Bijlage 1 Vaststellingsbesluit programma aanpak stikstof: inleiding
Vaststellingsbesluit programma aanpak stikstof
Het programma: Foto’s voorkant: Verkeer (foto Wouter van Vliet), Witterveld (foto Hans Dekker), koeien nabij Schiphol (foto Beeldbank EZ, Marcel van den Bergh), Grote Peel (foto Beeldbank EZ, Mieke van Engelen), Margriethaven (foto Rob van der Waal) INHOUDSOPGAVE Hoofdstuk 1. Inleiding 4 § 1.1. Aanleiding 5 § 1.2. Het programma 5 § 1.3. Leeswijzer 9 Hoofdstuk 2. Stikstofproblematiek in Nederland 9 § 2.1. Stikstof in de natuur 9 § 2.2. Huidige situatie en trends 11 § 2.3. Noodzaak en doel van maatregelen 12 Hoofdstuk 3. Gebieden, maatregelen en gebiedsanalyses 13 § 3.1. Inleiding 13 § 3.2. In het programma opgenomen Natura 2000-gebieden 13 § 3.3. Brongerichte maatregelen 14 3.3.1. Inleiding 14 3.3.2. Generieke brongerichte maatregelen landbouw 14 3.3.3. Bronmaatregelen Limburg 15 3.3.4. Generieke brongerichte maatregelen in andere sectoren 15 § 3.4. Herstelmaatregelen 15 § 3.5. Depositieruimte en ontwikkelingsruimte 17 § 3.6. Gebiedsanalyses 17 3.6.1. Inleiding 17 3.6.2. Uitgangspunten gebiedsanalyse 18 3.6.3. Opbouw gebiedsanalyses 18 Hoofdstuk 4. Bepaling en reservering depositie- en ontwikkelingsruimte 20 § 4.1. Inleiding 20 § 4.2. Uitgangspunten bepaling depositie- en ontwikkelingsruimte 21 4.2.1. Depositieruimte algemeen 21 4.2.2. Depositieruimte autonome ontwikkelingen en activiteiten onder grenswaarden 23 4.2.3. Ontwikkelingsruimte voor prioritaire projecten (segment 1) 23 4.2.4. Ontwikkelingsruimte andere activiteiten (niet-prioritaire projecten; segment 2) 24 4.2.5. Economische ontwikkelingsmogelijkheden voor de landbouwsector 24 4.2.6. Uitgangspunten verdeling eerste en tweede helft van het tijdvak programma 24 4.2.7. Uitgangspunten reservering (segment 1) 25 4.2.8. Uitgangspunten toedeling segment 2 25 4.2.9. Uitgangspunten voor de toedeling van ontwikkelingsruimte in de praktijk 26 Hoofdstuk 5. Toestemmingen 28 § 5.1. Inleiding 28 § 5.2. Bevoegdheden vergunningverlening op grond van de wet 28 § 5.3. De rol van het programma in het kader van de toestemming
- • geen voor stikstof gevoelige habitattypen en leefgebieden van soorten aanwezig;
- • wordt door soorten geen of slechts marginaal gebruik gemaakt van de aanwezige voor stikstof gevoelige leefgebieden;
- • gelden geen instandhoudingsdoelstellingen voor de aanwezige voor stikstof gevoelige habitattypen of soorten die gebruik maken van een voor stikstof gevoelig leefgebied;
- • of wordt de kritische depositiewaarde van de aanwezige voor stikstof gevoelige habitattypen en leefgebieden niet overschreden9De kritische depositiewaarde voor stikstof is de grens waarboven het risico bestaat dat de kwaliteit van het habitat significant wordt aangetast door de verzurende en/of vermestende invloed van atmosferische stikstofdepositie. (H.F. van Dobben et al, ‘Overzicht van kritische depositiewaarden van stikstof toegepast op habitattypen en Natura 2000-gebieden’, Alterrarapport 2397, 2012)..
- • de documenten die de benodigde afspraken bevatten over de uitvoering en nakoming van de in de onderscheiden gebiedsanalyses opgenomen herstelmaatregelen. Deze afspraken, soms ook ‘uitvoeringsovereenkomsten’ of ‘convenanten’ genoemd, zijn gesloten tussen bestuursorganen die partij zijn bij dit programma en andere overheden, private rechtspersonen of natuurlijke personen die daarbij geen partij zijn. In paragraaf 3.4 wordt hier nader op ingegaan;
- • de herstelstrategieën en de wetenschappelijke onderbouwing, vastgelegd in de achtergronddocumenten ‘Herstelstrategieën Stikstofgevoelige Habitats, deel I, II en III’ (zie paragraaf 3.4);
- • het reken- en registratie-instrument AERIUS, waarmee de beschikbare ontwikkelingsruimte en de stikstofdepositie door nieuwe activiteiten kunnen worden berekend en dat inzicht biedt in de daling van de stikstofdepositie. Dit instrument wordt in paragraaf 7.3 op hoofdlijnen beschreven. De ‘Factsheets AERIUS’13www.aerius.nl/factsheets van het RIVMvoorzien in een nadere beschrijving van de gehanteerde bronnen en methoden van dit instrument en bevatten een technische uiteenzetting van de inhoudelijke werking van deze applicatie;
- • het milieueffectrapport, met inbegrip van een passende beoordeling en actualisatie hiervan, met betrekking tot dit programma, opgesteld door de toenmalige Staatssecretaris van Economische Zaken en de toenmalige Minister van Infrastructuur en Milieu;
- • de beleidsregels van verschillende provincies hier staat het wel goeddingtiek.ormatie verkregen over natuurkwaliteit, maar over de ontwikkeling van de abiotiek voor de toedeling van ontwikkelingsruimte;
- • de afspraken met Duitsland, Vlaanderen en Wallonië over de beoordeling over-en-weer van activiteiten die stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden veroorzaken.
- • hoofdstuk 2 van de Wet natuurbescherming;
- • het Besluit natuurbescherming, waarin de regels voor de programmatische aanpak stikstof zijn opgenomen;
- • de Regeling natuurbescherming, waarin onder meer de lijst van prioritaire projecten is opgenomen.
- • Hoofdstuk 2 beschrijft in het algemeen de problematiek van overbelasting van stikstofdepositie voor Natura 2000-gebieden. Dat is van belang als perspectief van waaruit dit programma invulling geeft aan de maatregelen om economie en ecologie met elkaar te verbinden.
- • Hoofdstuk 3 gaat – mede in het licht van de wettelijke vereisten – in op de te beschermen gebieden, de maatregelen die getroffen gaan worden om de stikstofdepositie te verminderen en de maatregelen die getroffen gaan worden ter bescherming van de voor stikstof gevoelige habitattypen en leefgebieden. De bij dit hoofdstuk horende bijlagen 1, 2, 3 en 4 bevatten meer gedetailleerde gegevens.
- • Hoofdstuk 4 beschrijft de wijze waarop de depositie- en ontwikkelingsruimte worden bepaald en gereserveerd.
- • Hoofdstuk 5 gaat in op het verlenen van toestemmingen en de rol die het programma en de gebiedsanalyses spelen in de passende beoordelingen van projecten en andere handelingen. Bij dit hoofdstuk hoort bijlage 5.
- • Hoofdstuk 6 en de daarbij horende bijlagen 6 en 7 beschrijven de wijze waarop en de frequentie waarmee monitoring zal plaatsvinden van de voortgang en uitvoering van de in dit programma opgenomen maatregelen en hun effecten en wanneer bijsturing van het programma aan de orde is.
- • Hoofdstuk 7 gaat in op de organisatie, aansturing en financiële uitvoerbaarheid van het programma.
- • Hoofdstuk 8 geeft een doorkijk naar de volgende programmaperiode.
- • Hoofdstuk 9 behandelt de sociaaleconomische aspecten van de in dit programma opgenomen maatregelen.
- • Hoofdstuk 10 gaat in op de wijze waarop de kwaliteit van het programma is geborgd.
