Bijlage 1 Regeling vaststelling model en toetsingskader kwalificatiedossiers 2015–2016: het model kwalificatiedossiers inclusief bijbehorende instructie
Regeling vaststelling model en toetsingskader kwalificatiedossiers 2015–2016
Voor kwalificatiedossiers vanaf schooljaar 2015–2016 Geldig vanaf 1 januari 2015 Op dit moment is een wijziging van de WEB in voorbereiding waarmee de positie van keuzedelen in de kwalificatiestructuur wordt geregeld. Dat betekent dat op dit moment nog geen keuzedelen kunnen worden vastgesteld. Wel ontwikkelen de kenniscentra keuzedelen die de instellingen in het zogeheten vrijwillige jaar kunnen aanbieden in de vrije ruimte. In deze instructies worden daarom al criteria opgenomen waarin wordt verwezen naar het keuzedeel. Op die manier wordt gewaarborgd dat door de kenniscentra voorgestelde keuzedelen na toetsing hun plaats kunnen krijgen in de kwalificatiestructuur. Vanzelfsprekend treden voorschriften over keuzedelen pas in werking na aanvaarding van het genoemde wetsvoorstel door de Eerste en Tweede Kamer der Staten-Generaal. De formele ingangsdatum van de herziene kwalificatiestructuur is 01-08-2016, maar wel afhankelijk van aanvaarding van het wetsvoorstel door de Tweede en de Eerste Kamer. Onderwijsinstellingen kunnen op vrijwillige basis al met ingang van 01-08-2015 onderwijs aanbieden dat is gebaseerd op de nieuwe kwalificatiedossiers die door de minister van OCW of de staatssecretaris van EZ per 01-02-2015 voor het schooljaar 2015–2016 zijn vastgesteld. Overigens blijven de huidige vastgestelde kwalificatiedossiers voor het schooljaar 2015–2016 eveneens van kracht. De door de minister respectievelijk de staatssecretaris vast te stellen nieuwe kwalificatiedossiers voor 2015–2016 zijn gebaseerd op het nieuwe model, inclusief onderhavige instructie en het daarop aangepaste toetsingskader. Dit model, inclusief deze instructie en het toetsingskader zijn ook door de minister van OCW, in overeenstemming met de staatssecretaris van EZ vastgesteld. In een eerder stadium is aangegeven dat zowel model, instructie en toetsingskader als de daarop gebaseerde nieuwe kwalificatiedossiers voor het schooljaar 2016–2017 niet of nauwelijks zullen afwijken van de documenten die
- • De naam van het kwalificatiedossier verwijst naar de beroepengroep. Hij is herkenbaar voor de sector en de beroepsopleidingen en bevat geen verwijzing naar een niveau. Bijvoorbeeld: Timmeren, Brood en banket, Creatief Vakmanschap.
- • De naam van het profiel/de kwalificatie verwijst naar de beroepsbeoefenaar. Bijvoorbeeld: Allround Timmerman, Patissier, Glazenier.
- a) Specialistenopleidingen voor beroepsbeoefenaren die zich willen verdiepen in het vak.
- b) Specialistenopleidingen voor aankomende leidinggevenden en ondernemers in het mbo, die met een eenjarige kopopleiding bovenop hun (allround) vakdiploma vervolgens management- of ondernemersvaardigheden willen ontwikkelen.
- • typerende beroepshouding in gedrag bij werkprocessen
- • resultaat in het resultaat bij werkprocessen
- • De kerntaken in de basis behoren tot het wezen van de beroepengroep. Formuleer kerntaken en werkprocessen in de basis daarom op grond van verwantschap tussen beroepscompetentieprofielen.
- • Een kerntaak bestaat uit een serie handelingen met een begin, een einde en een resultaat.
- • Een kerntaak is een serie handelingen die apart waarneembaar is in de beroepspraktijk.
- • Aan de kerntaak zijn de essentiële vakkennis en vaardigheden voor de beroepengroep (basisdeel) c.q. het beroep (profiel) gekoppeld.
- • Vermijd zo veel mogelijk overlap tussen kerntaken.
- • Maak waar beschikbaar gebruik van referentiedocumenten en stem met andere kenniscentra af over een eenduidige beschrijving van sectoroverstijgende kerntaken.
