Bijlage 8 Regeling genetisch gemodificeerde organismen milieubeheer 2013: behorende bij artikel 19 van de Regeling genetisch gemodificeerde organismen milieubeheer 2013
Regeling genetisch gemodificeerde organismen milieubeheer 2013
Deze bijlage beschrijft in algemene bewoordingen de relevante elementen en de stappen die worden gevolgd bij het uitvoeren van een risicobeoordeling bedoeld in artikel 19 van deze regeling. De doelstelling van een risicobeoordeling is om per geval, dat wil zeggen per genetisch gemodificeerd organisme of per groep van soortgelijke genetisch gemodificeerde organismen, de mogelijke schadelijke effecten op de gezondheid van mens en milieu te bepalen en te beoordelen. Als mogelijke schadelijke effecten worden hierbij beschouwd de effecten die onder meer tot ziekten kunnen leiden, de effectiviteit van profylaxe of behandeling teniet kunnen doen, de vestiging en/of verspreiding in het milieu kunnen bevorderen hetgeen leidt tot schadelijke effecten op de aanwezige organismen of natuurlijke populaties, of schadelijke effecten die voortvloeien uit de overdracht van genetisch materiaal naar andere organismen. Het risico van dergelijke mogelijke schadelijke effecten worden voor elke activiteit bepaald. Op grond van de risicobeoordeling worden de activiteiten ingedeeld in een inperkingsniveau en een categorie van fysische inperking die noodzakelijk zijn om de risico’s voor de menselijke gezondheid en het milieu te beperken tot een verwaarloosbaar klein risico. De categorie van fysische inperking geeft aan welke inrichtings- en werkvoorschriften gehanteerd worden bij de uitvoering van de activiteiten met het betreffende genetisch gemodificeerde organisme of groep van soortgelijke genetisch gemodificeerde organismen. De standaard inrichtings- en werkvoorschriften staan per categorie van fysische inperking beschreven in Bijlage 9 van deze regeling. Indien de uitkomst van de risicobeoordeling dat noodzakelijk maakt, dan kunnen daar aan additionele inrichtings- en werkvoorschriften worden toegevoegd. De risicobeoordeling voor het ingeperkt gebruik van genetisch gemodificeerde organismen bestaat uit de volgende stappen. Tijdens de risicobeoordeling worden alle mogelijke eigenschappen
- ■ Vuistregel 1: Indicatieve indeling micro-organismen als gastheer Als vuistregel1 geldt voor apathogene en pathogene micro-organismen dat de klasse van het micro-organisme een eerste indicatie geeft voor het te hanteren inperkingsniveau. Een micro-organisme van klasse 1, 2, 3 dan wel 4, kan als eerste indicatie veilig op respectievelijk inperkingsniveau I, II, III dan wel IV worden gehanteerd. Indien er aanleiding is om te veronderstellen dat de gebruikte gastheer in eigenschappen afwijkt van de op bijlage 2, lijst A1 en bijlage 4 van deze regeling vermelde soort (bijvoorbeeld omdat de gastheer van deze soort is afgeleid), wordt de gastheer onderworpen aan de nadere beschouwing van de gastheer zoals hieronder aangegeven.
- ■ Uitzonderingssituatie Indien de gebruiker het niet eens is met de door de Minister aangegeven indeling in bijlage 2, lijst A1 en bijlage 4 van deze regeling, of het micro-organisme niet in de betreffende bijlage is opgenomen, inventariseert hij de eigenschappen van het betreffende micro-organisme. Hiervoor worden de elementen gebruikt van ‘de nadere beschouwing gastheer’ zoals hieronder aangegeven. Op basis van de geïnventariseerde eigenschappen en de geldende definities voor micro-organismen van klasse 1, 2, 3 en 4 wordt vervolgens de klasse van het micro-organismen bepaald. Uit de op deze wijze bepaalde klasse van het micro-organisme kan net als hierboven het indicatieve inperkingsniveau worden bepaald. Ook hier geldt dat het nummer van de klasse aangeeft op welk inperkingsniveau het organismen gehanteerd moet worden.