- • de voor stikstof gevoelige habitattypen en leefgebieden van soorten (bijlage 1);
- • de in het programma opgenomen Natura 2000-gebieden (paragraaf 3.2 en bijlage 2);
- • de brongerichte maatregelen die ertoe bijdragen dat de stikstofdepositie versneld vermindert (paragraaf 3.3 en bijlage 3);
- • de herstelmaatregelen – ook wel effectgerichte maatregelen genoemd – om de voor stikstof gevoelige habitattypen en leefgebieden van soorten te beschermen en waar mogelijk en nodig te ontwikkelen (paragraaf 3.4);
- • de gebiedsanalyses (paragraaf 3.6) die in hun geheel digitaal beschikbaar zijn op: http://pas.natura2000.nl
- a. een kaart waarop de ligging van het gebied is aangegeven, de oppervlakte van het gebied en het landschapstype van het gebied.33Deze gegevens zijn ontleend aan het (ontwerp-)aanwijzingsbesluit van het gebied, bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, van de wet.
- b. een passage waarin is aangegeven welk bestuursorgaan bevoegd is tot het vaststellen van het beheerplan voor het gebied en onder wiens verantwoordelijkheid de gebiedsanalyses zijn uitgevoerd.34Hoofdregel: artikel 2.3, eerste lid, van de wet. Voor gebieden die geheel of gedeeltelijk worden beheerd of onder verantwoordelijkheid vallen van een Minister: artikel 2.10, eerste lid, van de wet. In voorkomend geval is ook aangegeven welke andere bestuursorganen bij het vaststellen van het beheerplan mede zijn betrokken.35Artikel 2.10, vierde lid, van de wet.
- a. de omvang van de stikstofdepositie aan het begin van het tijdvak van het programma, onderscheiden naar factoren binnen de gebieden en daarbuiten;
- b. de staat van instandhouding van de voor stikstof gevoelige habitats in de gebieden;
- c. de doelstellingen ten aanzien van de omvang van de stikstofdepositie, al dan niet met tussendoelstellingen, en de indicatoren waaruit kan worden afgeleid of een doelstelling al dan niet is behaald welke noodzakelijk zijn met het oog op het verwezenlijken van de instandhoudingsdoelstellingen voor de voor stikstof gevoelige typen natuurlijke habitats en habitats van soorten in de gebieden;
- d. de verwachte autonome ontwikkelingen ten aanzien van de stikstofemissie door de factoren, bedoeld in onderdeel a, en de effecten daarvan op de omvang van stikstofdepositie in de gebieden;
- e. de getroffen of te treffen bron- en herstelmaatregelen;
- f. de sociaaleconomische evaluatie en weging van haalbaarheid en betaalbaarheid van de maatregelen, bedoeld in onderdeel e;
- g. de verwachte effecten van de maatregelen, bedoeld in onderdeel e, op de omvang van de stikstofdepositie, onderscheidenlijk het verwezenlijken van de instandhoudingsdoelstellingen in de gebieden;
- h. de uitgangspunten voor de bepaling van de ontwikkelingsruimte, voor de toedeling aan projecten en andere handelingen en voor de reservering daarvoor, en de ontwikkelingsruimte die beschikbaar is op het moment van vaststellen van het programma;
- i. de resultaten van de ecologische beoordeling van het programma, en
- j. de wijze van monitoring van het programma.
- a. bijdragen aan de verwezenlijking van de instandhoudingsdoelstellingen voor de voor stikstof gevoelige habitats in het gebied;
- b. voorkomen dat verslechtering optreedt van de kwaliteit van de natuurlijke habitats en de habitats van soorten in het gebied;
- c. voorkomen dat storende factoren optreden voor de soorten waarvoor het gebied is aangewezen voor zover die factoren, gelet op de instandhoudingsdoelstellingen van het gebied, een significant effect kunnen hebben, en zekerheid bieden dat de natuurlijke kenmerken van het gebied niet worden aangetast.37Artikel 2.5 van het Besluit natuurbescherming
- 1.
- a. Wetenschappelijk gezien is er redelijkerwijs geen twijfel dat de instandhoudingsdoelstellingen op termijn worden gehaald. Behoud is geborgd, dus verslechtering wordt voorkomen. 'Verbetering van de kwaliteit' of 'uitbreiding van de oppervlakte' van de habitattypen of leefgebieden zal in de gevallen waar dit een doelstelling is in het eerste tijdvak van dit programma aanvangen.
- 1.
- b. Wetenschappelijk gezien is er redelijkerwijs geen twijfel dat de instandhoudingsdoelstellingen op termijn kunnen worden gehaald. Behoud is geborgd, dus verslechtering wordt voorkomen. 'Verbetering van de kwaliteit' of 'uitbreiding van de oppervlakte' van de habitattypen of leefgebieden kan in de gevallen waarin dit een doelstelling is in een tweede of derde tijdvak van dit programma aanvangen.
- 2. Er zijn wetenschappelijk gezien twijfels of de achteruitgang zal worden gestopt en of er uitbreiding van de oppervlakte of verbetering van de kwaliteit van de habitattypen of leefgebieden zal plaatsvinden.
- 1. Depositieruimte is de ruimte die met dit programma beschikbaar komt voor alle nieuwe ontwikkelingen die leiden tot stikstofdeposities, die vanaf het begin van dit tijdvak plaats gaan vinden. De depositieruimte geeft aan hoeveel stikstofdepositie door nieuwe economische ontwikkelingen en de groei van bestaande activiteiten een Natura 2000-gebied verdraagt zonder dat de voor dat gebied vastgelegde ecologische doelen in gevaar komen. Deze depositieruimte ontstaat door de daling van de stikstofemissie, en daarmee ook de stikstofdepositie, als gevolg van vaststaand beleid op het gebied van verkeer, landbouw en industrie en de aanvullende bronmaatregelen in dit programma.
- 2. Het programma is gebaseerd op het PBL-scenario met hoge economische groei (2,5% per jaar). Voor dit scenario is gekozen om maximaal ruimte te kunnen bieden aan (nieuwe) economische ontwikkelingen en als extra buffer voor onzekerheden in de ontwikkeling van de stikstofdepositie. Ook met dit scenario als uitgangspunt, neemt de depositie in Nederland door vaststaand beleid nog steeds af. In dit programma zijn aanvullende bronmaatregelen vastgesteld om de stikstofdepositie vanuit de landbouw nog verder omlaag te brengen. Het totale pakket aan aanvullende landbouwmaatregelen levert landelijk een netto reductie van ammoniakemissie op van ten minste 10 kiloton per jaar vanaf 2030, hetgeen in de provincies Limburg en Noord-Brabant wordt verhoogd met de effecten van de provinciale verordeningen met betrekking tot de landbouw (zie paragraaf 3.3 en bijlage 4). Van de totale daling van de stikstofdepositie die wordt bereikt door vaststaand beleid en door generieke bronmaatregelen, is een deel ingezet om de instandhoudingsdoelstellingen en het natuurherstel in de Natura 2000-gebieden te realiseren. Een ander gedeelte is als depositieruimte beschikbaar voor nieuwe ontwikkelingen die stikstof uitstoten.
- 3. De omvang van de depositieruimte die voor een voor stikstof gevoelig habitattype of leefgebied van soorten in een Natura 2000-gebied beschikbaar is, is een hoeveelheid stikstofdepositie per hectare en wordt uitgedrukt in mol per hectare per jaar. De beschikbare depositieruimte binnen een Natura 2000-gebied is niet gelijk verdeeld over een Natura 2000-gebied, maar varieert van hectare tot hectare. In AERIUS heeft een hectare de vorm van een hexagoon (zeshoek).
- 4. De depositieruimte die bij vaststelling van de partiële wijziging van dit programma per hectare van een voor stikstof gevoelig habitattype of leefgebied van soorten in een Natura 2000-gebied beschikbaar is gesteld, is opgenomen in de gebiedsanalyses. De omvang van de depositieruimte per Natura 2000-gebied is als volgt door AERIUS berekend: Ter toelichting bij dit schema: de totale depositie (1) daalt door de autonome ontwikkeling, óók bij de als aanname gehanteerde economische groei van 2,5% (2). De toename van stikstofdepositie als gevolg van de economische groei van 2,5% ten opzichte van het scenario van 0% groei, is onderdeel van de beschikbaar gestelde depositieruimte. Door de generieke brongerichte maatregelen in de landbouw wordt een extra daling van de stikstofdepositie behaald (3). Van deze daling wordt 50% beschikbaar gesteld als depositieruimte. Deze wordt opgeteld bij de depositieruimte die is gebaseerd op 2,5% groei economische groei (4).