- • Beschrijf een kerntaak op het niveau van de beginnende beroepsbeoefenaar.
- • Complexiteit
- • Verantwoordelijkheid en zelfstandigheid
- • Vakkennis
- • Vaardigheden
- • Werkproces
- • Resultaat
- • Gedrag
- • De aard van de werkzaamheden: wisselend of gestructureerd, lokaal of ook internationaal.
- • De mate van standaardisering van werkzaamheden en de diversiteit ervan.
- • De aard van de kennis en vaardigheden: Gaat het om basale of specialistische kennis? Hoe breed is het domein van de kennis c.q. de vaardigheden waarover de beroepsbeoefenaar dient te beschikken?
- • Overige complicerende factoren, zoals mate van afbreukrisico en kenmerkende beroepsdilemma’s.
- • Beschrijf vakkennis en vaardigheden actief in een volledige zin met werkwoord, onderwerp en context.
- • Doe dat met behulp van de beschrijvingswijze van het NLQF. Hierin wordt onderscheid gemaakt tussen de diepgang en de inhoud van de kennis of vaardigheid:
- • Geef aan wat het niveau van de gevraagde vakkennis en vaardigheden is door middel van de NLQF descriptoren. Het NLQF-schema is daarbij richtinggevend. De regel is dat gemiddeld genomen het niveau alle onderdelen in het dossier overeen moet komen met het NLQF niveau van de kwalificatie. Dat kan betekenen dus ook dat voor sommige vakkennis- en vaardigheidsonderdelen afgeweken kan worden van het gemiddelde niveau en dus op een hoger of lager niveau gevraagd kan worden. Het kan dus voorkomen dat het niveau van vakkennis en vaardigheden in een hoger schaal thuishoort dan de gehele kwalificatie omdat deze op het punt van verantwoordelijkheid & zelfstandigheid en/of complexiteit op een lager niveau uitkomt.
- • Beschrijf vakkennis en vaardigheden op het goede abstractieniveau:
- ○ niet te abstract geformuleerd: niet in algemene termen en niet zonder context;
- ○ maar ook niet te gespecificeerde vakkennis en vaardigheden. (Een dergelijke specificatie maakt deel uit van het curriculum van een opleiding.)
- ○ geen opsomming van afzonderlijke elementen, maar beschrijf categorieën, groepen van vakkenniselementen en vaardigheden;
- ○ neem als richtlijn dat de vakkennis en vaardigheden niet binnen 6 jaar verouderd en achterhaald zijn;
- ○ neem geen vaardigheden (en vakkennis) op die al in het werkproces genoemd zijn.
- • Formuleer vakkennis en vaardigheden zodanig concreet dat ze voldoende houvast bieden voor gebruikers voor de inhoudelijke inrichting van het onderwijs, de examens en de beroepspraktijkvorming:
- ○ formuleer contextrijk zodat duidelijk wordt in de uitwerking wat de samenhang is met de werkprocessen in de kerntaak en dat zichtbaar wordt hoe de kennis toegepast wordt in het beroep.
- ○ formuleer vakkennis en vaardigheden zodanig dat op basis van alleen de vakkennis en vaardigheden de gebruiker al een beeld krijgen van de aard van het beroep c.q. vakgebied.
- • Bewaak het onderscheid tussen vakkennis en vaardigheden:
- ○ bij vakkennis gaat het om reproductie van of inzicht in theorieën, principes, concepten;
- ○ bij vaardigheid gaat het om het kunnen toepassen daarvan in een bepaalde beroepscontext.
- • Bewaak het onderscheid én de samenhang tussen handelingen in de werkprocessen en vakkennis en vaardigheden:
- ○ vakkennis en vaardigheden zijn voorwaardelijk voor het succesvol kunnen uitvoeren van de werkprocessen in de kerntaak. Daarom mag er geen overlap zijn tussen werkproces (‘de beroepsbeoefenaar stelt een wapeningsconstructie af’) en de vakkennis en vaardigheden (‘de beroepsbeoefenaar kan een wapeningsconstructie afstellen’).
