Bijlage 1 Regeling omzetting scores in cijfers centrale examens en rekentoets VO 2015: behorende bij artikel 1 van de Regeling omzetting scores in cijfers centrale examens en rekentoets VO 2015, van 9 februari 2015, nummer CvTE
Regeling omzetting scores in cijfers centrale examens en rekentoets VO 2015
De normering van de centrale examens dient er zorg voor te dragen dat in opeenvolgende jaren aan kandidaten bij het zelfde vak in hetzelfde schooltype/dezelfde leerweg dezelfde eisen worden gesteld. Bij een 5,5 in het ene jaar hoort dezelfde prestatie van de kandidaat als bij een 5,5 in een ander jaar. Omdat het technisch onmogelijk is onze examens van jaar op jaar 'precies even moeilijk' te maken, zorgt de keuze van de N-term daarvoor. Het proces van normering is erop gericht gegeven dit uitgangspunt de juiste normeringsterm te bepalen. In supplement 1 staan de vergelijkingen die bij de omzetting van score naar cijfer worden gehanteerd. Het examen wordt geijkt aan het door het CvTE vastgestelde referentie-examen. Een referentie-examen is een examen dat door CvTE en veld wordt gezien als een 'goed' examen. Allereerst gaat het CvTE uit van de veronderstelling dat kandidaten niet ineens vaardiger of minder vaardig zijn geworden. Als uitsluitend deze regel zou worden toegepast, dan zouden bij een dalend vaardigheidsniveau de cijfers gemiddeld gelijk blijven, en zou een vaardiger groep leerlingen gestraft worden met een strenger normering. Daarom worden aanvullende gegevens gehanteerd. Bij elk examen is het oordeel van het CvTE over de zwaarte van het examen in relatie tot het referentie-examen in aanmerking genomen. Dit oordeel wordt bij de vaststelling van het examen door de vakdeskundigen gegeven. Bij een aantal examens verzamelt Cito gegevens over de moeilijkheidsgraad van het examen in relatie met het referentie-examen1Bij een pre- of posttest is de vergelijking gebaseerd op resultaten van leerlingen die onderdelen uit beide examens hebben gemaakt.Bij standardsetting is de vergelijking gebaseerd op een door een groep experts uitgevoerde beoordeling van de moeilijkheidsgraad van de afzonderlijke items uit de beide examens. Dat kan door middel van pretest, posttest, standard setting of een andere methode van equivalering. Als uit de gegevens blijkt dat de groep kandi
- a. Nieuw examenprogramma, met een pilot in het centraal examen Als de oude en nieuwe stof voor het centraal examen elkaar deels overlappen wordt op grond van de resultaten van de kandidaten op de vragen over de overlappende stof een oordeel over de vaardigheid van de kandidaten bepaald. Als er geen overlap is, wordt de moeilijkheidsgraad cq vaardigheid bepaald via standard setting.
- b. Uit pretest/posttest blijkt dat de vaardigheid van de kandidaten in de loop van een aantal jaren zo veranderd is dat handhaven van de eisen niet mogelijk of reëel is. Als dit zich voordoet, benadert CvTE de Minister met een analyse waarin wordt onderzocht of, en op welke wijze, de eisen aan de veranderde vaardigheid van de kandidaten kunnen worden aangepast, of dat wellicht maatregelen kunnen worden genomen (bijvoorbeeld in het onderwijs) waardoor de vaardigheid van de kandidaten weer in lijn is met de eisen.
- c. Door aanpassing in de structuur van het onderwijs is de positie van een vak of meerdere vakken dusdanig gewijzigd dat het niet reëel of niet mogelijk is om de eisen te handhaven. CvTE neemt een besluit dat ter goedkeuring aan de Minister wordt voorgelegd.
- 1. Elk gescoord punt draagt altijd bij tot een hoger examencijfer (afronding daargelaten);
- 2. Een score van 0% correspondeert altijd met examencijfer 1,0;
- 3. Een score van 100% correspondeert altijd met examencijfer 10,0;
- 4. Over een zo breed mogelijk centraal interval van de scoreschaal is er (afronding daargelaten) sprake van een evenredige stijging van score- en cijferpunten die onafhankelijk is van de normering.
- – de hoofdrelatie: de formule die, voor de overgrote meerderheid van de kandidaten, het berekeningsvoorschrift geeft voor het omzetten van score naar cijfer;
- – vier grensrelaties: vier formules die (bij andere N-termen dan 1,0) voorkomen dat kandidaten met zeer lage of zeer hoge scores een cijfer zouden krijgen dat in strijd is met bovengenoemde vier uitgangspunten.