- a. Om te beginnen is een prognose gegeven van de omvang van de stikstofdepositie die in het gebied in het laatste jaar van het tijdvak van dit programma zal plaatsvinden bij een economisch groeiscenario van landelijk gemiddeld 2,5%. De economische groei verschilt tussen regio’s in Nederland. Bij de bepaling van de depositiebehoefte voor nieuwe economische ontwikkelingen is rekening gehouden met sectorspecifieke ontwikkelingen, sectorspecifiek beleid en regionale differentiaties, alsook met de ontwikkelingen ten aanzien van projecten die zijn opgenomen in het Meerjarenprogramma Infrastructuur, Ruimte en Transport (MIRT-projecten). Ook is rekening gehouden met activiteiten van het Ministerie van Defensie, de verschillende landbouwsectoren, luchthavens en de Tweede Maasvlakte en het Rijnmondgebied. De hoeveelheid stikstofdepositie bij een economische groei van 2,5% per jaar is vervolgens verminderd met de hoeveelheid stikstofdepositie die in het gebied zou plaatsvinden wanneer er geen economische groei zou zijn. De wijze van berekening is in detail toegelicht in de factsheets AERIUS Monitor 2016.
- b. De aldus berekende depositiebehoefte voor nieuwe economische ontwikkelingen en de groei van bestaande activiteiten bij een economische groei van 2,5% wordt vermeerderd met 50% van het effect van de reductie van ammoniakemissies op de stikstofdepositie op het Natura 2000-gebied tot het eind van het tijdvak van dit programma, als gevolg van de generieke brongerichte maatregelen die met de landbouw zijn afgesproken en de bronmaatregelen in Limburg (zie paragraaf 3.3 en bijlage 4).
- 5. De totale depositieruimte die voor de voor stikstof gevoelige habitattypen en leefgebieden van soorten in een Natura 2000-gebied beschikbaar is, kan vervolgens worden onderscheiden in drie delen:
- • depositieruimte die beschikbaar is voor autonome ontwikkelingen;
- • depositieruimte die beschikbaar is voor activiteiten onder grenswaarden, en
- • ontwikkelingsruimte die kan worden toegedeeld in toestemmingsbesluiten voor nieuwe activiteiten.
- 1. De omvang van de depositieruimte voor autonome ontwikkelingen is bepaald met het scenario van een economische groei van 2,5%. Bij de berekening van de depositiebehoefte voor autonome ontwikkelingen is rekening gehouden met vaststaande beleidsmaatregelen en regelgeving.47Zo is uitgegaan van de door het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat geprognosticeerde ontwikkelingen in de sectoren wegverkeer, scheepvaart, luchthavens en spoor. Bij het bepalen van de autonome ontwikkeling van de stikstofdepositie door het wegverkeer op het hoofdwegennet is de algemene maximumsnelheid voor motorvoertuigen op autosnelwegen van 130 kilometer per uur als uitgangspunt gehanteerd. Dit is gebaseerd op het beleidsuitgangspunt dat waar mogelijk de maximumsnelheid op autosnelwegen naar 130 kilometer per uur wordt gebracht (zie ook Kamerstukken II 2010/11, 32 646, nr. 1). De autonome ontwikkeling van de stikstofdepositie door het wegverkeer hangt daarnaast ook samen met de infrastructurele projecten, zoals de aanleg of uitbreiding van wegen. De autonome groei is de groei van activiteiten die reeds plaatsvinden bij de aanvang van dit programma en waarvoor geen toestemming vooraf vereist is. Het gaat dan bijvoorbeeld om ontwikkelingen als de toename van de productie bij bedrijven – binnen de voorwaarden van een reeds verleende vergunning op grond van de wet –, de groei van het verkeer en consumentengroei. De depositie door nieuwe activiteiten waarvoor vooraf toestemming is vereist en depositiedoor activiteiten die vallen onder grenswaarden, behoren niet tot de depositie als gevolg van autonome ontwikkelingen.
- 2. De depositieruimte voor grenswaarden is de hoeveelheid stikstofdepositie die voor een voor stikstof gevoelig habitattype of leefgebied van soorten in een Natura 2000-gebied beschikbaar is voor activiteiten die vallen onder een grenswaarde.48De grenswaarden zijn vastgesteld in artikel 2.12 van het Besluit natuurbescherming. Er is een algemene grenswaarde vastgesteld van 1 mol per hectare per jaar. Voorts is er een specifieke grenswaarde vastgesteld voor categorieën Rijksinfrastructuurprojecten, uitgedrukt in een afstand tussen een Rijksinfrastructuurproject en een Natura 2000-gebied. Ingeval de maximale toename van stikstofdepositie als gevolg van de activiteit op een hectare voor stikstof gevoelig habitattype minder is dan 1 mol, dan wel sprake is van een grotere afstand tot een Natura 2000-gebied dan de grenswaarde, is voor die activiteit geen afzonderlijke toestemming vereist. Bij de bepaling van de omvang van de beschikbare depositieruimte voor activiteiten onder grenswaarden is een onderscheid gemaakt tussen enerzijds de stikstofdepositie die prioritaire projecten bijkomstig veroorzaken op verder weg gelegen Natura 2000-gebieden en anderzijds de stikstofdepositie die andere, niet-prioritaire projecten veroorzaken op Natura 2000-gebieden.49Zie de factsheets AERIUS Monitor 2016. De omvang van de depositieruimte voor activiteiten onder grenswaarden is als volgt bepaald:
- a. Er is 30% genomen van de bij vaststelling van de partiële wijziging van dit programma berekende ontwikkelingsbehoefte voor niet-prioritaire projecten in segment 2.
- b. Indien na verloop van tijd het percentage van 30% in een Natura 2000-gebied onvoldoende blijkt, kan ruimte worden overgeheveld naar de depositieruimte voor activiteiten onder grenswaarden, ten koste van de ontwikkelingsruimte die beschikbaar is voor niet-prioritaire projecten (segment 2). Hierover besluit het betrokken bevoegd gezag dat het beheerplan vaststelt in overeenstemming met de Ministers van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit en Infrastructuur en Waterstaat.
- c. Indien na verloop van tijd blijkt dat het percentage van 30% in een Natura 2000-gebied niet geheel benut zal worden, kan ruimte worden overgeheveld van de depositieruimte voor activiteiten onder grenswaarden naar de ontwikkelingsruimte die beschikbaar is voor niet-prioritaire projecten (segment 2) of prioritaire projecten (segment 1). Na overheveling moet voldoende depositieruimte voor activiteiten onder grenswaarde resteren. Hierover besluit het betrokken bevoegd gezag dat het beheerplan vaststelt in overeenstemming met de Ministers van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit en Infrastructuur en Waterstaat.
- 1. De ontwikkelingsruimte die beschikbaar wordt gesteld voor toedeling50Het betreft hier de toedeling bij een toestemmingsbesluit als bedoeld in artikel 2.7, eerste lid, van het Besluit natuurbescherming. aan prioritaire projecten komt overeen met de hoeveelheid stikstofdepositie die deze projecten naar verwachting op de onderscheiden hectares van de voor stikstof gevoelige habitattypen en leefgebieden van soorten veroorzaken. Deze ontwikkelingsruimte is gereserveerd in segment 1. De prioritaire projecten zijn afzonderlijk of als categorie genoemd of beschreven in de bijlage bij de Regeling natuurbescherming.
- 2. Onder de prioritaire projecten vallen in ieder geval de rijksinfrastructuurprojecten, waaronder de projecten die zijn opgenomen in het MIRT, en de projecten van het Ministerie van Defensie.51Het MIRT Projectenoverzicht wordt jaarlijks als ‘bijstuk’ bij de begroting van het Infrastructuur- en Deltafonds aangeboden aan de Tweede Kamer (het Infrastructuur- en het Deltafonds zijn onderdeel van de begroting van het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat). De verschillende versies van het MIRT die de komende jaren tijdens de looptijd van dit programma uitkomen zijn alsdan beschikbaar op www.rijksoverheid.nl en www.officielebekendmakingen.nl. Voorts gaat het ook om de projecten waarover gedurende het jaar een voorkeursbesluit en of (ontwerp-) tracébesluit wordt genomen. Ook deze besluiten zijn terug te vinden op www.rijksoverheid.nl, op de website van het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat. Het programma borgt dat gedurende de looptijd van het programma voldoende ontwikkelingsruimte beschikbaar is voor de uitvoering van de rijksinfrastructuurprojecten en projecten van het Ministerie van Defensie.