- ○ in de uitwerking van vakkennis en vaardigheden moet duidelijk zijn wat de relatie is met de werkprocessen van de kerntaak. Dus niet bij het dossier Ondernemer Horeca/bakkerij ‘heeft basiskennis van wet- en regelgeving’, maar wel ‘heeft basiskennis van wet- en regelgeving voor horeca- en bakkerijbedrijven op het gebied van veiligheid en ondernemersrecht’.
- • Maak waar beschikbaar gebruik van referentiedocumenten voor vakkennis en vaardigheden. Deze zijn te vinden op Platform SBB, bij de helpdesk kwalificatiestructuur van de Toetsingskamer in de map ‘Kennis delen’ van de Documentenbibliotheek: https://platform.s-bb.nl/.
- • beschrijft handelingen die passen bij de gekozen titel;
- • vormt een afgebakend geheel, d.w.z. de handelingen in een werkproces gaan over één thema/onderwerp en overlappen niet met handelingen in een ander werkproces;
- • bestaat uit meerdere samenhangende handelingen (nooit één handeling);
- • is niet te algemeen geformuleerd waardoor de kleuring en de herkenbaarheid van de branche ontbreekt (de uitzondering hierop wordt gevormd door werkprocessen die een branche- of sectoroverstijgend karakter hebben zoals dat bijvoorbeeld geldt voor werkprocessen op thema’s als management en ondernemerschap);
- • is op het goede abstractieniveau geformuleerd en bevat geen ‘genest’ werkproces, dat wil zeggen: een werkproces mag geen ander werkproces omvatten;
- • is beschreven in actieve schrijftaal en is kort en bondig beschreven;
- • beschrijft wat een beginnend beroepsbeoefenaar doet en is uitvoerbaar in het onderwijs en in het bedrijf;
- • kent een begin en een eind, heeft een waarneembaar resultaat.
- • zijn onderscheidend uitgewerkt;
- • zijn zo concreet mogelijk geformuleerd: een omschrijving van een concrete uitkomst of opbrengst en de eigenschappen waaraan die uitkomst moet voldoen;
- • zijn consistent beschreven met het niveau van de kwalificatie (beginnend beroepsbeoefenaar/NLQF-descriptoren/complexiteit);
- • zijn het resultaat van dat werkproces (van zowel het ‘wat’: de handelingen als het ‘hoe’: de wijze van uitvoering van de handelingen);
- • zijn op het goede abstractieniveau beschreven;
- • zijn te verbinden aan de werkprocessen en bevatten geen elementen die niet voorkomen in dan wel niet logisch voortvloeien uit het werkproces.
- • In een beschrijving van een werkproces behoren geen gedragselementen en/of resultaten. Onderscheid die drie goed in de uitwerking van het werkproces.
- • Neem in de vakkennis en vaardigheden geen handelingen op die al in het werkproces benoemd worden.
- • Herhaal bij de typering van het beroep in het profiel niet wat al bij de typering van de beroepengroep beschreven staat, maar verbijzonder in het profiel voor het specifieke beroep.
- • Het werkproces beschrijft wat de (startende) beroepsbeoefenaar doet (handelingen).
- • Het werkproces moet resulteren in een ‘resultaat’.
- • Dat resultaat wordt bereikt door de inzet van essentiële competenties (gedrag) en het hanteren en toepassen van vakkennis en vaardigheden.
- • De kerntaken in het profiel kunnen niet dezelfde titel hebben als de kerntaken in de basis. Daar waar er een nauwe samenhang is tussen de kerntaak in basis en profiel kan die samenhang aangegeven worden in de titel waarbij wel geldt dat de titel dekkend moet zijn voor de lading.
- • Stel het profiel zodanig op zodat overlap binnen en tussen kwalificatiedossiers wordt geminimaliseerd.
- • Stel het profiel dusdanig op zodat het een actuele en relevante beschrijving van beroepshandelingen (van een beginnend beroepsbeoefenaar) beschrijft. Houd daarbij ook rekening met te verwachten ontwikkelingen op de arbeidsmarkt.
- • Bij clustering is de gemeenschappelijkheid leidend. Deze gemeenschappelijkheid kan voorkomen bij kwalificaties van één niveau, maar ook bij kwalificaties met een verschillend niveau. Cluster kwalificaties waar een grote inhoudelijke verwantschap is zodat een gemeenschappelijke basis geformuleerd kan worden. Blijf bij clustering alert op het behoud van de leesbaarheid van het dossier.
