Bijlage 4.2.9 Regeling nationale EZ-, LVVN- en KGG-subsidies: behorende bij artikel 4.2.64 van de Regeling nationale EZ-, LVVN- en KGG-subsidies (Demonstratie energie- en klimaatinnovatie (DEI+))
Regeling nationale EZ-, LVVN- en KGG-subsidies
Naam Chemische formule Global Warming Potential (CO2-eq) Koolstofdioxide CO2 1 Methaan CH4 28 Distikstofmonoxide N2O 265 Het algemene doel van de subsidiemodule Demonstratie energie- en klimaatinnovatie (DEI+) is het ondersteunen van pilotprojecten, demonstratieprojecten en test- en experimenteerinfrastructuurprojecten die binnen tien jaar na de start van het project direct of indirect bijdragen aan het kosteneffectief reduceren van de CO2-emissies in Nederland. Onder deze doelstelling valt ook: Het doel van de DEI+ is primair directe bijdrage door projecten aan de reductie van CO2-emissies. Indirecte bijdrage daaraan is een secundaire doelstelling, maar die is gereserveerd voor specifieke projecten, namelijk: DEI+-pilotprojecten die vallen binnen de thema’s 2.2, 2.3, 2.7 en 2,9 en demonstratieprojecten van randvoorwaardelijke innovaties in thema 2.7. Voor projecten met een directe bijdrage aan de reductie van CO2-emissies moet de reductie aangetoond worden aan de hand van de referentieparkmethode. Bij het toepassen van de referentieparkmethode wordt aangenomen dat een vermindering of vermeerdering van het elektriciteitsverbruik wordt voorzien door het centrale elektriciteitsproductiepark dat ook gebruik maakt van fossiele energiebronnen. Dit productiepark wordt gezien als het referentiepark. De CO2-emissiefactor voor elektriciteit die gehanteerd moet worden, is 0,14 kg CO2/kWh. Voor projecten gericht op het reduceren van de CO2-emissies op mondiaal niveau, die passen binnen subthema 2.5.1, moet de reductie worden aangetoond aan de hand van een berekening van de mondiale voetafdruk van de grondstoffen, materialen en producten die geproduceerd worden binnen het project, afgezet tegen het gangbare minder milieuvriendelijke alternatief naar de huidige stand van de techniek. DEI+-projecten dienen naast het algemene doel bij te dragen aan ten minste een van de volgende programma's: Onder de reikwijdte van de doelstelling valt niet: Dit thema betreft DEI+-pilots en DEI+-d
- • CO2-emissiereductie die gerealiseerd wordt in het openbaar lichaam Bonaire, Sint Eustatius of Saba;
- • het vermijden van toekomstige CO2-emissie als gevolg van een investering in nieuw te realiseren fabrieken met activiteiten die nieuw zijn in Nederland of de openbare lichamen. Het gaat om een reductie ten opzichte van de CO2-emissie die het gevolg zou zijn van een minder duurzame referentie-investering die gedaan zou worden zonder subsidie. Daarbij dient de opgevoerde referentie-investering te voldoen aan de minimale milieustandaarden die in Nederland gelden;
- • het realiseren van negatieve CO2-emissie via negatieve emissietechnieken. Het gaat daarbij om het afvangen van atmosferische of biogene CO2 die daarna wordt vastgelegd;
- • het kosteneffectief reduceren van de mondiale CO2-emissies in delving en productie van grondstoffen, mineralen en producten binnen tien jaar na de start van een project dat in Nederland wordt uitgevoerd en past binnen subthema 2.5.1.
- • missie A (hernieuwbare elektriciteit), B (gebouwde omgeving) of C (industrie) volgend uit het Klimaatakkoord14Missie A ‘Een volledig CO2-vrij elektriciteitssysteem in 2050’ met de MMIP’s 1 en 2; Missie B ‘Een CO2-vrije gebouwde omgeving in 2050’ met de MMIP’s 3, 4 en 5; Missie C ‘Een klimaatneutrale industrie met hergebruik van grondstoffen en producten in 2050’ met de MMIP’s 6, 7 en 8, en het missiedoorsnijdende MMIP 13 (zie https://topsectorenergie.nl/nl/maak-kennis-met-tse/missies/).;
- • missie Circulaire Economie15kia-ce.nl/wp-content/uploads/2023/12/KIA-CE-2024-2027.pdf.;
- • het Nationaal Groeifondsprogramma ‘Groenvermogen van de Nederlandse economie’16https://groenvermogennl.org.;
- • de Routekaart Groen Gas17Kamerstukken II 2019/20, 32 813, nr. 487.;
- • het programma Versnelling Verduurzaming Gebouwde Omgeving18Beleidsprogramma versnelling verduurzaming gebouwde omgeving | Rapport | rijksoverheid.nl. Dit is een verbreding van missie B en richt zich onder andere ook op circulariteit, klimaatadaptief, natuurinclusief en stikstofarm (ver)bouwen..
