Bijlage IV Loonheffingen, inkomstenbelasting, pensioenen; beschikbare-premieregelingen en premie- en kapitaalovereenkomsten en nettopensioenregelingen: aanwijzing als bedoeld in onderdeel 6.1
Voorwaarden en bijzonderheden bij de aanwijzing: De voorwaarden a tot en met d zijn uitgewerkt in de navolgende staffels: Leeftijdsklassen tot 67 jaar Percentage van de pensioengrondslag (opbouw gericht op 1,875% per dienstjaar bij middelloonstelsel) OP OP en uitgesteld opgebouwd PP OP en direct ingaand opgebouwd PP OP en direct ingaand bereikbaar PP 15 tot en met 19 5,9 7,2 8,1 8,4 20 tot en met 24 6,6 8,0 9,0 9,5 25 tot en met 29 7,6 9,3 10,4 11,0 30 tot en met 34 8,8 10,8 11,9 12,5 35 tot en met 39 10,3 12,5 13,8 14,4 40 tot en met 44 11,9 14,6 15,9 16,6 45 tot en met 49 13,9 17,0 18,4 19,1 50 tot en met 54 16,2 19,8 21,2 22,1 55 tot en met 59 19,1 23,3 24,6 25,4 60 tot en met 64 22,6 27,7 28,5 29,1 65 tot en met 67 25,6 31,5 31,8 31,9 Leeftijdsklassen tot 67 jaar Percentage van de pensioengrondslag (opbouw gericht op 1,701% per dienstjaar bij middelloonstelsel) OP OP en uitgesteld opgebouwd PP OP en direct ingaand opgebouwd PP OP en direct ingaand bereikbaar PP 15 tot en met 19 5,4 6,6 7,4 7,6 20 tot en met 24 6,0 7,3 8,2 8,6 25 tot en met 29 6,9 8,4 9,4 10,0 30 tot en met 34 8,0 9,8 10,8 11,3 35 tot en met 39 9,3 11,4 12,5 13,0 40 tot en met 44 10,8 13,2 14,4 15,0 45 tot en met 49 12,6 15,4 16,7 17,3 50 tot en met 54 14,7 18,0 19,3 20,0 55 tot en met 59 17,3 21,2 22,3 23,1 60 tot en met 64 20,5 25,2 25,9 26,4 65 tot en met 66 23,2 28,6 28,9 28,9 Leeftijdsklassen tot 67 jaar Percentage van de pensioengrondslag (opbouw gericht op 1,788% per dienstjaar bij middelloonstelsel) OP OP en uitgesteld opgebouwd PP OP en direct ingaand opgebouwd PP OP en direct ingaand bereikbaar PP 15 tot en met 19 5,6 6,9 7,7 8,0 20 tot en met 24 6,3 7,6 8,6 9,0 25 tot en met 29 7,3 8,9 9,9 10,5 30 tot en met 34 8,4 10,3 11,4 11,9 35 tot en met 39 9,8 12,0 13,2 13,7 40 tot en met 44 11,4 13,9 15,2 15,8 45 tot en met 49 13,3 16,2 17,5 18,2 50 tot en met 54 15,5 18,9 20,2 21,0 55 tot en met 59 18,2 22,3 23,4 24,2 60 tot en met 64 21,5 26,4 27,2 27,8 65 tot en met 66 24,4 30,1 30,3 30,4 De
- a. De regeling behelst een premieovereenkomst in de zin van artikel 10 van de PW gericht op een fiscaal maximaal middelloonpensioen.
- b. De beschikbare premie wordt actuarieel vastgesteld per leeftijdsklasse van ten hoogste vijf jaren en wordt afgestemd op de gemiddelde leeftijd in de klasse.
- c. De regeling is maximaal gericht op een middelloonpensioen binnen de kaders van hoofdstuk IIB van de Wet LB.
- d. De beschikbare premie wordt berekend met een rekenrente van minimaal 3% en de te verwachten inflatie wordt op nihil gesteld.