- • Specialisten (de eenjarige kopopleiding op niveau 4) worden opgenomen in een apart dossier. Deze kunnen niet geclusterd worden met andere kwalificaties, tenzij dit ook specialistenopleidingen zijn.
- 1. Wettelijke beroepsvereisten waar een beginnend beroepsbeoefenaar aan moet voldoen op basis van andere wetgeving en Europese richtlijnen.
- 2. Overige eisen die voortvloeien uit een wet, verdrag of bindend besluit, zoals in de WEB gedefinieerd. Hierbij valt te denken aan door een extern (gecertificeerd) instituut te examineren elementen en/of extern te behalen bewijzen (bijv. rijbewijs, Marcom), eisen aan opleidings- of stageduur (bijv. verpleegkundige en nautische opleidingen).
- 3. Eisen aan de persoon of werkplek, zoals leeftijd, verklaring omtrent gedrag of Arbo-eisen.
- • Selecteer het verantwoordelijke vakdepartement.
- • Geef concreet aan wat de wettelijke (beroeps)vereisten inhouden, samen met de specifieke wet en het wetsartikel waaruit de vereiste voortvloeit, danwel het verdrag of het bindend besluit. Verwijs naar een link waarin de meest recente versie van de wettelijke beroepsvereisten wordt weergegeven. Zo is voor de makers van opleidingen duidelijk waar ze de inhoud van de betreffende vereisten kunnen vinden en deze in de opleiding kunnen verwerken.
- • Formuleer de eisen in een actieve vorm: ‘De beginnend beroepsbeoefenaar...’
- • Er is sprake van noodzakelijke beroepsspecifieke inkleuring wanneer bij een kerntaak een taal- en/of rekenvaardigheid wezenlijk is voor de beroepsuitoefening. Denk hier bijvoorbeeld aan het voeren van adviesgesprekken (gesprekken is generiek, adviesgesprekken zijn beroepsspecifiek).
- • Beschrijf de taal- rekenvaardigheid bij ‘vakkennis en vaardigheden’ (met gebruikmaking NLQF) op kerntaakniveau.
- • Optioneel is onder ‘gedrag’ een verduidelijking mogelijk van hoe taal en/of rekenen wordt ingezet in dat werkproces en bij complexiteit wanneer de inzet van talige of rekenkundige vaardigheden een essentiële complicerende factor is bij een kerntaak.
- • Gebruik dezelfde instructies als voor de overige vakkennis en vaardigheden. Dus:
- – Actief formuleren in een volledige zin.
- – Specifiek en contextgericht uitwerken zodat de relatie met de werkprocessen waarop de taal-en of rekenvaardigheid betrekking heeft duidelijk is in de beschrijving.
- 1. Bepaal of voor het beroep c.q. de beroepengroep waarvoor het dossier is geschreven een mvt van wezenlijk belang is. Beantwoord daarbij ook de vraag of dit een specifieke mvt is of dat de school hierin (bijvoorbeeld afhankelijk van de regio) zelf een keus kan maken.
- 2. Vraag je af of de mvt zodanig van belang is voor de uitoefening van het beroep dat dit voorwaardelijk is voor diplomering. Maak de afweging om alleen dan mvt op te nemen als blijkt dat de beheersing van mvt nodig is voor de goede uitoefening van het beroep.
- • Staat er een aanwijzing in het BCP waardoor het aannemelijk is dat er een of meerdere mvt(‘s) in het dossier komen?
- • Wat is het achterliggende doel hiervan en over welke eisen hebben we het dan?
- • Gaat het om alle (mondelinge en schriftelijke) taalvaardigheden of om een deel daarvan?
- • Is rekening gehouden met het mbo-niveau waarop de opleiding wordt gevolgd? Enerzijds moet naar de mate van beheersing worden gekeken (foutloos schrijven voor niveau 2 is wel erg ambitieus), anderzijds naar het domein (schrijven hoeft mogelijk op een minder hoog niveau te worden beheerst dan gesprekkenvoeren).