- • CO2-reductie in de sector ‘mobiliteit’ van het Klimaatakkoord met uitzondering van thema 2.4 Flexibilisering van het energiesysteem en de productie van duurzame transportbrandstoffen;
- • CO2-reductie in de sector ‘landbouw en landgebruik’ van het Klimaatakkoord met uitzondering van de productie van biogas, projecten in de voedingsmiddelenindustrie en projecten gericht op veenvervanging binnen subthema 2.5.1 Circulaire economie algemeen en thema 2.6 CC(U)S – Carbon Capture, Utilisation and Storage;
- • DEI+-demonstratieprojecten die de vervaardiging van milieuvriendelijke producten, machines of vervoermiddelen betreffen zonder dat er CO2-reductie optreedt in het productieproces of grondstoffen worden bespaard.
- • pilots en demonstratieprojecten gericht op investeringen in apparatuur, machines, installaties en industriële productiefaciliteiten die gebruikmaken van fossiele brandstoffen, inclusief aardgas;
- • pilots en demonstratieprojecten die de energie-efficiëntie van bestaande uitrusting, machines en industriële productiefaciliteiten op fossiele brandstoffen verbeteren, die leiden tot een uitbreiding van de productiecapaciteit of tot een hoger verbruik van fossiele brandstoffen.
- • de (landschappelijke) inpassing van (grootschalig) opgewekte hernieuwbare energie, waarbij op een vernieuwende wijze rekening gehouden wordt met esthetische aspecten en cultuurhistorische landschapselementen;
- • ecologische inpassing van productie-installaties voor hernieuwbare energie, rekening houdend met milieuaspecten als ecologie, biodiversiteit, geluid, waterkwaliteit en bodemkwaliteit;
- • meervoudig gebruik van ruimte, waarbij een aantoonbare meerwaarde behaald kan worden door de combinatie van functies in de ruimte of door het optimaal gebruik van de beschikbare ruimte.
- • pilots die energieopslag betreffen (deze vallen onder thema 2.3);
- • pilots en demonstratieprojecten gericht op de verduurzaming van de gebouwde omgeving (deze vallen onder thema 2.7), met uitzondering van projecten die expliciet de realisatie en exploitatie van de hernieuwbare bron betreffen;
- • pilots en demonstratieprojecten gericht op hernieuwbare waterstof, elektriciteit uit hernieuwbare waterstof en de productie van duurzame synthetische brandstoffen die geproduceerd worden met hernieuwbare waterstof en CO2 (deze vallen onder thema 2.9);
- • pilots en demonstratieprojecten gericht op energie uit hoogrenderende warmtekrachtkoppeling;
- • demonstratieprojecten gericht op vergassing van biomassa (deze vallen onder thema 2.10);
- • pilots en demonstratieprojecten op het gebied van productie van niet-industriële warmte en elektriciteit uit biomassa.
- 1. stimulering van energieopslag en conversie van hernieuwbaar opgewekte energie: dit betreft projecten die inzetten op energieopslag of conversie naar andere energiedragers en producten. Daarnaast kan het gaan om ‘off-grid’ projecten waarbij op grote schaal energie direct wordt geconverteerd naar een moleculaire energiedrager, indien het energiesysteem daarmee wordt ontlast;
- 2. stimulering van flexibele vraag (demand side response): flexibiliteit in de energievraag houdt in dat gebruikers de behoefte aan energie binnen bepaalde grenzen kunnen aanpassen in de hoeveelheid of het tijdstip van het gebruik, oftewel vraagsturing. De aanpassing als gevolg daarvan in het aan deze gebruikers te leveren vermogen kan zowel proactief worden gebruikt om verwachte onbalans of congestie te voorkomen. Dit kan reactief of real-time om opgetreden onbalans of congestie te verminderen of op te lossen;
- 3. flexibiliteit van het energiesysteem: door het energiesysteem te innoveren op basis van slimme combinaties van het bestaande energiesysteem met energieopslag, conversie tussen energievormen en -dragers (elektriciteit, warmte, hernieuwbare gassen) of flexibele vraag is de flexibiliteit van het gehele energiesysteem in potentie te vergroten. De uitnutting van de bestaande energie-infrastructuur kan hiermee dan ook worden geoptimaliseerd.
