Art. 3.3.2.1 Blz, De berekening van de eigen bijdragen
1. De eigen bijdrage bedraagt per maand een twaalfde gedeelte van het bijdrageplichtig inkomen, berekend volgens artikel 3.3.2.3, voor:
a. de ongehuwde verzekerde die in een instelling verblijft,
b. de gehuwde verzekerden tezamen die beiden in een instelling verblijven,
c. de gehuwde verzekerde die in een instelling verblijft en wiens echtgenoot verblijft in een instelling voor beschermd wonen of een persoonsgebonden budget voor beschermd wonen is verleend.
2. De bijdrage, bedoeld in het eerste lid, bedraagt niet meer dan € 3.061,80 per maand.
3. In het geval, bedoeld in het eerste lid, onderdeel c, zijn de verzekerde en zijn echtgenoot tezamen slechts eenmaal de eigen bijdrage, berekend overeenkomstig het eerste en tweede lid, verschuldigd.
Uitspraken die dit artikel aanhalen
- CRvB 24 januari 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:228
- CRvB 17 april 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:1336
- Rb. Zeeland-West-Brabant 21 februari 2025, ECLI:NL:RBZWB:2025:1053
- Rb. Noord-Nederland 31 januari 2024, ECLI:NL:RBNNE:2024:302
- Rb. Noord-Nederland 25 juni 2024, ECLI:NL:RBNNE:2024:2422
- Rb. Limburg 4 april 2023, ECLI:NL:RBLIM:2023:2344
- Rb. Den Haag 4 januari 2024, ECLI:NL:RBDHA:2024:95
- Rb. Den Haag 27 maart 2024, ECLI:NL:RBDHA:2024:5350
- Rb. Den Haag 17 februari 2023, ECLI:NL:RBDHA:2023:2644
- CRvB 1 december 2023, ECLI:NL:CRVB:2023:2340