- a. allergene werking, toxiciteit en vectoren voor ziekteoverdracht bij de mens, dier of plant;
- b. de aard van eigen vectoren en adventieve agentia, wanneer deze het geïnserteerde genetische materiaal zouden kunnen mobiliseren, en de mobilisatiefrequentie;
- c. de aard en stabiliteit van eventuele eigenschappen die tot een biologische inperking hebben geleid;
- d. eventuele eerdere genetische modificaties;
- e. het verspreidingsgebied van de gastheer;
- f. significante fysiologische kenmerken die in het uiteindelijke genetisch gemodificeerde organisme veranderd zouden kunnen zijn en, indien van toepassing, hun stabiliteit;
- g. de natuurlijke habitat en geografische distributie;
- h. de interactie met en effecten op andere organismen in het milieu (met inbegrip van competitieve, pathogene of symbiotische eigenschappen);
- i. het vermogen om overlevingsstructuren te vormen.
- 1.2.1 de vector,
- 1.2.2 de insertie en, indien de insertiesequentie als ongekarakteriseerd wordt beschouwd of indien deze gebruikt is voor fusie-experimenten, het donororganisme, en
- 1.2.3 het resulterende genetisch gemodificeerde organisme.
- a. de aard en herkomst van de vector; indien de vector wordt toegepast voor de productie van virale partikels is de klasse van het virus van belang waarvan deze vector is afgeleid. Als de klasse van het gebruikte virus, waarvan de vector is afgeleid, hoger is dan de klasse van de gebruikte gastheer, dan wordt de indicatieve indeling bepaald door de klasse van het virus en niet door de klasse van de gastheer;
- b. het vermogen tot de overdracht van genetisch materiaal zoals het al dan niet zelfoverdraagbare karakter van de vector, de aanwezigheid op de vector van sequenties die aan de mobiliteit van de vector bijdragen, zoals actieve transposons, en het gastheerbereik van de vector;
- c. de structuur van en de hoeveelheid vector- en/of donornucleïnezuur dat in het uiteindelijke gemodificeerde micro-organisme overblijft.
- ■ Indien de inserties een van de volgende eigenschappen bezit dan wordt de insertie in ieder geval als (mogelijke) schadelijke eigenschap beschouwd:
- a. toxines en cytolysines met een LD50 voor vertebraten van 100 microgram of minder per kilogram lichaamsgewicht;
- b. overige virulentie- en pathogeniteitsfactoren;
- c. virale en cellulaire oncogenen in combinatie met een virale vector die virale sequenties bevat die betrokken zijn bij integratie of replicatie;
- d. enzymatische functies die betrokken zijn bij transpositie of integratie van transposons of provirussequenties;
- e. functies die leiden tot zelfstandige overdracht van genetisch materiaal;
- f. functies waardoor de insertie als virale vector kan functioneren;
- g. een resistentiemarker die van nature niet voorkomt in de soort waartoe de gastheer behoort, of in aanverwante soorten, indien daardoor de toepassing van medicijnen ter bestrijding van ziekteverwekkers in gevaar wordt gebracht.
- ■ Daarnaast is het van belang of de gebruikte insertie als ongekarakteriseerd wordt beschouwd. Een sequentie wordt in ieder geval als ongekarakteriseerd beschouwd indien een of meerdere van de hierna genoemde gegevens ontbreekt:
- a. de herkomst en de aard van de sequenties;
- b. de wijze waarop de insertie is geconstrueerd;
- c. de functie en de relatieve posities van:
- i. structurele genen;
- ii. regulerende sequenties;
- iii. synthetische sequenties;
- iv. van transposons en provirussen afgeleide sequenties;
- v. sequenties die van belang zijn voor de replicatie in het genetisch gemodificeerd organisme.
- ■ Indien de insertie als ongekarakteriseerd wordt beschouwd of indien de insertie(s) gebruikt is/worden voor celfusie-experimenten, worden onder meer de volgende aspecten van het donororganisme beschouwd:
- a. de identiteit van het (de) donororganisme(n);
- b. de aard van de pathogeniteit en virulentie, besmettelijkheid, toxiciteit en vectoren voor ziekteoverdracht;
- c. de aard van eigen vectoren en bijkomende agentia;
- d. de aanwezigheid van genen die resistentie verlenen tegen remmers van micro-organismen, met inbegrip van antibiotica;
- e. andere relevante fysiologische kenmerken.