- • pilots primair gericht op de productie of opslag van of conversie naar waterstof (deze vallen onder thema 2.9);
- • pilots gericht op de stimulering van CO2-vrij regelbaar vermogen voor de opwekking van elektriciteit.
- • specifieke infrastructuur afvalwarmte/restwarmte (artikel 36): specifieke infrastructuur voor transmissie of distributie van thermische energie in de vorm van stoom of warm water, gebaseerd op het gebruik van afvalwarmte van industriële toepassingen. Hieronder vallen geen opslagvoorzieningen. Specifieke infrastructuur is infrastructuur die is aangelegd voor één vooraf geïdentificeerde gebruiker of voor een kleine groep vooraf geïdentificeerde gebruikers en op hun behoeften is toegesneden;
- • niet-specifieke infrastructuur afvalwarmte/restwarmte (artikel 46): infrastructuur voor transmissie, distributie en opslag ten behoeve van energie-efficiënte stadsverwarming en/of -koeling. Het gaat om een systeem dat ten minste 50% afvalwarmte gebruikt.
- 1. de verbetering van de hulpbronnenefficiëntie op één of beide van de volgende manieren:
- a. een netto reductie van verbruikte hulpbronnen in vergelijking met een reeds bestaand productieproces, waarbij de hoeveelheid geproduceerde output gelijk blijft. De hulpbronnen betreffen de verbruikte grondstoffen, niet het energieverbruik;
- b. de vervanging van primaire grondstoffen door secundaire (hergebruikte of teruggewonnen of gerecyclede) grondstoffen, bijvoorbeeld de vervanging van fossiele polymeren door recyclaat;
- 2. de preventie en beperking van afvalproductie, de voorbereiding voor hergebruik, decontaminatie en recycling en hergebruik van afval;
- 3. het inzamelen, sorteren, decontamineren, voorbehandelen en behandelen van andere door de begunstigde of door derden geproduceerde producten, materialen of stoffen die anders niet of op een minder hulpbronnenefficiënte manier zouden worden gebruikt. De hulpbronnen betreffen de verbruikte grondstoffen, niet het energieverbruik;
- 4. de gescheiden inzameling en sortering van afval met het oog op de voorbereiding ervan voor hergebruik of recycling.
- • DEI+-pilots op het gebied van biobased grondstoffen;
- • DEI+-demonstratieprojecten op het gebied van biobased grondstoffen, voor zover deze betrekking hebben op recycling en hergebruik van biomassa-afval of biomassarestromen en passen onder punt 2 of 3 in de opsomming hierboven.
- • pilots en demonstratieprojecten gericht op de vervanging van primaire brandstoffen door secundaire (hergebruikte, teruggewonnen of gerecyclede) brandstoffen;
- • pilots en demonstratieprojecten die het hergebruik van CO2 betreffen (CO2-toepassing; thema 2.6);
- • demonstratieprojecten gericht op de vergassing van biomassa-afval (thema 2.10);
- • pilots en demonstratieprojecten die passen onder subthema 2.5.2 Biobased Circular en subthema 2.5.3 Biobased Circular grote projecten.