- e. In de pensioenregeling is bepaald dat het pensioen inclusief de toegekende indexatie zowel per jaar als in totaal niet uitgaat boven een middelloonpensioen binnen de kaders van hoofdstuk IIB van de Wet LB. Desgewenst kan de toets aan de fiscale maxima ook worden uitgevoerd op basis van het actuele loon. Indien de toets plaats vindt op basis van het actuele loon in plaats van het gemiddelde loon, moet het opbouwpercentage worden gecorrigeerd voor de carrièreontwikkeling. Voor de toets op basis van het actuele loon kan daarom een opbouwpercentage worden gehanteerd van ten hoogste 1,657% in combinatie met een AOW-franchise die ten minste gelijk is aan de AOW-uitkering voor een gehuwde vermenigvuldigd met de factor 100/66,28. Voorwaarde daarbij is dat het actuele loon voldoet aan de voorwaarden van artikel 10b UBLB 1965. De franchise voor 2014 en voorgaande jaren moet ten minste gelijk zijn aan de AOW-uitkering voor een gehuwde vermenigvuldigd met de factor 100/70. Voor de toets aan de fiscale maxima kan naar keuze ook worden uitgegaan van de verlaagde AOW-inbouw en opbouwpercentages van artikel 10aa van het UBLB 1965. Voor het jaar 2014 mag een opbouwpercentage worden gehanteerd van 1,9% op basis van het pensioengevend loon en de franchise per 31 december 2014. Voor de jaren voorafgaande aan 2014 kan een opbouwpercentage worden gehanteerd van 2% op basis van het pensioengevend loon en de franchise per 31 december 2013. Ten overvloede merk ik op dat voor de toets, voor elk tijdvak het in dat tijdvak geldende fiscale pensioenregime kan worden gehanteerd. De voorgeschreven toetsing of het pensioen binnen de fiscale kaders van hoofdstuk IIB van de Wet LB blijft, wil niet zeggen dat de verzekeraar ieder jaar daadwerkelijk moet toetsen wat de waarde van de verzekering is en hoe deze zich verhoudt tot de fiscale kaders. Als de toezegging op juiste wijze is vormgegeven, kan de toets op bewaking van de fiscale kaders tot de hierna te noemen momenten beperkt blijven. De toezegging zal daarvoor twee begrenzingen moeten hebben, waarbij de deelnemer recht heeft op de laagste van de twee. Deze twee begrenzingen zijn: Op het toetsmoment moet de opgebouwde waarde worden vergeleken met de maximale ruimte van de fiscaal zuivere middelloontoezegging, waarbij tevens mag worden getoetst op basis van het actuele loon onder de voorwaarde dat het opbouwpercentage wordt gecorrigeerd voor de carrièreontwikkeling en dat wordt uitgegaan van een bij het gecorrigeerde opbouwpercentage passende franchise. De kostprijs van de toezegging zoals die steeds administratief is bewaakt, moet worden getoetst op basis van de tarieven van de uitvoerende verzekeraar. Bij een waardeoverdracht is dat de (aanstaande) overdragende verzekeraar. Een eventueel overschot vervalt aan de verzekeraar.
- 1. ten hoogste een pensioentoezegging passend binnen de kaders van hoofdstuk IIB van de Wet LB;
- 2. of indien dit lager is, de pensioenuitkering die men kan aankopen uit de waarde van de beleggingen. Indien aan bovenstaande voorwaarden is voldaan kan de toetsing beperkt blijven tot de volgende momenten:
- – bij elke waardeoverdracht, behoudens voor zover wordt overgedragen naar een premieovereenkomst die kwalificeert onder bijlage IV of V van dit besluit;
- – bij onderlinge ruil van pensioen;
- – bij overlijden van een pensioengerechtigde;
- – bij echtscheiding of beëindiging van partnerschap van een pensioengerechtigde;
- – bij emigratie van een pensioengerechtigde;
- – bij een relevante wijziging van de fiscale regelgeving;
- – op elke feitelijke ingangsdatum van elk soort pensioen.
- f. Restuitkeringen, in welke vorm dan ook, zijn niet mogelijk. Als na het vaststellen van het fiscaal maximale, geïndexeerde pensioen nog kapitaal overblijft, vervalt dit aan de verzekeraar. Uitkeringen als bedoeld in artikel 18a, negende lid, van de Wet LB zijn dus niet toegestaan.