopname Als een patiënt tijdens zijn verblijf buiten de instelling wordt opgenomen voor een behandeling in het ziekenhuis, mag de instelling maximaal zeven dagen door registreren op de verblijfssoort die van toepassing is.
- – Onbegeleid, transmuraal of begeleid verlof Als er sprake is van onbegeleid, transmuraal of begeleid verlof mogen deze afwezigheidsdagen geregistreerd worden als dagen die passen bij de verblijfssoort die feitelijk wordt geleverd. Er is geen maximum gesteld aan het aantal dagen dat in dit geval geregistreerd mag worden. Deze situatie geldt alleen voor de forensische zorgtitels ‘TBS met dwangverpleging (artikel 37a Sr jo. 37b Sr) ‘, ‘Overplaatsing naar een psychiatrisch ziekenhuis (14 Bvt)’ en ‘Tijdelijke plaatsing ter observatie in psychiatrisch ziekenhuis (13 Bvt).20Conform verlofbeleidskader TBS.
- – Time-out TBS-gestelde
- – Vergoeding aan forensische zorgaanbieders Deze regeling geldt alleen voor de forensische zorgtitels ‘TBS met dwangverpleging (art. 37a Sr jo. 37b Sr)’, ‘TBS met proefverlof (art. 51 Bvt)’, ‘Voorwaardelijke beëindiging van de verpleging van overheidswege (art 38 g Sr)’ en ‘TBS met voorwaarden (art. 38a Sr).’21Wanneer de situatie voorkomt (bijv. bij onderaanneming of bij geïntegreerde instellingen) dat er door twee zorgaanbieders of twee locaties van één zorgaanbieder, op dezelfde dagen, verblijfsdagen geregistreerd moeten worden op dezelfde DBBC kunt u contact opnemen met Divisie Forensische Zorg van het ministerie van Veiligheid en Justitie. Voor instellingen voor forensische zorg geldt dat als een patiënt in het kader van een time-out tijdelijk wordt teruggeplaatst in een fpc, de afwezigheidsdagen geregistreerd mogen worden op de verblijfssoort die op het moment van overplaatsing of time-outplaatsing van toepassing is. Het gaat om een periode van zeven weken die maximaal nog eens met zeven weken verlengd kan worden. Als er sprake is van meerdere niet aaneengesloten crisisperioden per jaar, die korter zijn dan de tweemaal zeven weken, dan geldt dat er per TBS-gestelde maximaal 14 weken per kalenderjaar vergoeding plaatsvindt voor afwezigheidsdagen in een dergelijke situatie. De zorgverzekeraar vergoedt een zorgaanbieder tijdens een time-out dus maximaal 14 weken per jaar.22Hieraan stelt de zorgverzekeraar geen verdere eisen of beperkingen.
- – Vergoeding aan fpc Het fpc waar een TBS-gestelde geplaatst wordt, registreert de activiteiten, verrichtingen en het verblijf op een eventueel al geopende DBBC. Als er op dat moment geen DBBC geopend is, opent het fpc een initiële DBBC. De benodigde indicatiestelling wordt door het NIFP (achteraf) afgegeven. Wat betreft de duur van de time-out en de vergoeding gelden dezelfde voorwaarden als voor forensische zorgaanbieders.
- – Kortdurende terugplaatsing gedetineerden vanuit ggz naar penitentiaire inrichting (PI) Deze regeling geldt voor gedetineerden die in een zorginstelling zijn geplaatst en voor wie een tijdelijke terugplaatsing in de PI noodzakelijk is. De terugplaatsing is geen sanctie, maar onderdeel van de behandelstrategie wanneer de gestelde voorwaarden zijn overtreden of de behandelrelatie onder druk is komen te staan. In dit geval mogen maximaal 14 dagen geregistreerd worden en dient het bed beschikbaar te blijven voor de gedetineerde. Deze situatie is alleen van toepassing op de forensische zorgtitels ‘ISD met voorwaarden (art. 38p lid 5 Sr)’, ‘ISD (art. 38m Sr)’, ‘Plaatsing in een psychiatrisch ziekenhuis van een gedetineerde met toepassing van artikel 15 lid 5 van de Pbw’, ‘Overbrenging van een gedetineerde op basis van artikel 43 lid 3 van de Pbw’ en ‘Penitentiair programma met zorg (art. 15 lid 2 Pbw)’.