- 3. De lijst met prioritaire projecten wordt in elk geval jaarlijks geactualiseerd. Zo nodig kan het onderdeel van de lijst met prioritaire rijksprojecten halfjaarlijks worden geactualiseerd.
- 1. De ontwikkelingsruimte voor activiteiten, niet zijnde prioritaire projecten, is het restant van de totale depositieruimte na aftrek van de depositieruimte voor autonome ontwikkelingen, de depositieruimte voor activiteiten onder grenswaarden en de ontwikkelingsruimte voor prioritaire projecten. De toedeling52Het betreft hier de toedeling bij een toestemmingsbesluit als bedoeld in artikel 2.7, eerste lid, van het Besluit natuurbescherming. Zie paragraaf 4.1. van ontwikkelingsruimte in segment 2 gaat niet ten koste van de gereserveerde ontwikkelingsruimte voor de prioritaire projecten in segment 1.
- 2. Deze ontwikkelingsruimte is vrij beschikbaar om toe te delen aan industriële, agrarische en andere activiteiten waarvoor toestemming is vereist.
- 1. Door vermindering van de ammoniakuitstoot als gevolg van generieke bronmaatregelen zal de stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden afnemen. De effecten van deze maatregelen verschillen per gebied en nemen toe in de tijd. In de in paragraaf 3.3 genoemde ‘Overeenkomst generieke maatregelen in verband met het Programma Aanpak Stikstof’ is vastgelegd dat landelijk gemiddeld ten minste 56% van het effect van de generieke brongerichte landbouwmaatregelen beschikbaar komt als depositieruimte voor activiteiten in de landbouwsector. Ook met andere sectoren dan de veehouderij kunnen emissiereducerende afspraken worden gemaakt, in ruil voor ontwikkelingsruimte in segment 2. Daarbij wordt niet vooruitgelopen op de verdere invulling daarvan. Het daadwerkelijk maken van sectorafspraken vergt separate besluitvorming.
- 2. De depositieruimte voor activiteiten in de landbouwsector is beschikbaar voor activiteiten onder grenswaarden en als ontwikkelingsruimte in segment 2 en incidenteel in segment 1. In Limburg kan op een door de provincie Limburg te bepalen tijdstip en wijze, ontwikkelingsruimte beschikbaar worden gesteld ter grootte van 50% van het dalende effect op deposities als gevolg van de Verordening ‘Veehouderijen en Natura 2000 Limburg’ (2013).
- 3. In dit programma is de depositiedaling als gevolg van feitelijke bedrijfsbeëindiging toegevoegd aan de depositieruimte voor de landbouw. Deze depositieruimte is additioneel aan de depositieruimte die is toegekend op basis van de netto groeibehoefte van de landbouw. Deze depositieruimte is specifiek voor de landbouw beschikbaar.
- 1. Op grond van het Besluit natuurbescherming bepaalt dit programma welk deel van de ontwikkelingsruimte in de eerste helft en welk deel in de tweede helft van het zesjarig tijdvak van het programma wordt toegedeeld en gereserveerd. Deze verdeling is zodanig dat een evenwichtige toedeling en reservering van de ontwikkelingsruimte gedurende het tijdvak van het programma is verzekerd.53Artikel 2.4 van het Besluit natuurbescherming.
- 2. Voor de prioritaire projecten in segment 1 heeft de reservering van ontwikkelingsruimte bij vaststelling van de partiële wijziging van het programma plaatsgevonden voor de op dat moment bekende projecten.54Artikel 2.8 van het Besluit natuurbescherming. De daadwerkelijke toedeling van ontwikkelingsruimte aan deze prioritaire projecten zal lopende het tijdvak van het programma plaatsvinden bij het nemen van toestemmingsbesluiten voor die projecten. De mogelijkheid bestaat dat deze toedeling voor een belangrijk deel zal plaatsvinden in de eerste helft van het tijdvak van dit programma. Binnen dit systeem is het vereiste evenwicht gewaarborgd, omdat een deel van de projecten waarvoor ontwikkelingsruimte is gereserveerd in de eerste helft van het tijdvak van dit programma kan worden gestart en gerealiseerd, een deel van deze projecten in de eerste helft van het tijdvak kan worden gestart maar in de tweede helft zal worden gerealiseerd en een deel in de tweede helft zal worden gestart.
- 3. Van de ontwikkelingsruimte voor segment 2 is 60% beschikbaar voor toedeling in de eerste helft van het tijdvak en 40% voor toedeling in de tweede helft van het tijdvak van het programma.
- 4. Wanneer er in de eerste helft van het tijdvak een tekort aan ontwikkelingsruimte blijkt te zijn voor segment 2, dan kan het betrokken bevoegd gezag dat het beheerplan vaststelt in overeenstemming met de Ministers van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit en Infrastructuur en Waterstaat besluiten dat er bij wijze van maatwerk in een specifiek Natura 2000-gebied een andere verdeling wordt gehanteerd dan genoemd onder punt 3, zodat voor dat eerste tijdvak meer ontwikkelingsruimte beschikbaar is. De gewijzigde verdeling zal ook moeten voldoen aan de vereiste van een evenwichtige toedeling en reservering van de ontwikkelingsruimte gedurende het tijdvak van het programma. Voor aanpassing van de verdeling binnen één Natura 2000-gebied is geen wijziging van het programma nodig.
- 5. Drie jaar na de aanvang van dit programma wordt door de bij het programma betrokken bestuursorganen per Natura 2000-gebied en per hectare bezien in hoeverre de ontwikkelingsruimte die beschikbaar is in de tweede helft van het tijdvak van het programma moet worden bijgesteld. Tevens wordt dan inzichtelijk gemaakt hoeveel ontwikkelingsruimte naar verwachting beschikbaar kan worden gesteld in de eerste helft van het tijdvak van het volgende programma.55Artikel 2.6, vierde lid, van het Besluit natuurbescherming.
- 1. In de Regeling natuurbescherming zijn de prioritaire projecten opgenomen waarvoor ontwikkelingsruimte is gereserveerd (segment 1).56Ministeriële regeling op grond van artikel 2.7, derde lid, van het Besluit natuurbescherming
- 2. Prioritaire projecten zijn:
- a. rijksprojecten van aantoonbaar nationaal maatschappelijk belang, aangedragen door de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, de Minister van Economische Zaken en Klimaat, de Minister van Infrastructuur en Waterstaat of de Minister van Defensie en
- b. projecten van aantoonbaar nationaal of provinciaal maatschappelijk belang, aangedragen door provincies.
- 3. Er is alleen ontwikkelingsruimte gereserveerd voor prioritaire projecten, indien:
- a. aannemelijk is dat voor dat project een toestemmingsbesluit wordt genomen in het tijdvak waarin het programma van toepassing is, zodat niet onnodig ontwikkelingsruimte wordt gereserveerd ten koste van de ontwikkelingsruimte in segment 2;
- b. er voor het project gegevens beschikbaar zijn aan de hand waarvan een inschatting kan worden gemaakt van de stikstofdepositie die het project op een Natura 2000-gebied zal veroorzaken.
- 1. Bij de toedeling van ontwikkelingsruimte in segment 2 kan geen gebruik worden gemaakt van ontwikkelingsruimte die is gereserveerd voor prioritaire projecten die zijn opgenomen in de bijlage bij de Regeling natuurbescherming (segment 1).
- 2. Voor de toedeling van ontwikkelingsruimte in toestemmingsbesluiten door gedeputeerde staten voor activiteiten in segment 2, hebben gedeputeerde statenprovinciale beleidsregels vastgesteld. Deze beleidsregels gelden als aanvulling op de in dit programma opgenomen regels over de toedeling van ontwikkelingsruimte. Provincies zijn daarbij uitgegaan van gezamenlijke uitgangspunten, met als doel dat de toedeling van ontwikkelingsruimte op eenvoudige wijze geschiedt, waarbij recht wordt gedaan aan alle belangen. Daarbij is ruimte gelaten voor nuancering en maatwerk per provincie. Wanneer een aanvraag van toestemming niet voldoet aan de provinciale beleidsregels, kan dat voor het bevoegd gezag een reden tot afwijzing van de aanvraag zijn.