- 1. het testen, verbeteren of opschalen van industriële productieprocessen voor biogebaseerde chemische bouwstenen (zoals polyolen, dicarbonzuren of hydroxycarbonzuren) of polyesters;
- 2. het testen, verbeteren of opschalen van industriële productieprocessen voor bioafbreekbare of recyclebare producten en halffabricaten waarin biogebaseerde polyesters zijn toegepast;
- 3. het testen, verbeteren of opschalen van (delen van) nieuwe industriële verwerkingsroutes van koolhydraatrijke biogrondstoffen en industriële reststromen. Een verwerkingsroute omvat de productie van de grondstof en de verwerkingsstappen van de grondstof of reststroom tot een suiker, bouwsteen of biogebaseerde polyester. In het geval van suiker dient deze weer als grondstof voor de productie van een bouwsteen of polyester. Deze projecten kunnen gebruik maken van de volgende biogrondstoffen:
- a. biogrondstoffen uit eerste generatie bestaande gewassen (ook wel primaire gewassen genoemd), zoals suikerbiet, mais, en granen, sorghum en hennep. Bij gebruik van eerste generatie gewassen zijn alleen pilotprojecten mogelijk;
- b. tweede generatie biogrondstoffen uit:
- 1°. reststromen uit de landbouw, landschapsbeheer en bosbeheer;
- 2°. bijproducten uit de verwerking van landbouwproducten, of voedingsindustrie, diervoeder papier- en karton of andere industrie (agri-food processing); of
- 3°. heterogene reststromen in de vorm van organisch afval, zoals GFE/GFT, waterzuiveringsslib en mest;
- 4. het ontwikkelen, verbeteren of opschalen van industriële recyclingprocessen voor producten en materialen gemaakt van biogebaseerde polyesters. Onder recycling vallen mechanische, chemische en organische recycling.
- • demonstratieprojecten op het gebied van biobased grondstoffen die geen biomassa-afval of biomassareststromen gebruiken en dus geen recycling betreffen.
- 1. het testen, verbeteren of het opschalen van industriële productieprocessen voor biogebaseerde chemische bouwstenen (zoals polyolen, dicarbonzuren of hydroxycarbonzuren) of polyesters;
- 2. het testen, verbeteren of het opschalen van industriële productieprocessen voor bioafbreekbare of recyclebare producten en halffabricaten waarin biogebaseerde polyesters zijn toegepast;
- 3. het testen, verbeteren of het opschalen van (delen van) nieuwe industriële verwerkingsroutes van koolhydraatrijke biogrondstoffen en industriële reststromen. Een verwerkingsroute omvat de productie van de grondstof en de verwerkingsstappen van de grondstof of reststroom tot een suiker, bouwsteen of biogebaseerde polyester. In het geval van suiker dient deze weer als grondstof voor de productie van een bouwsteen of polyester. Deze projecten kunnen gebruik maken van de volgende biogrondstoffen:
- a. biogrondstoffen uit eerste generatie bestaande gewassen (ook wel primaire gewassen genoemd), zoals suikerbiet, mais, en granen, sorghum en hennep. Bij gebruik van eerste generatie zijn alleen pilotprojecten mogelijk;
- b. tweede generatie biogrondstoffen uit:
- 1°. reststromen uit de landbouw, landschapsbeheer en bosbeheer;
- 2°. bijproducten uit de verwerking van landbouwproducten, of voedingsindustrie, diervoeder papier- en karton of andere industrie (agri-food processing); of
- 3°. heterogene reststromen in de vorm van organisch afval, zoals GFE/GFT, waterzuiveringsslib en mest;
- 4. het testen, verbeteren of het opschalen van industriële recyclingprocessen voor producten en materialen gemaakt van biogebaseerde polyesters. Onder recycling vallen mechanische, chemische en organische recycling.
- • demonstratieprojecten op het gebied van biobased grondstoffen die geen biomassa-afval of biomassareststromen gebruiken en dus geen recycling betreffen.
- 1. CO2-afvang (artikel 25 en 36 algemene groepsvrijstellingsverordening): het isoleren van CO2 uit een gas of vloeistof met een variërende samenstelling. Het afvangen van CO2 is het startpunt van de koolstofketen, waarna transport, opslag of het gebruik van CO2 als grondstof volgt. CO2-afvang kan gaan over fossiele of biogene puntbronafvang, maar kan ook betrekking hebben op afvang uit de omgevingslucht;
- 2. CO2-transport (artikel 25 en 36 algemene groepsvrijstellingsverordening): gasvormig of vloeibaar transport van CO2 inclusief bufferopslag. Voor demonstratieprojecten betreft het enkel specifieke infrastructuur. Specifieke infrastructuur is infrastructuur die is aangelegd voor één vooraf geïdentificeerde gebruiker of voor een kleine groep vooraf geïdentificeerde gebruikers en op hun behoeften is toegesneden;
- 3. CO2-opslag (artikel 25 algemene groepsvrijstellingsverordening): het permanent vastleggen van CO2. Dit gaat om het permanent vastleggen van CO2 in de diepe ondergrond op zee, bijvoorbeeld in uitgeproduceerde gasvelden;
- 4. CO2-toepassing (artikel 25, 36 en 47 algemene groepsvrijstellingsverordening): het inzetten van koolstof of CO2 als grondstof voor materialen door middel van bijvoorbeeld mineralisatie.