- – No-show klinisch Als een patiënt niet op tijd voor een geplande opname bij de kliniek wordt gebracht om een reden die door de zorgaanbieder niet te beïnvloeden is en er een bed voor hem is vrij gehouden, is er sprake van ‘no-show klinisch’. Deze activiteit is opgenomen in de activiteiten- en verrichtingenlijst. Daarnaast dient óók de juiste verblijfssoort te worden geregistreerd, aangezien daaraan de kosten zijn verbonden. Wanneer bijvoorbeeld een patiënt niet naar de locatie wordt gebracht en er is een bed vrijgehouden vallend onder verblijfssoort categorie B3 (beperkte verzorgingsgraad/hoog beveiligingsniveau), dan registreert de zorgaanbieder ‘No-show klinisch; 1 dag’ en ‘Verblijfssoort categorie B3; 1 dag’. Aan het registreren van een ‘No-show klinisch’ is een maximum gekoppeld van één dag per opname.
- – Onttrekking Wanneer de patiënt niet terugkomt na verlof (onttrekking) mag er maximaal één dag van de passende verblijfssoort worden geregistreerd.23Conform handleiding P&C forensisch psychiatrische centra.
- – Verrichting ECT: het aantal behandelingen ECT wordt geregistreerd volgens de activiteiten- en verrichtingenlijst;
- – Activiteit Electroconvulsietherapie: beroepen die voorkomen op de beroepentabel registreren de bestede tijd met behulp van de activiteitcode voor ECT (Behandeling → Fysische therapie → Electroconvulsietherapie).
- – Verrichting Ambulante Methadon: de behandelaar moet het aantal ambulante verstrekkingen van Methadon registreren. Dit is één verrichting per maand ongeacht de hoeveelheid Methadon en frequentie van de verstrekkingen.
- – Activiteit Farmacotherapie: bij de ambulante verstrekking van Methadon moet de behandelaar de bestede tijd registreren op de activiteit ‘farmacotherapie’.
- – De DBBC is ingevuld conform deze regeling;
- – De DBBC bevat de juiste informatie;
- – De typering is ingevuld;
- – De diagnose is ingevuld;
- – De GAF-score is ingevuld;
- – Er is een geldige sluitreden gebruikt.
- 1. Sluitreden 1: een DBBC afsluiten als de situatie van de patiënt verandert. Dit is het geval als de patiënt:
- − is overleden. De DBBC moet worden gesloten op de dag van overlijden.
- − is verhuisd naar een andere regio.
- − tegen het advies van de behandelaar in langdurig niet meer is op komen dagen, niet meewerkt aan de behandeling en/of de door de rechter opgelegde voorwaarden overtreedt.
- − 365 dagen geen zorg meer heeft ontvangen.
- 2. Sluitreden 2 (Reden voor afsluiting bij behandelaar om inhoudelijke redenen). Als de behandelaar de patiënt voor de behandeling van dezelfde primaire diagnose terug- dan wel doorverwijst naar een andere instelling, moet hij de lopende DBBC sluiten.
- 3. Sluitreden 3 (in onderling overleg beëindigd zorgtraject/patiënt uitbehandeld). Als de behandelaar en patiënt in onderling overleg besluiten dat het behandeltraject voor de desbetreffende primaire diagnose is beëindigd, moet de behandelaar de lopende DBBC sluiten.
- 4. Sluitreden 4. (Afsluiten vanwege openen vervolg-DBBC). Als de maximale looptijd van 365 dagen is bereikt en de behandeling nog niet afgerond is (ongeacht of de patiënt gedurende die looptijd wel of niet zorg heeft ontvangen). Er moet een vervolg-DBBC worden geopend. Sluitreden 4 moet ook gebruikt worden als een patiënt overgaat naar de fase proefverlof of fase voorwaardelijke beëindiging en er ook geen sprake is van een time-out. Hier geldt niet dat de DBBC 365 dagen open moet hebben gestaan. Er moet een vervolg-DBBC te worden geopend met het zorgtype ‘fpt proefverlof’ of het zorgtype ‘fpt voorwaardelijke beëindiging’.
- 5. Sluitreden 5 (afsluiten na alleen pre-intake/intake/diagnostiek) Als de patiënt na de pré-intake, intake of diagnostiek niet in zorg komt. Dit is bijvoorbeeld het geval bij een DBBC met het zorgtype ‘verdiepingsdiagnostiek’.
