Bijlage 2 Beleidsregels indicatiestelling Wlz 2015
Beleidsregels indicatiestelling Wlz 2015
Deze bijlage kan worden aangehaald als ‘bijlage Grondslagen’. Op deze bijlage is de bijlage ‘Algemeen’ van toepassing. Eén van de vereisten om in aanmerking te komen voor de Wlz is de aanwezigheid van een somatische of psychogeriatrische aandoening of beperking of een verstandelijke, lichamelijke of zintuiglijke handicap (artikel 3.2.1, eerste lid, Wlz 2015). Het CIZ stelt vast welke grondslag een verzekerde heeft en maakt daarbij gebruik van informatie over diagnostiek en over stoornissen en beperkingen, die wordt verstrekt door een ter zake deskundige. Informatie over stoornissen en beperkingen kan ook door eigen onderzoek van het CIZ worden verkregen. Er is sprake van Somatisch Onvoldoende verklaarde Lichamelijke Klachten (SOLK)10De omschrijvingen sluiten aan bij de NHG-standaard voor Somatisch Onvoldoende verklaarde Lichamelijke Klachten (SOLK) van mei 2013. als er bij adequaat medisch onderzoek geen aandoening is gevonden die de lichamelijke klachten voldoende verklaart en de aard van deze lichamelijke klachten zodanig is dat verzekerde blijvend is aangewezen op permanent toezicht of op 7x24 uur/dag zorg in de nabijheid. Bij sommige patiënten wordt wel een somatische aandoening gevonden, maar zijn de klachten ernstiger of langduriger ofwel beperken zij het functioneren sterker dan op grond van de aandoening te verwachten is of ontbreekt geobjectiveerde informatie over een achterliggende ziekte of aandoening. Ook in deze situatie is er sprake van Somatisch Onvoldoende verklaarde Lichamelijke Klachten (SOLK). Beperkingen ten gevolge van een SOLK moeten, net als in andere situaties, altijd worden geobjectiveerd. Het oordeel van een arts is bij een SOLK noodzakelijk. Het hiertoe noodzakelijke onderzoek behoort plaats gevonden te hebben in het reguliere medische circuit (2e compartiment) voordat er sprake kan zijn van Wlz-zorg. Bij een verzekerde met een SOLK wordt altijd de medisch adviseur van het CIZ geraadpleegd. Indien de medisch adviseur van het CIZ, na overle
- 1) Bij een IQ lager dan 70 is sprake van een grondslag verstandelijke handicap als een verzekerde een normscore van 70 of lager behaalt op een algemene en voor hem valide intelligentietest. Er moeten gelijktijdig dusdanige beperkingen in het adaptief vermogen zijn vastgesteld dat verzekerde is aangewezen op blijvende ondersteuning om de tekorten in het adaptief vermogen te compenseren. Dit houdt in dat moet zijn voldaan aan de volgende criteria:
- ° een significante beperking in het intellectuele functioneren (een IQ van twee of meer standaarddeviaties beneden het populatiegemiddelde);
- ° gelijktijdig optredend met een significante beperking in het adaptief vermogen (conceptuele, sociale en praktische vaardigheden; twee of meer standaarddeviaties beneden het populatiegemiddelde), en
- ° bovengenoemde beperkingen zijn ontstaan vóór het 18e levensjaar.
- 2) Bij een IQ tussen 70 en 85, is sprake van een grondslag verstandelijke handicap als is voldaan aan de volgende criteria:
- ° Een IQ-score tussen de 70 en 85 op een algemene en voor hem valide intelligentietest, en
- ° door professioneel onderzoek is aangetoond dat er significante beperkingen in het adaptief vermogen zijn die gepaard gaan met ernstige en chronische beperkingen in de sociale redzaamheid en/of ernstige chronische gedragsproblemen, en
- ° bovengenoemde beperkingen zijn ontstaan vóór het 18e levensjaar.
- • een gezichtsscherpte van < 0.3 aan het beste oog, en/of
- • een gezichtsveld < 30 graden, en/of
- • een gezichtsscherpte tussen 0.3 en 0.5 aan het beste oog met daaraan gerelateerde ernstige beperkingen in het dagelijks functioneren.
- • het drempelverlies bij het audiogram ten minste 35 dB bedraagt, verkregen door het gehoorverlies bij frequenties van 1000, 2000 en 4000 Hz te middelen,
- • of als het drempelverlies groter is dan 25 dB bij meting volgens de Fletcher index, het gemiddelde verlies bij frequenties van 500, 1000 en 2000 Hz
- • Spraakproductie (spreekt woorden en/of zinnen niet goed uit).
- • Spraakperceptie (er is aangetoond dat de verwerking van geluid/spraak door de hersenen niet goed verloopt).
- • Morfo-syntactische kennis (receptief en productie bijvoorbeeld moeite met begrijpen wat anderen zeggen).
- • Lexicaal-semantische kennis (receptief en productie bijvoorbeeld moeite taal te gebruiken om zich aan anderen duidelijk te maken).
- • de communicatieproblemen zodanig ernstig zijn dat verzekerde afhankelijk is van een-op-een begeleiding in de communicatie en daarbij een blijvende multidisciplinaire aanpak voor zijn communicatieproblemen nodig heeft, en
- • er een in de persoon gelegen oorzaak is aan te wijzen, en
- • de spraak-, taalstoornisAls de genoemde stoornis/beperking zijn oorsprong vindt in omgevingsfactoren dan is er geen sprake van een grondslag voor de Wlz. Voorbeelden van omgevingsfactoren zijn opvoedingsproblemen of het spreken van een andere taal. op zich zelf staat, dat wil zeggen dat andere problematiek (psychiatrisch, fysiologisch, neurologische, cognitieve) ondergeschikt is aan de taalontwikkelingsstoornis.