- a. de locatie van het geïnserteerde genetische materiaal;
- b. de mate van expressie van het geïnserteerde genetische materiaal;
- c. de verwachte toxische of allergene effecten van het genetisch gemodificeerde organisme of de producten van zijn metabolisme;
- d. een vergelijking van het gemodificeerde micro-organisme met het recipiënte of (indien van toepassing) ouderorganisme ten aanzien van pathogeniteit;
- e. het verwachte kolonisatievermogen;
- f. de infectieuze dosis;
- g. een mogelijke wijziging in de infectieroute of de weefselspecificiteit;
- h. het vermogen om buiten de menselijke gastheer te overleven;
- i. de biologische stabiliteit;
- j. de antibioticaresistentiepatronen;
- k. bij cellijnen: de mogelijkheid of er als gevolg van de toegepaste vector of insertie complementatie kan optreden waardoor de vorming virale partikels niet uitgesloten kan worden;
- l. de beschikbaarheid van adequate therapieën en profylactische maatregelen.
- 2.1 aard van de uit te voeren activiteiten en werkmethoden;
- 2.2 kweekomstandigheden;
- 2.3 concentratie;
- 2.4 schaal.
- ■ Vuistregel 2: Koppeling van inperkingsniveau aan bijbehorende categorie van fysisch inperking Als vuistregel 2 geldt dat activiteiten met genetisch gemodificeerde organismen van een bepaald inperkingsniveau worden uitgevoerd in de bij die activiteiten behorende categorie van fysische inperking van datzelfde inperkingsniveau.
- ■ Uitzonderingssituatie Deze vuistregel geldt niet voor grootschalige activiteiten in procesinstallaties.
- a. Planten die het stadium van bloei niet bereiken in laboratoria worden gehanteerd in een plantenlaboratorium (PL-I).
- b. Planten in kweekcellen worden gehanteerd in een plantenkweekcel (PC-I).
- c. Planten in kassen worden gehanteerd in kassen (PKa-I of PKb-I).
- • a. genetisch gemodificeerde organismen, die onder laboratoriumcondities worden gehanteerd op ML-I, in een procesinstallatie worden gehanteerd op MI-II.
- • b. genetisch gemodificeerde organismen die onder laboratoriumcondities worden gehanteerd op ML-I en die tevens voldoen aan de criteria opgenomen in bijlage 6 van deze regeling, in een procesinstallatie worden gehanteerd op MI-I;
- • c. genetisch gemodificeerde organismen die onder laboratoriumcondities worden gehanteerd op ML-II, in een procesinstallatie worden gehanteerd op MI-III;
- • d. genetisch gemodificeerde organismen die onder laboratoriumcondities worden gehanteerd op ML-III, in een procesinstallatie worden gehanteerd op MI-IV.
- I. de voorlopige toewijzing van het inperkingsniveau en de categorie van fysische inperking was correct en met de bijbehorende inperkingsmaatregelen wordt schade aan de gezondheid van de mens of het milieu afdoende voorkomen of tot een minimum beperkt: het bijbehorende risico is in dit geval verwaarloosbaar klein;
- II. er zijn schadelijke effecten waarmee bij de voorlopige toewijzing van het inperkingsniveau en de categorie van fysische inperking onvoldoende rekening is gehouden en die met de voorlopige inperkingsmaatregelen niet afdoende worden ingeperkt: het bijbehorende risico is in dit geval groter dan verwaarloosbaar klein;
- III. de voorlopige toewijzing van het inperkingsniveau en de categorie van fysische inperking is hoger dan voor de activiteit nodig is, en derhalve kan bijvoorbeeld volstaan worden met een lager inperkingsniveau: het bijbehorende risico is in dit geval verwaarloosbaar klein maar kan ook met de maatregelen behorend bij een minder stringent inperkingsniveau worden bereikt.