Bijlage 4.6.2 Regeling nationale EZ-, LVVN- en KGG-subsidies: behorende bij artikel 4.6.2 van de Regeling nationale EZK- en LNV-subsidies
Regeling nationale EZ-, LVVN- en KGG-subsidies
Het doel van de subsidiemodule Versnelde klimaatinvesteringen in de industrie is het ondersteunen van het op korte termijn versnellen van investeringen in materiële en immateriële activa door ondernemingen uit de industrie die bijdragen aan het kosteneffectief reduceren van de CO2-emissies in de industrie in Nederland in 2030. Projecten moeten leiden tot een absolute afname van de CO2-emissies in Nederland ten opzichte van de huidige CO2-emissies van de industrie. De CO2-reductie wordt berekend aan de hand van de referentieparkmethode. Voor elektriciteit houdt dit in dat in een vermindering of vermeerdering van het elektriciteitsverbruik wordt voorzien door het centrale elektriciteitsproductiepark dat gebruik maakt van fossiele energiebronnen. Als er meer of minder elektriciteit wordt gebruikt, kan dat alleen direct worden opgevangen door meer of minder elektriciteit te produceren uit fossiele bronnen. Dit productiepark wordt gezien als het referentiepark. Voor de berekening wordt een CO2-emissiefactor voor elektriciteit van 0,14 kg CO2/kWh gehanteerd.2Dit is de verwachte CO2-emissiefactor van het referentiepark in 2030. Kamerstuk 32 813, nr. 1112, en zie https://www.pbl.nl/sites/default/files/downloads/pbl-2022-klimaat-en-energieverkenning-4838.pdf, pag. 236. Dit thema betreft projecten voor energie-efficiëntiemaatregelen die ervoor zorgen dat de onderneming die subsidie aanvraagt, minder energie gaat verbruiken binnen het productieproces van zijn onderneming dan voorafgaand aan de beoogde investering. Dit thema betreft dus geen energie-efficiëntiemaatregelen voor gebouwen. De projecten binnen dit thema betreffen daarnaast niet de installatie van energie-uitrusting op fossiele brandstoffen, met inbegrip van aardgas. Bij maatregelen in een bestaand productieproces moet het project leiden tot een lager energieverbruik van het bedrijf. Bij uitbreiding van de productiecapaciteit moet het energieverbruik lager zijn dan bij een vergelijkbaar gangbaar productieproces in d
- 1. de verbetering van de hulpbronnenefficiëntie door middel van een of beide van de volgende manieren:
- a. een netto reductie van verbruikte hulpbronnen in vergelijking met een reeds bestaand productieproces met dezelfde capaciteit;
- b. de vervanging van primaire grondstoffen door secundaire (hergebruikte of teruggewonnen, inclusief gerecyclede) grondstoffen;
- 2. de preventie en beperking van afvalproductie, de voorbereiding voor hergebruik, decontaminatie en recycling van afval;
- 3. het inzamelen, sorteren, decontamineren, voorbehandelen en behandelen van andere door de begunstigde of door derden geproduceerde producten, materialen of stoffen die anders niet of op een minder hulpbronnenefficiënte manier zouden worden gebruikt;
- 4. de gescheiden inzameling en sortering van afval met het oog op de voorbereiding ervan voor hergebruik of recycling.
- • de productie van waterstof of de productie van elektriciteit uit hernieuwbare waterstof;
- • de productie van hernieuwbare energie of energie uit hoogrenderende warmtekrachtkoppeling;
- • tankinfrastructuur voor waterstof.
- • de productie van waterstof of de productie van elektriciteit uit hernieuwbare waterstof;
- • de productie van hernieuwbare energie of energie uit hoogrenderende warmtekrachtkoppeling;
- • Carbon Capture and Storage (CCS) en Carbon Capture and Utilisation (CCU);
- • de aanschaf of ombouw van mobiel bouwmaterieel (bouwwerktuigen, hulpfuncties, bouwvoertuigen en zeegaande bouwvaartuigen). Deze vallen onder de reikwijdte van de Subsidieregeling schoon en emissieloos bouwmaterieel;
- • investeringen in uitrusting, machines en industriële productiefaciliteiten die gebruikmaken van fossiele brandstoffen, inclusief aardgas.
- • Mijlpaal 1: investeringsbesluit
- • Mijlpaal 2: financieringsbesluit
- • Mijlpaal 3: opdrachtverstrekking
- • Mijlpaal 4: vergunning verstrekking