- 1. Wanneer mvt betrekking heeft op de wezen van de beroepengroep neem het dan op in de typering van de beroepengroep. Beschrijf in de context wat de reden is dat er mvt eisen gelden voor dit beroep. Als de eisen niet voor alle profielen gelden, neem je dit op in de typering van het betreffende profiel.
- 2. Bepaal of de mvt relevant is voor de betreffende kerntaak.
- • Ga na of er communicatieve-elementen staan beschreven binnen de kerntaak.
- • Ga na of deze ook relevant zijn in een of meerdere mvt(‘s).
- • Bepaal per mvt de relevantie.
- • Het uitvoeren van beroepsgerichte handelingen in een mvt is een complicerende factor. Neem daarom een verwijzing naar de noodzaak van mvt op bij complexiteit.
- 3. Bepaal welke aspecten van de werkprocessen in de mvt uitgevoerd moeten kunnen worden.
- • Ga na of er communicatieve-elementen staan beschreven binnen de werkprocessen.
- • Als in de omschrijving van de werkprocessen geen taalaanwijzingen staan, ga je er vanuit dat deze alleen in het Nederlands uitgevoerd hoeven te worden.
- • Ga na of de werkprocessen of elementen ervan ook in een mvt uitgevoerd moet kunnen worden.
- • Zorg dat voor elke mvt uit de omschrijving blijkt in welke mate de mvt ten behoeve van de betreffende werkprocessen moet worden beheerst.
- 4. Maak bij de uitwerking van de mvt-eisen gebruik van de descriptoren van de relevante ERK-niveaus. (zie referentieniveaus moderne vreemde talen). Geef alleen in uitzonderlijke situaties ook het niveau aan, wanneer het een essentiële beroepsvereiste is dat beheersing van het gehele referentieniveau voor het beroep vereist is.
- 5. Neem in de verantwoording een indicatieve verwijzing naar een ERK niveau op (zie instructie Verantwoordingsinformatie, paragraaf 6.5).
- • deelnemers een verrijking bovenop de kwalificatie te geven, te weten: een bredere of meer verdiepende toerusting voor de arbeidsmarkt te leveren, of een betere voorbereiding voor vervolgonderwijs en
- • sneller en beter in te spelen op actuele ontwikkelingen en innovaties in het beroepenveld op de arbeidsmarkt en op de aansluiting op vervolgonderwijs, in het bijzonder in de eigen regio
- • een keuzedeel mag geen elementen bevatten die beroepskwalificerend zijn voor de betreffende beginnend beroepsbeoefenaar. Daaronder vallen bijvoorbeeld de wettelijke beroepsvereisten die voorwaardelijk zijn voor beroepsbeoefening van de beginnend beroepsbeoefenaar. Wat wel kan is onderdelen van het bcp die gelden voor de vakvolwassen beroepsbeoefenaar, uitwerken in een keuzedeel.
- • Een keuzedeel mag evenmin leiden tot versmalling van een kwalificatie. Het is niet wenselijk om voorheen kwalificerende elementen uit de kwalificatie te verplaatsen naar het keuzedeel wanneer er daardoor een versmald profiel ontstaat en de civiele waarde van het diploma onder druk komt te staan.
- • Het keuzedeel is gebaseerd op een bestaande kwalificatie of kerndeel uit een kwalificatie (binnen de eigen sector óf uit een andere sector);
- • Het keuzedeel is niet afgeleid van bestaande onderdelen in de bestaande kwalificatiestructuur, maar van (bijvoorbeeld) nieuwe ontwikkelingen op de (regionale) arbeidsmarkt of wensen vanuit het hbo.
- • Een keuzedeel kan ook bestaan uit een kerntaak met alleen vakkennis en vaardigheden of een kerntaak met één werkproces.
- • Keuzedelen kennen geen profielen. Wel kan met behulp van aanvullende eisen binnen het keuzedeel onderscheid gemaakt worden naar niveau. Bijvoorbeeld: één keuzedeel uitgewerkt met aanvullende eisen bij vakkennis en vaardigheden en complexiteit voor respectievelijk niveau 2 en voor niveau 3. Wanneer dit keuzedeel extra werkprocessen heeft voor niveau 3 moet dit opgesplitst worden in twee keuzedelen.