- 6. Sluitreden 6 Reden voor afsluiten is het beëindigen van de strafrechtelijke titel. Als de strafrechtelijke titel van de patiënt afloopt en geleverde zorg niet meer onder de forensische zorg in strafrechtelijk kader valt moet de DBBC afgesloten worden. Als er verdere zorg nodig is, wordt deze geleverd in het kader van de wet Zvw, Wlz of WMO. Let op: Bij deze reden van afsluiten mogen de activiteiten die uitgevoerd zijn na de einddatum van de strafrechtelijke titel niet meer op de DBBC geregistreerd worden. Deze sluitreden moet ook gebruikt worden als een bekende patiënt in zorg is in het kader van een voorgenomen indicatiestelling en een strafrechtelijke titel krijgt opgelegd. De DBBC met het zorgtype ’voorgenomen indicatiestelling’ wordt gesloten. Vervolgens wordt een nieuwe initiële DBBC met één van de 21 strafrechtelijke titels geopend.
- 7. Sluitreden 7 Reden voor afsluiting is de onvoorziene beëindiging van de strafrechtelijke titel. Als de strafrechtelijke titel van de patiënt onvoorzien wordt beëindigd en de zorgaanbieder kon dit zes weken voor de beëindigingdatum niet weten, moet de DBBC met deze sluitreden gesloten worden. Voorbeeld: contraire beëindiging van een TBS-maatregel, onmiddellijke invrijheidsstelling of het overlijden van de patiënt.De aanspraak forensische zorg vervalt dan op de datum van de definiteve uitspraak van de zitting of op de datum van overlijden.
- − In dit geval mogen maximaal twee weken na de einddatum van de strafrechtelijke titel nog uitgevoerde activiteiten geregistreerd worden. Hiervoor geldt een maximum van tien uur indirecte tijd en twee uur directe tijd. Het registreren van verblijf, dagbesteding en verrichtingen is niet meer mogelijk.
- − Als het gaat om het zorgtype ‘voorgenomen indicatiestelling’ en er een CIZ-indicatie is aangevraagd, mogen er nog maximaal zes weken activiteiten geregistreerd worden na de einddatum van de strafrechtelijke titel.
- 8. Sluitreden 8 (Afsluiten vanwege Time-out). Als een time-out optreedt tijdens de fase proefverlof of fase voorwaardelijke beëindiging, moet de DBBC met het zorgtype ‘fpt proefverlof’ of ‘fpt voorwaardelijke beëindiging’ worden gesloten. Vervolgens wordt tijdens proefverlof een vervolg-DBBC met het zorgtype ‘TBS met proefverlof’ geopend en tijdens voorwaardelijke beëindiging een vervolg-DBBC met het zorgtype ‘Voorwaardelijke beëindiging van de verpleging van overheidswege’.
- − 4.1: Als gevolg van de invoering van de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo) zal de NZa de zogeheten ZZP’s C niet meer vaststellen voor de AWBZ. Door de invoering van de Wet langdurige zorg (WLZ) per 1 januari 2015 past de NZa de grondslag voor enkele extramurale parameters (H153 en F125) aan voor wat betreft de reikwijdte van de WLZ. Omdat deze prestaties (in ongewijzigde vorm) beschikbaar moeten blijven voor de forensische zorg zijn de beschrijvingen van de prestaties in beleidsregel Prestaties en tarieven forensische zorg, opgenomen. De ZZP’s VG voor de zorg voor verstandelijk gehandicapten blijven in stand. Daarom verwijzen wij in eerdergenoemde beleidsregel naar de betreffende beleidsregel voor de zorgvraagzwaartepakketten zoals die vanaf 1 januari 2015 van kracht zijn.
- − 4.3.10: De specificaties van het plaatsingsbesluitnummer zijn als volgt:
- − De vorm is negen tekens alfanumeriek;
- − De plaatsingsbesluitnummers staan in de webapplicatie ‘Informatievoorziening FZ’ (Ifzo);
- − Als er een plaatsingsbesluitnummer is aangeleverd aan de zorgaanbieder dan is het invullen ervan op de factuur verplicht;
- − Het plaatsingsbesluitnummer wordt beheerd door het ministerie van VenJ.