- 3. De provincies hebben de volgende uitgangspunten gehanteerd als het gezamenlijke startpunt voor de provinciale beleidsregels:
- • het ontmoedigen van aanvragen van toestemming voor activiteiten waarvoor een onevenredige hoeveelheid ontwikkelingsruimte benodigd is, door middel van een plafond voor toe te delen ontwikkelingsruimte, zoals een vaste maximum waarde of een maximum groeipercentage;
- • het gefaseerd toedelen van ontwikkelingsruimte om te voorkomen dat de beschikbare ontwikkelingsruimte snel opraakt, door middel van beperkingen aan de frequentie waarmee door steeds dezelfde aanvrager een beroep kan worden gedaan op ontwikkelingsruimte, bijvoorbeeld eens in de zes jaar of een cumulatief maximum aan depositie van de gezamenlijke aanvragen;
- • het voorkomen van onnodige toedeling van ontwikkelingsruimte, door aan het verlenen van toestemming als voorwaarde een termijn te stellen waarbinnen de desbetreffende activiteit daadwerkelijk wordt uitgevoerd;
- • gedeputeerde staten handelen overeenkomstig de beleidsregels, tenzij dat voor een of meer belanghebbenden gevolgen zou hebben die wegens bijzondere omstandigheden onevenredig zijn in verhouding tot de met de beleidsregels te dienen doelen.
- 4. Als gedeputeerde staten geen nadere beleidsregels hebben vastgesteld, dan geldt voor de toedeling van ontwikkelingsruimte door gedeputeerde staten voor activiteiten binnen segment 2 de volgorde van ontvangst van de aanvraag van een toestemmingsbesluit.
- 5. De Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit is gegeven de bevoegdheidsverdeling op grond van de wet naar verwachting slechts bij uitzondering bevoegd voor de toestemmingverlening voor projecten en andere handelingen waarvoor een beroep wordt gedaan op ontwikkelingsruimte in segment 2. Zolang geen beleidsregels zijn vastgesteld, vindt toedeling van de ontwikkelingsruimte plaats in volgorde van ontvangst van de aanvragen voor een toestemmingsbesluit.
- 1. De ontwikkelingsruimte wordt net als de depositieruimte uitgedrukt in mol per hectare per jaar. De ontwikkelingsruimte die per voor stikstof gevoelig habitattype of leefgebied beschikbaar is, is berekend en vastgesteld op hectareniveau en volgt uit AERIUS (zie paragraaf 7.3 en de factsheets AERIUS Monitor 2016 voor een toelichting). Per Natura 2000-gebied is in de gebiedsanalyses aangegeven hoeveel ontwikkelingsruimte bij de vaststelling van de partiële wijziging van het programma beschikbaar is. Op https://monitor.aerius.nl/monitor is deze informatie ook op hectareniveau beschikbaar.
- 2. De verlening van toestemming voor een nieuwe activiteit (project of andere handeling) onder toedeling van ontwikkelingsruimte heeft betrekking op de stikstofdepositie die de activiteit per kalenderjaar op een hectare zal veroorzaken. Voor een nieuwe activiteit met een constante emissie wordt eenmalig ontwikkelingsruimte toegedeeld ter hoogte van de stikstofdepositie die het gevolg is van die emissie of ter hoogte van de stikstofdepositie die op grond van het toestemmingsbesluit voor die activiteit is toegestaan. Voor een activiteit waarvan de emissies in de loop van de tijd toe- of afnemen, wordt eenmalig ontwikkelingsruimte toegedeeld ter hoogte van de stikstofdepositie in het jaar waarin deze het hoogst is.
- 3. Voor tijdelijke activiteiten wordt de ontwikkelingsruimte toegedeeld op basis van de totale hoeveelheid depositie die de activiteit op een hectare veroorzaakt afgezet tegen een periode van zes jaar: de jaarlijkse deposities worden bij elkaar opgeteld en gedeeld door zes. Onder een tijdelijke activiteit wordt verstaan een activiteit waarvoor voor ten hoogste een periode van vijf jaar toestemming wordt verleend. Anders dan bij niet-tijdelijke activiteiten die permanent depositie veroorzaken, wordt dus bij tijdelijke activiteiten niet uitgegaan van een permanente maximale depositie per jaar, maar van de totale depositie op een hectare in een periode van zes jaar. Deze benadering doet recht aan de tijdelijkheid van de activiteit.’
- 4. In de situatie dat er in een gebied voor een hectare van een voor stikstof gevoelig habitattype of leefgebied meer vraag is naar depositieruimte dan dat er beschikbaar is en de depositie ruim onder de kritische depositiewaarde van het betreffende habitattype of leefgebied blijft, kan de depositieruimte opgehoogd worden tot maximaal 70 mol per hectare per jaar onder de kritische depositiewaarde.
- 5. In de situatie dat er in een gebied voor een hectare van een voor stikstof gevoelig habitattype of leefgebied meer vraag is naar ontwikkelingsruimte dan dat er beschikbaar is, kan het bestuursorgaan dat het betrokken beheerplan vaststelt besluiten gebruik te maken van de mogelijkheid om op die hectare binnen het geldende tijdvak van het programma ten hoogste 35 mol extra ontwikkelingsruimte57Het maximum van 35 mol per hectare per jaar is gebaseerd op het inzicht dat er ecologisch gezien geen aantoonbare verschillen in de kwaliteit van een habitat zijn door verschillen in depositie die kleiner zijn dan 1 kg per hectare per jaar, hetgeen gelijk staat aan een depositie van 70 mol per hectare per jaar. Vanuit het voorzorgsprincipe is in het programma een maximum aan ontwikkelingsruimte van 35 mol per hectare per jaar gehanteerd. toe te delen. Dit kan alleen als is voldaan aan elk van de volgende voorwaarden:
- • elders in het gebied wordt op een hectare van hetzelfde habitattype of leefgebied dezelfde hoeveelheid in mindering gebracht op de beschikbare ontwikkelingsruimte, wat niet ten koste mag gaan van de gereserveerde ontwikkelingsruimte voor prioritaire projecten. Er wordt dus zodanig uitgemiddeld per habitattype en leefgebied van soorten in het Natura 2000-gebied dat de gemiddelde afname van de depositie op het betreffende habitat even groot blijft;
- • de toedeling van extra ontwikkelingsruimte leidt niet tot een stijging van de stikstofdepositie op de betreffende hectare ten opzichte van de stikstofdepositie op die hectare aan de start van het tijdvak van dit programma;
- • het bevoegd gezag heeft zich er door middel van een gebiedsspecifieke ecologische beoordeling van verzekerd dat de toedeling van extra ontwikkelingsruimte voor de desbetreffende hectare van het voor stikstof gevoelige habitat of leefgebied niet leidt tot aantasting van de natuurlijke kenmerken van het betrokken Natura 2000-gebied en evenmin tot tussentijdse verslechtering van de kwaliteit van het habitattype of leefgebied.
- 6. Een activiteit die in het eerste tijdvak van zes jaar van dit programma tot uitvoering komt, heeft enkel ontwikkelingsruimte nodig gedurende dat tijdvak. Wanneer de activiteit in een tijdvak van een volgend programma nog steeds stikstofdepositie veroorzaakt, is voor dat volgende tijdvak niet opnieuw ontwikkelingsruimte nodig. De activiteit maakt dan onderdeel uit van de nieuwe startsituatie aan het begin van het tijdvak van het volgende programma en zal worden verwerkt in de totale bijdrage van de desbetreffende sector waar deze activiteit toe behoort.
- 7. Wanneer de uitvoering van een activiteit zal plaatsvinden in een tijdvak van een volgend programma, maar voor de activiteit reeds toestemming wordt verleend in het geldende tijdvak van het programma, dan wordt ook de ontwikkelingsruimte in dit tijdvak toegedeeld en is in het tijdvak van een volgend programma niet opnieuw ontwikkelingsruimte nodig.
- 8. De hoeveelheid stikstofdepositie die een activiteit per hectare en per jaar veroorzaakt op een voor stikstof gevoelig habitat of leefgebied, wordt door de bestuursorganen berekend met behulp van AERIUS. De benodigde ontwikkelingsruimte wordt in mindering gebracht op de beschikbare ontwikkelingsruimte per hectare voor stikstof gevoelig habitattype en leefgebied. De toedeling van ontwikkelingsruimte wordt geregistreerd in AERIUS, zodat in AERIUS altijd een overzicht beschikbaar is van de beschikbare ontwikkelingsruimte.