- • Het soort van keuzedeel: gericht op arbeidsmarkt of doorstroming, meer generiek of meer specifiek.
- • Context: zijn er keuzedelen die verwant zijn met het keuzedeel en hoe verhouden die zich tot elkaar. Bijvoorbeeld: is er bij keuzedelen die een basis en een gevorderde variant hebben sprake van een concentrische of een gestapelde opbouw?
- • Leerweg: het kan zijn dat een keuzedeel vooral ontwikkeld is voor danwel uitvoerbaar in een specifieke leerweg; bol of bbl.
- • Doelmatigheid: gelden er overige specifieke condities voor de uitvoering van het keuzedeel. Bijvoorbeeld condities met betrekking tot de benodigde inventaris en specifieke leermiddelen?
- • Externe (informatie)bronnen: het kan zijn dat er partijen bezig zijn met uitwerking van keuzedelen of er websites ontwikkeld zijn waar meer informatie te vinden is over het keuzedeel.
- • Hou het beknopt!
- • Zorg dat de tekst duurzaam beschreven is zodat hij niet voortdurend aangepast hoeft te worden wanneer er weer een nieuwe koppeling of enige aanvullende informatie is.
- • Koppeling van de keuzedelen Engels A2 en B1 wordt niet toegestaan voor de niveau 4 kwalificaties. De generieke eisen Engels overlappen grotendeels met het keuzedeel Engels B1 (en dus ook met Engels A2).
- • Koppeling van de keuzedelen A2 en B1 wordt altijd toegestaan bij de overige kwalificaties indien die geen beroepsgerichte eisen Engels bevatten.
- • Koppeling van keuzedelen Duits, Frans en Spaans A2 en B1 wordt toegestaan bij alle kwalificaties en niveaus indien die geen beroepsgerichte eisen voor de betreffende taal bevatten.
- • Wanneer een kwalificatie wel indicatieve eisen bevat voor een beroepsgerichte moderne vreemde taal dan hanteren we de volgende regels:
- ○ Indien de beroepsgerichte eisen MVT betrekking hebben op 1 van deze vaardigheden dan wordt de koppeling toegestaan.
- ○ Indien de beroepsgerichte eisen betrekking hebben op 4 of 5 van de vaardigheden corresponderend met het niveau van het keuzedeel dan wordt de koppeling niet toegestaan.
- ○ Indien de beroepsgerichte eisen betrekking hebben op 2 of 3 van de vaardigheden dan vragen te onderbouwen wat de toegevoegde waarde is.
- • Bij dit onderdeel kan, indien nodig, een toelichting op branche specifieke aspecten worden gegeven. Bijvoorbeeld over de verhouding bol/bbl het aandeel van particuliere opleidingen, een toelichting voor opleidingen met een klein aantal deelnemers/gediplomeerden in een beperkt aantal regio’s, het aantal zzp’ers in een branche, vervangingsvraag, etc.
- • De informatie wordt zo nodig éénmaal per jaar vernieuwd.
- • Wettelijke vereisten komen bij of krachtens een wet, verdrag of bindend besluit van een volkenrechtelijke organisatie tot stand;
- • het betreft kwaliteiten op het gebied van kennis, inzicht, vaardigheden of beroepshoudingen of betreffen de examinering;
- • vastgesteld is dat een beginnend beroepsbeoefenaar erover moet beschikken.
- • De onderwijsinstelling moet ervoor zorgen dat deelnemers ‘ten minste in de gelegenheid zijn aan de vereisten te voldoen’ en moet zorgen dat ‘bij examinering [..] aan die vereisten wordt voldaan’.
- • organisatie onderdeel kenniscentrum
- • functionarissen vanuit bedrijfsleven/onderwijs/instellingen
- • samenstelling en wijze van inzet van gebruikerspanels (docenten/praktijkopleiders)
- • overzicht activiteiten die zijn ingezet in samenwerking met de BTG voor het creëren van materieel draagvlak
- • Omschrijving
- • Beroepsinhoud en voorkomende functiebenaming(en)
- • Arbeidsmarktrelevantie
- • Overzicht kerntaken en werkprocessen uit de basis
- • Overzicht kerntaken en werkprocessen uit de profielen