- • pilots en demonstratieprojecten gericht op de afvang van CO2 bij elektriciteitsproductie-installaties, met uitzondering van afvalverbrandingsinstallaties en biomassacentrales;
- • demonstratieprojecten gericht op het afvangen van CO2 uit water;
- • pilots en demonstratieprojecten die passen onder het thema 2.9 Waterstof en groene chemie.
- • de transitie naar CO2-arme woningen, woongebouwen, utiliteitsgebouwen of wijken tegen zo laag mogelijke kosten voor de eindgebruiker en zo laag mogelijke maatschappelijke kosten;
- • het handhaven en waar mogelijk verbeteren van de technische, fysische, functionele en esthetische kwaliteiten in de woning, het woongebouw, het utiliteitsgebouw of de wijk;
- • het verhogen van het tempo of de aantallen om bestaande woningen, woongebouwen, utiliteitsgebouwen of wijken op grote schaal en met draagvlak CO2-arm te kunnen maken.
- 1. die betrekking hebben op sociale, psychologische en organisatorische componenten, of digitalisering;
- 2. die resulteren in:
- a. lager of efficiënter energiegebruik in gebouwen;
- b. minder of duurzamer materiaalgebruik in de bouw of renovatie; en
- 3. in een omgeving die representatief is voor het functioneren van de randvoorwaardelijke innovatie onder reële omstandigheden, zoals in een gebouw, bij een specifieke doelgroep of in de energie-infrastructuur van een wijk.
- • pilots en -demonstratieprojecten die de installatie betreffen van met fossiele brandstoffen gestookte energie-uitrusting, met inbegrip van aardgas;
- • pilots en -demonstratieprojecten die zijn gericht op de inzet van waterstof in de gebouwde omgeving;
- • pilots en -demonstratieprojecten die passen onder het thema 2.5 Circulaire economie.
- • pilots en demonstratieprojecten gericht op maatregelen die van de andere thema’s expliciet zijn uitgesloten;
- • demonstratieprojecten waarvoor in andere thema’s is aangegeven dat alleen pilotprojecten zijn toegestaan;
- • pilots en demonstratieprojecten gericht op investeringen in uitrusting, machines, installaties en industriële productiefaciliteiten die van fossiele brandstoffen gebruikmaken, met inbegrip van die van aardgas gebruikmaken;
- • pilots en demonstratieprojecten die betrekking hebben op specifieke infrastructuur.
- • pilots en demonstratieprojecten gericht op de productie van waterstof uit aardgas, waarbij de geproduceerde CO2 wordt afgevangen (blauwe waterstof);
- • pilots en demonstratieprojecten gericht op de productie van waterstof uit biomassa of afval;
- • pilots en demonstratieprojecten gericht op de verduurzaming van de gebouwde omgeving;
- • pilots en demonstratieprojecten gericht op waterstoftankinfrastructuur.
- a. direct gebruik van hernieuwbare waterstof(dragers) als brandstof voor de industrie (energetisch gebruik) (artikel 25, 36 en 41 algemene groepsvrijstellingsverordening): het gaat hierbij om vernieuwende toepassingen van waterstof als brandstof in de industrie;
- b. hernieuwbare waterstof en CO2als grondstof voor de industrie (artikel 25, 36 en 41 algemene groepsvrijstellingsverordening: het gaat hierbij om vernieuwende toepassingen van groene waterstof of de combinatie van groene waterstof en CO2 als grondstof voor de productie van e-fuels of voor de verduurzaming van chemische processen in de industrie;
- c. directe toepassing van groene elektronen in elektrochemische reacties en plasmatechnologie (alleen pilotprojecten; artikel 25 algemene groepsvrijstellingsverordening: het gaat hierbij om pilotprojecten voor de elektrochemische omzetting van CO2/CO en basischemicaliën in brandstoffen en chemicaliën en de inzet van plasmatechnologie voor de productie van waterstof en basischemicaliën.
- A. met elektrolysers die elektriciteit met een directe lijn van een productie-installatie voor hernieuwbare elektriciteit afnemen;
- B. met elektrolysers die elektriciteit van het transmissie- of distributiesysteem voor elektriciteit, bedoeld in artikel 1.1 van de Energiewet, (hierna: het net) afnemen;
- C. met elektrolysers die zowel elektriciteit met een directe lijn van een productie-installatie voor hernieuwbare elektriciteit als elektriciteit van het net afnemen.
- a. het vermogen van de elektrolyser bedraagt niet meer dan het vermogen van de productie-installatie(s) voor hernieuwbare elektriciteit;
- b. de productie-installatie voor hernieuwbare elektriciteit is niet meer dan drie jaar voor de elektrolyser in gebruik genomen. Als de productie-installatie voor hernieuwbare elektriciteit niet van de subsidieontvanger zelf is, wordt de elektriciteit van deze productie-installatie voor hernieuwbare elektriciteit ingekocht via een stroomafnameovereenkomst en de hoeveelheid ingekochte elektriciteit is tenminste gelijk aan de hoeveelheid elektriciteit die de elektrolyser verbruikt.
- a. de elektriciteit wordt ingekocht via een stroomafnameovereenkomst en de hoeveelheid ingekochte elektriciteit is tenminste gelijk aan de hoeveelheid elektriciteit die de elektrolyser verbruikt. Het gaat om stroomafnameovereenkomsten met een productie-installatie voor hernieuwbare elektriciteit uit wind- of zonne-energie;
- b. temporele correlatie: de elektrolyser produceert alleen waterstof in dezelfde maand dat de productie-installatie voor hernieuwbare elektriciteit ook elektriciteit produceert. De elektrolyser verbruikt ook niet meer elektriciteit dan de productie-installatie voor hernieuwbare elektriciteit in die maand24Vanaf 1 januari 2030 moet deze correlatie op uurbasis worden aangetoond. Lidstaten kunnen ervoor kiezen om deze wijziging eerder in te laten gaan. produceert;
- c. geografische correlatie: het moet gaan om een productie-installatie voor hernieuwbare elektriciteit in Nederland.
- a. de elektriciteit verkregen via de directe lijn moet voldoen aan voorwaarde b beschreven in paragraaf A. Uitsluitend met een directe lijn aangesloten elektrolysers (artikel 25 en 41 algemene groepsvrijstellingsverordening’;
- b. de elektriciteit verkregen van het net moet voldoen aan de voorwaarden beschreven in:
- i. paragraaf B1. De elektrolyser produceert enkel hernieuwbare waterstof (artikel 25 en 41 algemene groepsvrijstellingsverordening); of
- ii. paragraaf B2. De elektrolyser produceert zowel hernieuwbare als niet-hernieuwbare waterstof of enkel niet-hernieuwbare waterstof (artikel 25 en 36 algemene groepsvrijstellingsverordening);
- c. Het vermogen van de elektrolyser bedraagt niet meer dan het vermogen van de productie-installaties voor hernieuwbare elektriciteit, waarbij de productie-installaties voor hernieuwbare elektriciteit het gecombineerde vermogen van de directe lijn aansluiting en de netaansluiting met PPA's zijn.
- a. deel uitmaakt van de elektrolyser: de opslagfaciliteit bevindt zich dus achter dezelfde aansluiting als de elektrolyser;
- b. enkel wordt geladen met elektriciteit in dezelfde maand dat er elektriciteit wordt geproduceerd door de productie-installatie voor hernieuwbare elektriciteit;
- c. met niet meer elektriciteit wordt geladen in die maand dan de productie-installatie voor hernieuwbare elektriciteit in die maand28Vanaf 1 januari 2030 moet deze correlatie op uurbasis worden aangetoond. Lidstaten kunnen ervoor kiezen om deze wijziging eerder in te laten gaan. produceert.
- • waarin syngas direct wordt ingezet voor de productie van warmte of elektriciteit;
- • die primair de productie van waterstof betreffen;
- • die primair de productie van recycled carbon fuels of de productie van biochar betreffen.