- 9. Wanneer de ontwikkelingsruimte die is gereserveerd voor het tijdvak van dit programma niet wordt benut, dan is deze ontwikkelingsruimte beschikbaar als ontwikkelingsruimte in het tijdvak van het volgende programma.
- • een berekening met behulp van het reken- en registratie-instrument AERIUS van de toename van stikstofdepositie die door het project wordt veroorzaakt op de voor stikstof gevoelige habitattypen en leefgebieden in een Natura 2000-gebied dat is opgenomen in het programma;
- • per project een kwantificering van de benodigde ontwikkelingsruimte, die gelijk is aan de toename van de stikstofdepositie per hectare per jaar die door de activiteit wordt veroorzaakt, of – voor tijdelijke projecten – aan de totale hoeveelheid depositie die de activiteit op een hectare veroorzaakt afgezet tegen een periode van zes jaar;
- • een verwijzing naar het programma en de passende beoordeling die in het kader van het programma voor het desbetreffende Natura 2000-gebied is gemaakt dat ontwikkelingsruimte kan worden uitgegeven;
- • de conclusie, op basis van het programma en de conclusies van de passende beoordeling die in het kader van het programma is gemaakt dat het project met het toedelen van voldoende ontwikkelingsruimte niet leidt tot aantasting van de natuurlijke kenmerken van het desbetreffende Natura 2000-gebied.
- 1. de vergunning moet betrekking hebben op zowel de uitbreiding of wijziging als op de niet eerder op grond van de Nbwet vergunde bestaande exploitatie, dus de gehele exploitatie na de wijziging of uitbreiding;
- 2. voor de toename van de stikstofdepositie ten opzichte van de feitelijke depositie die het bedrijf voor 1 januari 2015 veroorzaakte moet een beroep op ontwikkelingsruimte worden gedaan;
- 3. voor de feitelijke stikstofdepositie die het betrokken bedrijf veroorzaakte vóór de vaststelling van het programma kan worden verwezen naar de passende beoordeling die ten grondslag ligt aan het programma. Toekenning van ontwikkelingsruimte hiervoor blijft achterwege.
- • uitdrukkelijk besluit vereist waarin wordt onderbouwd welke omstandigheden nopen tot een afwijking van het verbod;
- • overeenstemming met het bevoegd gezag dat het betrokken beheerplan vaststelt;
- • er wordt verzekerd dat een goede werking van het programma niet in gevaar komt;
- • uit een passende beoordeling blijkt dat per saldo nergens in het betrokken Natura 2000-gebied een toename van stikstofdepositie plaatsvindt;
- • er wordt geen beroep gedaan op maatregelen waarvan effect is meegenomen in de ecologische beoordeling van het PAS;
- • gebruik depositiebank is mogelijk (niet alle weggenomen depositie hoeft direct te worden uitgegeven);
- • bevoegd gezag houdt overzicht bij van extern salderen;
- • extern salderen wordt meegenomen in monitoring PAS.
- • zicht geven en houden op de ontwikkeling van de stikstofgevoelige natuur in de gebieden die onderdeel uitmaken van het programma, met oog op de instandhoudingsdoelstellingen;
- • zicht geven en houden op de ontwikkeling van de stikstofemissies (landelijk) en -depositie (landelijk en in Natura 2000-gebiedeninclusief prognoses voor vastgestelde jaren);
- • zicht geven en houden op de beschikbare en uitgegeven hoeveelheid depositie- en ontwikkelingsruimte ten behoeve van (nieuwe) economische activiteiten;
- • zicht geven en houden op de voortgang van de uitvoering van maatregelen afgesproken in het programma en de effecten daarvan.
- • jaarlijks kan de omvang van de reservering van ontwikkelingsruimte voor prioritaire projecten en de verdeling van de depositie- en ontwikkelingsruimte over projecten, tussen de eerste en tweede helft van het tijdvak van het programma of tussen segmenten worden aangepast;
- • voor de prioritaire rijksprojecten kan halfjaarlijks de reservering van ontwikkelingsruimte worden aangepast en kan indien nodig als gevolg hiervan de verdeling van de depositie- en ontwikkelingsruimte over projecten of tussen segmenten worden aangepast (zie paragraaf 6.3.2).
- • drie jaar na de aanvang van dit programma wordt door de bij het programma betrokken bestuursorganen per Natura 2000-gebied en per hectare bezien in hoeverre de ontwikkelingsruimte die beschikbaar is in de tweede helft van het tijdvak van het programma moet worden bijgesteld. Tevens wordt dan inzichtelijk gemaakt hoeveel ontwikkelingsruimte naar verwachting beschikbaar kan worden gesteld in het tijdvak van het tweede programma en in het bijzonder in de eerste helft daarvan.
- 1. Een jaar na uitvoering van een herstelmaatregel ten behoeve van habitattype x in gebied y wordt met behulp van de procesindicator geconstateerd dat het te verwachten effect zich niet heeft voorgedaan. Dit blijkt uit de jaarlijkse gebiedsrapportage van gebied y, zoals opgenomen in de jaarlijkse monitoringsrapportage natuur.
- 2. Naar aanleiding van de constatering wordt onderzocht wat de oorzaak van het uitblijven van het effect is en wat de mogelijke gevolgen zijn voor het behoud en de ontwikkeling van betreffende habitattype waarvoor de herstelmaatregel was ingezet.
- 3. Afhankelijk van de resultaten van het onderzoek kan worden besloten:
- a. de monitoring op de betreffende herstelmaatregel tijdelijk te intensiveren en het effect het daarop volgende jaar opnieuw te evalueren;
- b. de maatregel opnieuw of gewijzigd uit te voeren, of te vervangen door een andere maatregel waarmee het oorspronkelijk beoogde effect kan worden bereikt.
- 4. Als uit het onderzoek blijkt dat ondanks aanvullende monitoring, intensivering of wijziging van de herstelmaatregel, behoud en daar waar nodig ontwikkeling van voor stikstof gevoelige habitattypen en leefgebieden niet langer geborgd is, zal de omvang van beschikbare ontwikkelingsruimte worden beperkt, totdat dit risico is weggenomen. Op deze manier wordt geborgd dat de natuurdoelen haalbaar en het ecologisch oordeel in de gebiedsanalyses geldig blijven.
- 1. Eerst wordt bezien of er binnen segment 1 extra ontwikkelingsruimte beschikbaar is, bijvoorbeeld omdat door nieuwe ontwikkelingen is gebleken dat bepaalde ontwikkelingsruimte niet benut gaat worden;
- 2. Vervolgens wordt bezien of er binnen segment 1 ontwikkelingsruimte beschikbaar kan worden gesteld door aanpassing van de gereserveerde ontwikkelingsruimte voor een ander prioritair project;
- 3. Indien die stap niet de benodigde ontwikkelingsruimte oplevert, zal worden bezien of er ontwikkelingsruimte die beschikbaar is voor segment 2 kan worden gebruikt. Het bestuursorgaan dat het bevoegd gezag is voor het nemen van het toestemmingsbesluit voor het desbetreffende prioritair project overlegt hierover met de bestuursorganen die het beheerplan voor het desbetreffende Natura 2000-gebied vaststellen en in voorkomend geval met andere bij die vaststelling betrokken bestuursorganen;
- 4. Als er geen ontwikkelingsruimte uit segment 2 beschikbaar kan worden gesteld, bezien de bij dit programma betrokken bestuursorganen gezamenlijk of meevallers ten aanzien van de verwachte daling van stikstofdepositie, al dan niet gedeeltelijk als depositieruimte en ontwikkelingsruimte kunnen worden gebruikt;
- 5. Indien de stappen 1 tot en met 4 geen extra ontwikkelingsruimte opleveren, overleggen de betrokken bestuursorganen over een aanpassing van het programma. Er moet dan tussen de Ministers van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit en van Infrastructuur en Waterstaat en de bestuursorganen die voor de betrokken Natura 2000-gebieden het beheerplan (mede) vaststellen, overeenstemming bestaan dat er meer ontwikkelingsruimte voor dat Natura 2000-gebied beschikbaar moet komen en beschikbaar kan worden gesteld. Daarbij wordt bezien of aanvullende brongerichte of herstelmaatregelen dienen te worden getroffen waardoor nieuwe depositieruimte en ontwikkelingsruimte beschikbaar kunnen worden gesteld.
