Bijlage 2A Regeling beoordelingsnormen staatsexamen NT2 2015: bij de Regeling beoordelingsnormen staatsexamen NT2 2015 van 9 februari 2015, nummer CvTE-15.00623
Regeling beoordelingsnormen staatsexamen NT2 2015
Het examen Spreken Programma I bestaat uit 2 delen. Beide delen worden in een computerlokaal afgenomen. De opdrachten worden via de computer met een koptelefoon beluisterd en de antwoorden worden via een microfoon ingesproken en op de computer vastgelegd. De opdrachten staan op het beeldscherm. De opgaven bevatten een beschrijving van een situatie en een spreektaak. Meestal is ook een tekening van de situatie toegevoegd. De gegeven situaties en de taken passen qua inhoud (werk, opleiding en algemeen maatschappelijke situaties) en qua moeilijkheidsgraad bij de beoogde doelsituatie van programma I. Zie ook het examenprogramma. Deel 1 bestaat uit 12 korte spreekopdrachten. De spreektijd bij die opdrachten is steeds 20 seconden. Deel 2 bestaat uit 9 middellange spreekopdrachten. De spreektijd bij die opdrachten is steeds 30 seconden. De uitingen en gesproken teksten van de kandidaten worden op meerdere aspecten beoordeeld: woord- en zinsvorming, uitspraak, tempo, inhoud, woordkeus en woordenschat. Niet alle opgaven worden op alle aspecten beoordeeld. Voor sommige aspecten is er een tweepuntschaal, voor andere aspecten kan een beoordelaar meer punten toekennen. Beoordelaars beoordelen de antwoorden van kandidaten per opgave. Doordat een kandidaat per opdracht (gesegmenteerd) beoordeeld wordt, zijn er meerdere beoordelaars bij het beoordelen van een heel examen van een kandidaat betrokken. Bij wijze van illustratie is hieronder een voorbeeld van het te behalen aantal punten bij een examen weergegeven. – Het aantal te behalen punten bij de inhoudsaspecten: 57 Verdeling over de beoordelingsaspecten: Inhoud: 39 Woordkeus: 6 Woordenschat: 12 – Het aantal te behalen punten bij de vormaspecten: 46 Verdeling over de beoordelingsaspecten: Woord- en zinsvorming: 33 Uitspraak: 9 Tempo: 4 In dit voorbeeld is dus de maximumscore: 103 (exclusief precondities) Totaal aantal opdrachten: 21 Voordat de uiting van een kandidaat daadwerkelijk op de beoordelingsaspecten wordt beoordeeld, wor
- – Wanneer een kandidaat één of meer plaatjes anders interpreteert dan in de beoordelingsvoorschriften bedoeld wordt, maar de opdracht toch goed uitwerkt (een instructie geven, een beschrijving geven etc.), moet het spreekproduct analoog aan de bestaande voorschriften beoordeeld worden.
- – Bij opdrachten waarbij kandidaten (een mening met) argumenten moeten geven, moet de beoordelaar er alert op zijn dat niet de inhoud van de argumentatie op geldigheid beoordeeld wordt. Iets wat een lezer belachelijk vindt, kan voor de spreker een prima reden zijn. Als de uiting duidelijk is, kan iemand drie punten bij 'Inhoud' krijgen.
- □ Verstaanbare Nederlandse reactie in relatie tot de context
- □ Niet passend in context, niet verstaanbaar, geen Nederlands
- □ Kandidaat zegt niets
- □ Niet te beoordelen: reden in logboek vermelden
- – Het kan voorkomen dat een kandidaat een reactie geeft die we niet expliciet in de voorschriften opgenomen hebben. Wanneer deze reactie adequaat is in de gegeven situatie, dan kan een kandidaat toch het maximale aantal punten krijgen bij ‘Inhoud’, afhankelijk van de duidelijkheid van de uiting.
- – Als er echt alleen maar voorgelezen wordt, geldt dat bij ‘Inhoud’ maximaal één punt toegekend mag worden. De kandidaten zijn gewaarschuwd tegen het uitsluitend voorlezen (zie de ‘Aanwijzingen’ die bij het begin van het examen worden vertoond op het scherm).
- – Bij sommige opdrachten moet de beoordelaar ook letten op het volgende: wanneer een kandidaat de gevraagde taalhandeling niet realiseert, kan bij ‘Inhoud’ maximaal één punt toegekend worden. Wanneer de gevraagde taalhandeling bijvoorbeeld het geven van een instructie is, en een kandidaat geeft een beschrijving, dan kan dus maximaal één punt worden toegekend. Aan de beoordelaar wordt in de beoordelingsvoorschriften die bij de opgaven horen, duidelijk gemaakt wanneer hij hiermee rekening moet houden.
- – Benutten van de spreektijd: Het is niet de bedoeling dat de beoordelaar, ongeacht de inhoud van een antwoord van een kandidaat, alleen kijkt of de kandidaat de spreektijd volledig heeft benut. Het benutten van de spreektijd wordt pas belangrijk als een kandidaat geen tijd meer heeft om bijvoorbeeld drie gegeven plaatjes te beschrijven, doordat hij één of twee van de drie plaatjes uitvoerig beschrijft. Je mag dan redelijkerwijs aannemen dat deze kandidaat bij iets meer tijd wel alle plaatjes had kunnen beschrijven. Als de uiting van de kandidaat duidelijk is en hij de spreektijd volledig heeft benut, dan kan hij toch het maximaal aantal punten behalen bij Inhoud, ook al heeft hij niet alle plaatjes beschreven.
- 0: Er wordt gerefereerd aan de situatie, maar de uiting is verder volstrekt onduidelijk.
- 1:
- – De gevraagde taalhandeling wordt niet gerealiseerd, men probeert niet om de vriend te overtuigen, maar men geeft hem bijv. een instructie.
- – Er wordt ten minste één argument gegeven. De uiting bevat veel onduidelijkheden.
- 2:
- – Er wordt één argument gegeven. De uiting bevat hooguit enkele onduidelijkheden. De spreektijd wordt onvoldoende benut.
- – Er worden ten minste twee argumenten gegeven. De uiting bevat enkele onduidelijkheden.
- 3:
- – Er wordt één argument gegeven. De uiting is duidelijk. De spreektijd wordt volledig benut.
- – Er worden ten minste twee argumenten gegeven. De uiting is duidelijk.
- – hij één argument geeft, èn
- – het argument qua inhoud slechts enkele onduidelijkheden bevat, èn
- – hij gezien de spreektijd nog een tweede argument had kunnen geven (de kandidaat is dus enige tijd voordat de pieptoon kwam, gestopt met spreken).
- – hij één argument geeft, èn
- – het argument qua inhoud duidelijk is, èn
- – hij geen tijd meer heeft om zijn antwoord af te ronden (de kandidaat hoort dus de pieptoon terwijl hij nog aan het spreken is).
- – Als een kandidaat bij een plaatje waarop een pot verf te zien is bijvoorbeeld zegt: 'een pot met dat spul', dan krijgt hij nul punten bij dit aspect. Hij heeft wel laten zien een zodanige woordenschat te hebben dat hij kan omschrijven wat hij bedoelt, maar de woordkeus is in dit geval beperkt. Een ander voorbeeld: een kandidaat zegt, wanneer hij een kleiner uniform wil: 'Mag ik één nummer kleiner?', in plaats van het correcte 'Mag ik één maat kleiner?'. Ook hier geldt: de woordenschat is groot genoeg om de bedoeling duidelijk te maken, maar er is sprake van een verkeerde woordkeus.
- – Bij de middellange opdrachten wordt een onderscheid gemaakt tussen kleine fouten (categorie-1-fouten) en andere dan kleine fouten (categorie-2-fouten). Onder kleine fouten (categorie-1-fouten) verstaan we lidwoordfouten en fouten die daaruit voortvloeien. Fouten in verkleinwoorden en meervoudsvormen vallen ook onder kleine fouten. Met andere dan kleine fouten (categorie-2-fouten) worden fouten bedoeld zoals verkeerde werkwoordsvervoegingen, fouten in de woordvolgorde of het weglaten van 'het' als persoonlijk voornaamwoord (bijvoorbeeld: 'Ik heb een mooi boek gekocht maar was heel duur').
- – Bij de middellange opdrachten wordt bij de beoordeling een onderscheid gemaakt tussen langere en kortere uitingen en wel tussen uitingen die uit minimaal drie zinnen bestaan (>2) en uitingen die uit maximaal twee zinnen bestaan (≤2). Dit is gedaan om kandidaten die langer spreken en dus ook meer fouten kunnen maken, niet te straffen voor het feit dat ze een langere reactie geven dan een ander.
- – Wanneer een kandidaat alleen maar voorleest, geldt dat bij ‘Woord- en zinsvorming’ maximaal één punt toegekend mag worden.