- • de emissie in het referentiejaar (2014) van het gepasseerde jaar (t-1), alsmede een aangepaste schatting van emissie in zichtjaren 2020 en 2030;
- • oorzaak verschillen in emissies ten opzichte van eerdere monitoringsronden voor referentiejaar (2014), gepasseerd jaar en zichtjaren 2020 en 2030;
- • de realisatie van de in de overeenkomst generieke maatregelen afgesproken emissiereductie.
- • De bronkenmerken die als input dienen voor een berekening met de AERIUS Calculator volgen uit gegevens die door de gebruiker worden ingevoerd en gegevens die standaard in AERIUS zijn opgenomen (defaultwaarden).
- • De verspreiding- en depositieberekeningen in AERIUS worden uitgevoerd met het Operationele Prioritaire Stoffen model (OPS) van het RIVM. Onderstaand tekstkader gaat in op de validatie van OPS. Een uitgebreide beschrijving van OPS en meer gedetailleerde informatie over de validatie is te vinden op www.rivm.nl/ops.
- • Voor wegverkeer op rijkswegen wordt niet het OPS model toegepast, maar gaat AERIUS bij de berekening van de concentratiebijdrage uit van Standaardrekenmethode 2 (SRM2) uit de Regeling beoordeling luchtkwaliteit 2007. Hiermee zijn de AERIUS berekeningen voor wegen die vallen onder het toepassingsbereik van SRM2 in lijn met de rekenmethode voor wegverkeer in het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit. Voor de omzetting van de met SRM2 berekende concentraties naar deposities wordt gebruik gemaakt van met OPS afgeleide functies voor brondepletie en waarden voor de effectieve droge depositiesnelheid.
- • De generieke gegevens zijn invoergegevens die niet gerelateerd zijn aan de bron, maar wel relevant zijn voor de verspreidings- en depositieberekeningen met de rekenmodellen in AERIUS. Voorbeelden zijn de meteorologische condities (windrichting, windsnelheid) en de ruwheid van het terrein.
- • De depositie als gevolg van de ingevoerde emissiebronnen wordt berekend op rekenpunten, waarbij de waarde van ieder rekenpunt wordt toegekend aan één hectare.
- • De onzekerheid in de berekende absolute waarde van de depositie bedraagt 70%. Deze onzekerheid is vastgesteld door gemeten concentraties te vergelijken met berekende concentraties, en hangt samen met onzekerheden in de emissies, het landgebruik, de verspreidingsberekening en de depositieberekening. De onzekerheid in de berekende deposities op het niveau van hectaren (100x100 m2) is niet a priori in te schatten maar is ongeveer van dezelfde orde van grootte.
- • Wanneer veel detailinformatie over bronnen nabij een natuurgebied beschikbaar is, zal de onzekerheid in de berekende absolute waarde enkele tientallen procenten bedragen.
- • De onzekerheid in de relatieve bijdrage van doelgroepen en individuele bronnen aan de depositie op een specifieke locatie is aanzienlijk kleiner dan de onzekerheid in de absolute depositie en wordt grotendeels bepaald door de onzekerheden in broneigenschappen en in mindere mate door de wijze van verspreiding- en depositieberekening. Dit betekent dat er vrijwel altijd betrouwbaarheidswinst te halen is door het beschikbaar krijgen van betere broninformatie.
- • methodiek
- • database
- • de verwerking van de relevante inzichten uit de wetenschap en de praktijk in de strategieën;
- • de correcte verwerking van deze basiskennis tot inhoudelijk juiste conclusies in de herstelstrategieën;
- • de aanwezigheid van mogelijke aanvullingen ten opzichte van de inhoud van de ontwerp-herstelstrategieën;
- • de correcte weergave van de kennislacunes en een transparante omgang daarmee;
- • de aanwezigheid van correcte handvatten en informatie voor toepassing in de praktijk;
- • de mogelijkheden om zonodig de wetenschappelijke soliditeit en bruikbaarheid van het rapport te vergroten.
- • in gebieden gelegen binnen een straal van 5 kilometer van Natura 2000-gebieden wordt de groei van stallen sterk belemmerd doordat er geen ruimte is voor extra uitstoot van stikstof. Dit betekent dat hier 15% van de groei plaatsvindt die normaal gesproken wordt verwacht bij een economisch groeiscenario van 2,5%;
- • in gebieden gelegen buiten een cirkel van 5 kilometer van Natura 2000-gebieden wordt de groei van de veehouderij minder belemmerd door beperkingen vanuit de wet. Dit betekent dat hier 80% van de groei plaatsvindt die normaal gesproken wordt verwacht bij een economisch groeiscenario van 2,5%.
- • het water- en bodemsysteem verbeteren op de meeste plekken;
- • de herstelmaatregelen dragen op de meeste plekken bij aan landschappelijke en cultuurhistorische waarden.
- • het oordeel van de gebiedsanalyse voor elk Natura 2000-gebied dat er wetenschappelijk gezien geen twijfel is dat met het beschikbaar stellen van ontwikkelingsruimte en depositieruimte voor economische ontwikkelingen met het programma aanpak stikstof de instandhoudingsdoelstellingen voor de voor stikstof gevoelige habitattypen en leefgebieden van soorten op termijn worden gehaald en of behoud is geborgd, dus verslechtering wordt voorkomen. Daarbij is getoetst aan de instandhoudingsdoelstellingen, opgenomen in het aanwijzingsbesluit van het desbetreffende Natura 2000-gebied.
- • een beoordeling van de ontwikkeling van de stikstofdepositie in dit deel van de passende beoordeling. In alle gebieden is sprake van een vermindering van de depositie ten opzichte van de situatie zonder programma aanpak stikstof.
- • de vaststelling dat het programma overigens voldoet aan voorwaarden die verzekeren dat de instandhoudingsdoelstellingen niet in gevaar komen, namelijk dat:
- • alle relevante Natura 2000-gebieden in het programma zijn opgenomen;
- • de inschatting van depositieontwikkeling en cumulatieve effecten van de stikstofdepositie op basis van huidige wetenschappelijke inzichten adequaat is;
- • er voldoende zekerheid is dat de effecten van de generieke maatregelen ook daadwerkelijk zullen optreden;
- • er voldoende zekerheid is dat de maatregelen (herstel en generiek) ook daadwerkelijk worden uitgevoerd;
- • de uitgifte van depositieruimte goed is afgestemd op het tempo van vermindering van de stikstofdepositie en – zoals beoordeeld in de gebiedsanalyses – de effecten van de herstelmaatregelen;
- • de vaststelling dat ingeval nieuwe inzichten of ontwikkelingen daartoe aanleiding geven op basis van adequate monitoring tijdig kan worden bijgestuurd.
- • Ontwerp partiële herziening Programma Aanpak Stikstof 2015–2021
- • Geactualiseerde gebiedsanalyses
- – de stimulering van kennisontwikkeling door kennisuitwisseling, via de Regeling praktijknetwerken, met als doel de terugdringing van ammoniakuitstoot in de landbouwsector door het treffen van stalmaatregelen, voer- en managementmaatregelen en maatregelen tijdens het uitrijden van dierlijke meststoffen die verder gaan dan de wettelijke eisen of gangbare norm. Er kon in 2013 van deze regeling gebruik gemaakt worden.
- – de stimulering van de toepassing van duurzame stallen en veehouderijsystemen via de Regeling investeringen in integraal duurzame stallen, met als voorwaarde dat de uitstoot van ammoniak met ten minste 25% vermindert ten opzichte van de wettelijke normen en dat het desbetreffende bedrijf binnen een straal van 3 kilometer is gelegen van een Natura 2000-gebied met voor stikstof gevoelige natuurwaarden. Er kon in 2013 en 2014 van deze regeling gebruik gemaakt worden.
- – de stimulering van metingen aan nieuwe integrale duurzame stallen en metingen aan nieuwe voer- en managementmaatregelen, om inzicht te krijgen in de omvang van de uitstoot van ammoniak (Regeling metingen ammoniakuitstoot). Er kon in 2013 en 2014 van deze regeling gebruik gemaakt worden.
- – de stimulering van de vergroting van de vakkennis van agrarische ondernemers over de uitstoot van ammoniak en de vermindering daarvan, via de Regeling beroepsopleiding en voorlichting. Er kon in 2014 gebruik gemaakt worden van deze regeling.
- – de ‘Small Business Innovation Research (SBIR)’, een aanbestedingsinstrument gericht op het vinden van innovatieve oplossingen voor maatschappelijke vraagstukken. In dit geval voor voer- en managementmaatregelen en voor het uitrijden van mest.
- – het onderzoeksprogramma PAS-maatregelen door Wageningen UR, dat tot doel heeft om via onderzoek en validatiemetingen de beschikbaarheid van maatregelen om de reductie van de ammoniakuitstoot in de huisvesting van varkens, pluimvee en runderen te stimuleren;
- – Proeftuin Natura 2000 Overijssel: dit onderzoek is eind 2015 afgerond. Het onderzoek combineerde het toepassen en ontwikkelen van technieken en maatregelen in de praktijk met kennisuitwisseling tussen veehouders. Ook was er aandacht voor aspecten als monitoring, borging en handhaving. Hoewel de basis van de Proeftuin in Provincie Overijssel lag, zijn de ervaringen en resultaten ook voor Natura 2000-gebieden in andere delen van het land van toegevoegde waarde. Tot eind 2015 lag de focus van de Proeftuin voornamelijk op het ontwikkelen van ammoniakreducerende maatregelen. In 2016 is een nieuwe fase begonnen. Via verschillende deelprojecten wordt gewerkt aan doorontwikkeling van eerder verkregen informatie. Daarnaast ligt de focus op het delen van verzamelde kennis met veehouders om hun meer handvatten te bieden bij de ammoniakreductie op hun bedrijf. De toenmalige Staatssecretaris van Economische Zaken, LTO Noord Fondsen en Productschap Zuivel maakten het project financieel mogelijk. LTO Noord, Wageningen UR en Projecten LTO Noord verzorgen de uitvoering.
- – Proeftuin Veenweiden: is een innovatief gebiedsprogramma waarin melkveehouders, onderzoekers en adviseurs gezamenlijk maatregelen ontwikkelen voor minder ammoniakemissie, betere waterkwaliteit en vermindering van bodemdaling. In de Proeftuin draait het om onderzoek en het praktijkrijp maken van maatregelen. Daarnaast wordt gewerkt aan borging en beloning van succesvolle en duurzame maatregelen voor blijvend resultaat en rendement in de toekomst. Provincie Zuid-Holland, de toenmalige Staatssecretaris van Economische Zaken en LTO Noord financierden het programma. De provincies Utrecht en Noord-Holland doen mee op specifieke onderdelen. De uitvoering is in handen van LTO Noord, Wageningen UR, VIC Zegveld, PPP-Agro Advies en het Louis Bolk Instituut.
- 1. Wanneer een project of een handeling op Nederlands grondgebied op geen enkel Natura 2000-gebied in Duitsland een toename van stikstofdepositie van meer dan 7,14 mol per hectare per jaar veroorzaakt, is er geen bezwaar tegen het verlenen van toestemming voor deze activiteit. Dit stikstofaspect staat een vergunningverlening door het Nederlandse bevoegde gezag dan niet in de weg.
- 2. Wanneer een project of een handeling op Nederlands grondgebied op een Duits Natura 2000-gebied meer dan 7,14 mol per hectare per jaar aan stikstofdepositie veroorzaakt, maar minder dan 3% van de kritische depositiewaarde van een voor stikstof gevoelig habitattype of leefgebied waar de totale deposities hoger zijn dan de kritische depositiewaarde, verzoekt het Nederlandse bevoegd gezag aan het desbetreffende Duitse bevoegd gezag om vast te stellen of in cumulatie sprake kan zijn van significante gevolgen. Als het Duitse bevoegd gezag vaststelt dat daarvan geen sprake is, staat dit stikstofaspect vergunningverlening door het Nederlandse bevoegd gezag niet in de weg.
- 3. Wanneer een project of handeling op Nederlands grondgebied op een Duits Natura 2000-gebied aan stikstofdepositie meer veroorzaakt dan 3% van de kritische depositiewaarde van een voor stikstof gevoelig habitattype of leefgebied waarvan de totale deposities hoger zijn dan de kritische depositiewaarde, heeft het desbetreffende Nederlandse bevoegd gezag overleg met het desbetreffende Duitse bevoegd gezag. Zij zullen gezamenlijk bezien of en zo ja onder welke voorwaarden toestemming mag worden verleend. Ingeval het gaat om een project met mogelijk significante gevolgen als bedoeld in artikel 6, derde lid, van de Habitatrichtlijn, stelt degene die voornemens is het project te realiseren, daartoe een passende beoordeling op.
- 1. Het uitgangspunt is een drempelwaarde van 5% van de kritische depositiewaarde103Vlaanderen hanteert dezelfde kritische depositiewaarden als Nederland. van een voor stikstof gevoelig habitattype of leefgebied in een Vlaams Natura 2000-gebied.
- 2. Wanneer de stikstofdepositie van een voorgenomen project of de voorgenomen handeling (inclusief de stikstofdepositie van een bestaande activiteit) op een Vlaams Natura 2000-gebied:
- a. lager is dan of gelijk is aan deze drempelwaarde, is er geen aantoonbaar schadelijk gevolg en is geen toestemming vereist.
- b. hoger is dan deze drempelwaarde, heeft het desbetreffend Nederlands bevoegd gezag overleg met het desbetreffend Vlaams bevoegd gezag. Zij zullen gezamenlijk bezien of en zo ja onder welke voorwaarden toestemming mag worden verleend. Ingeval het gaat om een project met mogelijk significante gevolgen als bedoeld in artikel 6, derde lid, van de Habitatrichtlijn, stelt degene die voornemens is het project te realiseren, daartoe een passende beoordeling op.
- Activiteiten: Projecten of andere handelingen als bedoeld in artikel 2.7 van de wet.
- Brongerichte maatregel: Maatregel die wordt genomen ter uitvoering van dit programma en die tot doel heeft het probleem van de overbelasting van stikstofdepositie bij de bron aan te pakken door stikstofemissie te reduceren.
- Depositieruimte: De totale hoeveelheid stikstofdepositie die in dit programma voor de groei van bestaande activiteiten en nieuwe economische ontwikkelingen beschikbaar is.
- Grenswaarde: Waarde, vastgesteld op grond van artikel 2.9, vijfde lid, van de wet, uitgedrukt in aantal molen per hectare per jaar of in een minimale afstandsgrens tussen een activiteit en een Natura 2000-gebied.
- Habitats: verzamelnaam voor habitattypen en leefgebieden van soorten.
- Habitatrichtlijn: Richtlijn 92/43/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 21 mei 1992 inzake de instandhouding van de natuurlijke habitats en de wilde flora en fauna (PbEG 1992 L 206).
- Habitattype: Type natuurlijke habitat, zijnde een geheel natuurlijke of halfnatuurlijke land- of waterzone met bijzondere geografische, abiotische en biotische kenmerken.
- Herstelmaatregel: Maatregel die wordt genomen ter uitvoering van dit programma, gericht op het bestendiger maken van de natuur tegen een overbelasting van stikstof.
- Herstelstrategie: Beschrijving van de mogelijke herstelmaatregelen voor een voor stikstof gevoelige habitattype of leefgebied.
- Instandhoudingsdoelstelling: Doelstellingen, opgenomen in een aanwijzingsbesluit van een Natura 2000-gebied als bedoeld in artikel 2.1 van de wet, ten aanzien van de instandhouding van de leefgebieden, vereist op grond van de Vogelrichtlijn of ten aanzien van de instandhouding van de natuurlijke habitats of populaties in het wild levende dier- en plantensoorten, vereist op grond van de Habitatrichtlijn.
- Kritische depositiewaarde: De kritische depositiewaarde voor stikstof is de grens waarboven het risico bestaat dat de kwaliteit van het habitat significant wordt aangetast door de verzurende en/of vermestende invloed van atmosferische stikstofdepositie. (H. van Dobben et al, 2012).
- Leefgebied: Habitat van een soort, zijnde door specifieke abiotische en biotische factoren bepaald milieu waarin de soort tijdens één van de fasen van zijn biologische cyclus leeft;
- Mitigerende maatregel: Maatregel die de negatieve gevolgen van een activiteit voor een Natura 2000-gebied beperkt of voorkomt.
- Natura 2000: Europees ecologisch netwerk dat bestaat uit de speciale beschermingszones, bedoeld in artikel 4, eerste en tweede lid, van de Vogelrichtlijn en artikel 1, onderdeel l, van de Habitatrichtlijn.
- Natura 2000-gebied: Gebied dat: