Bijlage 1 Subsidieregeling ESF 2014–2020: specifieke bepalingen voor subsidie aanvragen in het kader van investeringsprioriteiten A tot en met C
Subsidieregeling ESF 2014–2020
Vervallen. De subsidie met betrekking tot een project in het kader van dit hoofdstuk wordt aangevraagd door het college van burgemeester en wethouders van een centrumgemeente als bedoeld in artikel 1. Het maximaal beschikbare bedrag voor het verlenen van subsidie bedraagt: In afwijking van de artikelen 17, eerste lid, en 18, eerste lid, verstrekt de subsidieontvanger voor een persoon die behoort tot de doelgroep, genoemd in artikel A4, eerste lid, onderdeel f, in plaats van een burgerservicenummer een onderwijsnummer als bedoeld in artikel 1, onderdeel g, van de Les- en cursusgeldwet, indien deze persoon niet beschikt over een burgerservicenummer. De subsidie met betrekking tot een project in het kader van dit hoofdstuk wordt aangevraagd door het UWV. Subsidieaanvragen met betrekking tot een project in het kader van dit hoofdstuk worden door de minister ontvangen in het aanvraagtijdvak van 5 december 2016, 09.00 uur, tot en met 27 januari 2017, 17.00 uur. Vervallen. In afwijking van artikel 17, eerste lid, verstrekt de subsidieontvanger, onder gebruikmaking van het daartoe door de minister elektronisch beschikbaar gestelde formulier en een door hem erkende elektronische handtekening, uiterlijk 31 december van elk kalenderjaar aan de Minister het burgerservicenummer van de deelnemers waarvan het individuele traject is beëindigd. In afwijking van artikel 14, kan de minister besluiten tot het verstrekken van een voorschot tot maximaal de op basis van de tussentijdse declaratie verschuldigde subsidie. Vervallen. De subsidie met betrekking tot een project in het kader van dit hoofdstuk wordt aangevraagd door de Minister van Justitie en Veiligheid. Subsidieaanvragen met betrekking tot een project in het kader van dit hoofdstuk worden door de minister ontvangen in: Het maximaal beschikbare bedrag voor het verlenen van subsidie bedraagt voor: Vervallen. De subsidie met betrekking tot een project in het kader van dit hoofdstuk wordt aangevraagd door: Subsidieaanvragen met be
- 1. Subsidieaanvragen met betrekking tot een project in het kader van dit hoofdstuk dat betrekking heeft op een regio-aanvraag gemeenten als bedoeld in artikel A5, eerste lid, worden door de minister ontvangen in:
- a. het aanvraagtijdvak van 1 mei 2014, 09.00 uur, tot en met 31 oktober 2014, 17.00 uur;
- b. het aanvraagtijdvak van 16 mei 2016, 09.00 uur, tot en met 31 januari 2017, 17.00 uur.
- 2. Subsidieaanvragen met betrekking tot een project in het kader van dit hoofdstuk dat betrekking heeft op een regio-aanvraag leerlingen voortgezet speciaal onderwijs en praktijkonderwijs als bedoeld in artikel A5, eerste lid, worden door de minister ontvangen in:
- a. het aanvraagtijdvak van 1 mei 2014, 09.00 uur, tot en met 31 oktober 2014, 17.00 uur;
- b. het aanvraagtijdvak van 16 mei 2016, 09.00 uur, tot en met 16 september 2016, 17.00 uur;
- c. het aanvraagtijdvak van 15 mei 2017, 09.00 uur, tot en met 15 september 2017, 17.00 uur;
- d. het aanvraagtijdvak van 1 juni 2020, 09.00 uur, tot en met 31 juli 2020, 17.00 uur.
- a. voor de aanvraagtijdvakken, bedoeld in artikel A2, eerste lid, onderdeel a, en tweede lid, onderdeel a, € 113.999.500,–.
- b. voor het aanvraagtijdvak, bedoeld in artikel A2, eerste lid, onderdeel b, € 116.000.000,–.
- c. voor het aanvraagtijdvak, bedoeld in artikel A2, tweede lid, onderdeel b, € 25.000.000,–.
- d. voor het aanvraagtijdvak, bedoeld in artikel A2, tweede lid, onderdeel c, € 25.000.000,–;
- e. voor het aanvraagtijdvak, bedoeld in artikel A2, tweede lid, onderdeel d, € 8.500.000,–.
- 1. Een project in het kader van dit hoofdstuk heeft tot doel het bevorderen van actieve inclusie, door middel van het vergroten van mogelijkheden tot arbeidsinpassing van personen die op het moment van hun start van deelneming aan een project behoren tot één of meer van de volgende doelgroepen:
- a. niet-uitkeringsontvangers;
- b. arbeidsbelemmerden, dan wel personen met een uitkering op basis van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen, Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering, Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen, Wet werk en arbeidsondersteuning jonggehandicapten, dan wel arbeidsbeperkten als bedoeld in artikel 38b van de Wet financiering sociale verzekeringen of de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten, IOAW, IOAZ en Ziektewet dan wel personen met een recht op arbeidsondersteuning op grond van de Wet werk en arbeidsondersteuning jonggehandicapten;
- c. 50-plussers met een, bijstandsuitkering op grond van de Participatiewet, een IOAW-uitkering, een IOAZ-uitkering, of een uitkering van het UWV;
- d. jongeren;
- e. personen die algemene bijstand op grond van de Participatiewet, een aanvullende IOAW-uitkering, een aanvullende IOAZ-uitkering, of een uitkering van het UWV ontvangen en in de twaalf maanden voorafgaand aan hun deelname aan een project deze uitkering(en) in totaal zes maanden of langer hebben ontvangen;
- f. leerlingen die ingeschreven staan bij een school voor voortgezet speciaal onderwijs dan wel praktijkonderwijs, alsmede leerlingen die in de periode van 24 maanden onmiddellijk voorafgaand aan de start van hun deelname aan het project, ingeschreven hebben gestaan bij een dergelijke school, en in aanvulling op het regulier onderwijs, of na het verlaten van de school ondersteuning of begeleiding nodig hebben ten behoeve van arbeidsintegratie;
- g. hier te lande woonachtige vreemdelingen die rechtmatig in Nederland verblijf houden in de zin van artikel 8, onderdelen a tot en met e en l, van de Vreemdelingenwet 2000.
- 2. Indien sprake is van een persoon die deelneemt aan twee opeenvolgende projecten en deze persoon behoort bij instroom in het eerste project aantoonbaar tot de doelgroep, dan behoort deze persoon ook het opvolgende project tot de doelgroep mits voor deze deelnemer sprake is van een individueel traject dat onafgebroken doorloopt in beide projecten.
- 3. Een project in het kader van dit hoofdstuk heeft mede tot doel de bevordering van de gelijkheid van vrouwen en mannen en de bevordering van gelijke kansen en non-discriminatie.
- 1. Een centrumgemeente kan twee soorten aanvragen indienen, te weten een regio-aanvraag gemeenten en een regio-aanvraag leerlingen voortgezet speciaal onderwijs en praktijkonderwijs waarbij in elk geval sprake is van een regio-aanvraag leerlingen voortgezet speciaal onderwijs en praktijkonderwijs.
- 2. De projectbeschrijving en de begroting van de regio-aanvraag gemeenten bevatten een beschrijving van de wijze waarop de subprojecten in maximaal vijf clusters worden onderverdeeld ten behoeve van de verantwoording en de controle hierop. Projectcoördinatie en- administratie is hierbij één cluster.
- 3. De projectbeschrijving en de begroting van de regio-aanvraag leerlingen voortgezet speciaal onderwijs en praktijkonderwijs bevatten een beschrijving van de wijze waarop de subprojecten in maximaal drie clusters worden onderverdeeld ten behoeve van de verantwoording en de controle hierop. Projectcoördinatie en- administratie is hierbij één cluster.
- 4. De volledige administratie is per cluster beschikbaar op één locatie.
- 5. Het derde lid is niet van toepassing op projecten als bedoeld in artikel A2, tweede lid, onderdeel d.
- 1. Een project, in het kader van dit hoofdstuk, komt slechts voor subsidie in aanmerking indien:
- a. het project past binnen het doel, omschreven in artikel A4;
- b. het project dat betrekking heeft op een regio-aanvraag gemeenten of een regio-aanvraag leerlingen voortgezet speciaal onderwijs en praktijkonderwijs als bedoeld in artikel A2, eerste lid, onderdeel a, en tweede lid, onderdeel a, een duur van ten hoogste 24 maanden heeft, gerekend vanaf de datum van ontvangst van de volledige subsidieaanvraag, dan wel, indien toepassing wordt gegeven aan het tweede lid, de startdatum van het project, genoemd in de beschikking tot subsidieverlening;
- c. het project dat betrekking heeft op een regio-aanvraag gemeenten als bedoeld in artikel A2, eerste lid, onderdeel b:
- 1°. een duur van ten hoogste 36 maanden heeft gerekend vanaf de datum van ontvangst van de volledige subsidieaanvraag, dan wel, indien toepassing wordt gegeven aan het tweede lid, de startdatum van het project, genoemd in de beschikking tot subsidieverlening;
- 2°. start na de einddatum van het project dat betrekking heeft op een regio-aanvraag gemeenten als bedoeld in artikel A2, eerste lid, onderdeel a, doch uiterlijk binnen twee maanden, gerekend vanaf de datum van ontvangst van de volledige subsidieaanvraag;
- d. het project dat betrekking heeft op een regio-aanvraag leerlingen voortgezet speciaal onderwijs en praktijkonderwijs als bedoeld in artikel A2, tweede lid, onderdelen b en c:
- 1°. een duur van ten hoogste twaalf maanden heeft als het gaat om een project als bedoeld in artikel A2, tweede lid, onderdeel b;
- 2°. een duur van ten hoogste 24 maanden heeft als het gaat om een project als bedoeld in artikel A2, tweede lid, onderdeel c;
- 3°. start na de einddatum van het project dat betrekking heeft op een regio-aanvraag leerlingen voortgezet speciaal onderwijs en praktijkonderwijs als bedoeld in artikel A2, tweede lid, onderdeel a, doch uiterlijk binnen negen maanden, gerekend vanaf de datum van ontvangst van de volledige subsidieaanvraag;
- e. het gevraagde subsidiebedrag in de regio-aanvraag leerlingen voortgezet speciaal onderwijs en praktijkonderwijs, bedoeld in artikel A2, tweede lid, onderdeel a, betrekking heeft op ten minste 30% van het maximaal beschikbare bedrag, bedoeld in artikel A10, eerste lid, onderdeel a;
- f. het project dat betrekking heeft op een regio-aanvraag leerlingen voortgezet speciaal onderwijs en praktijkonderwijs als bedoeld in artikel A2, tweede lid, onderdeel d, een duur van ten hoogste twaalf maanden heeft en betrekking heeft op het schooljaar 2020–2021.
- 2. Door de minister kan in de beschikking tot subsidieverlening in plaats van de datum van ontvangst van de volledige subsidieaanvraag een andere startdatum van het project worden vermeld.
- 3. In afwijking van het eerste lid, onderdeel b, heeft het project dat betrekking heeft op een regio-aanvraag gemeenten als bedoeld in artikel A2, eerste lid, onderdeel a, op verzoek van de subsidieontvanger een duur van ten hoogste 27 maanden, gerekend vanaf de startdatum van het project, genoemd in de beschikking tot subsidieverlening, indien dit verzoek uiterlijk twee maanden voor de einddatum van het project, genoemd in de beschikking tot subsidieverlening, door de minister is ontvangen.
- 4. Indien een subsidieontvanger de projectduur wil verlengen, met inachtneming van de in het eerste lid, onderdelen c en d gestelde maximale projectduur, wordt een verzoek daartoe bij de minister ingediend.
- 1. Voor subsidie komen enkel de volgende activiteiten in aanmerking, voor zover zij de doelstelling uit artikel A4 ondersteunen:
- a. activiteiten direct gericht op de bestrijding van jeugdwerkloosheid;
- b. activiteiten direct gericht op de bevordering van de aansluiting praktijkonderwijs of voortgezet speciaal onderwijs op de arbeidsmarkt of vervolgonderwijs;
- c. activiteiten direct gericht op het vergroten van de mogelijkheden tot arbeidsinpassing.
- 2. In afwijking van artikel 12, eerste lid, onderdeel a, zijn enkel de volgende externe kosten subsidiabel: de kosten van extern ingekochte trajecten voor zover de relatie met de activiteiten, genoemd in het eerste lid, voldoende aannemelijk is.
- 3. Voor subsidiëring komen uitsluitend in aanmerking de kostensoorten, bedoeld in artikel 12, twaalfde lid, en bijlage VI bij de gedelegeerde verordening (EU) 2019/2170 van de Commissie van 27 september 2019 tot wijziging van Gedelegeerde Verordening (EU) 2015/2195 tot aanvulling van Verordening (EU) nr. 1304/2013 van het Europees Parlement en de Raad betreffende het Europees Sociaal Fonds, wat betreft de definitie van de standaardschalen van eenheidskosten en vaste bedragen voor de terugbetaling van uitgaven door de Commissie aan lidstaten (PbEU 2019, L 329). De minister specificeert de voorwaarden met betrekking tot het afrekenen op basis van deze kostensoorten in de beschikking tot subsidieverlening, bedoeld in artikel 9.
- 1. Bij een project met een duur van meer dan 24 maanden, dient de subsidieontvanger, binnen vier weken na afloop van de eerste twaalf maanden van het project, een voortgangsrapportage in over de eerste twaalf maanden.
- 2. Bij een project met een duur van meer dan 24 maanden, kan de Minister de subsidieontvanger na afloop van 24 maanden van het project verzoeken:
- a. een tweede voortgangsrapportage in te dienen over de eerste 24 maanden van het project; dan wel
- b. een tussentijdse declaratie in te dienen over de eerste 24 maanden van het project, met daarbij een verantwoording van de kosten onder gelijktijdige verstrekking van de burgerservicenummers van de deelnemers aan het project.
- 3. De tweede voortgangsrapportage en de tussentijdse declaratie worden uiterlijk binnen drie maanden na een daartoe strekkend verzoek ingediend.
- 4. De voortgangsrapportage en de tussentijdse declaratie worden ingediend onder gebruikmaking van een daartoe door de Minister elektronisch beschikbaar gesteld formulier, voorzien van de vereiste bijlagen en een door hem erkende elektronische handtekening.
- 5. Artikel 18, tweede en vierde lid, zijn van overeenkomstige toepassing op de tussentijdse declaratie.
- 6. De Minister betaalt binnen negentig dagen nadat een tussentijdse declaratie is ontvangen, de op dat moment bekende verschuldigde subsidie.
- 7. De einddeclaratie, bedoeld in artikel 18, bevat de som van de tussentijdse declaratie en het resterend eindbedrag. De verantwoording van de kosten en de burgerservicenummers van de deelnemers, bedoeld in artikel 18, eerste lid, hebben betrekking op het resterend eindbedrag opgenomen in de einddeclaratie.
- 1. In afwijking van artikel 14 verleent de minister voor projecten als bedoeld in artikel A2, eerste lid, onderdeel b, op verzoek van de subsidieontvanger, na ontvangst en beoordeling van de voortgangsrapportage, bedoeld in artikel A8, eerste lid, een voorschot tot maximaal 50% van het in de beschikking tot subsidieverlening opgenomen maximum subsidiebedrag, mits uit de beoordeling van de voortgangsrapportage blijkt dat de gerapporteerde kosten zijn gespecificeerd en financieel en inhoudelijk voldoende zijn onderbouwd.
- 2. In afwijking van artikel 14 kan de minister voor projecten als bedoeld in artikel A2, tweede lid, onderdelen b en c, op verzoek van de subsidieontvanger, een voorschot verlenen tot maximaal 50% van het in de beschikking tot subsidieverlening opgenomen maximum subsidiebedrag. In het verzoek wordt het voorschot gemotiveerd en gespecificeerd op basis van reeds gemaakte kosten.
- 3. In afwijking van artikel 14 kan de Minister besluiten tot het verstrekken van een voorschot tot maximaal de op basis van de tussentijdse declaratie, bedoeld in artikel A8, tweede lid, onderdeel b, verschuldigde subsidie.
- 1. Het maximaal beschikbare bedrag voor het verlenen van subsidie in het kader van investeringsprioriteit A is per centrumgemeente vastgelegd:
- a. voor aanvragen, bedoeld in artikel A2, eerste lid, onderdeel a, en tweede lid, onderdeel a, in bijlage 3, behorende bij deze regeling;
- b. voor aanvragen als bedoeld in artikel A2, eerste lid, onderdeel b, in bijlage 3a, behorende bij deze regeling;
- c. voor aanvragen als bedoeld in artikel A2, tweede lid, onderdelen b en c, in bijlage 3b, behorende bij deze regeling;
- d. voor aanvragen als bedoeld in artikel A2, tweede lid, onderdeel d, in bijlage 3c, behorende bij deze regeling.
- 2. De minister kan eventuele onderbenutting van het bedrag, bedoeld in artikel A3, na controle en vaststelling, herverdelen over subsidieaanvragers die meer hebben gerealiseerd dan het aan hen toegekende bedrag in de bijlagen 3, 3a en 3b, voor zover het totale bedrag in de bijlagen 3, 3a en 3b niet wordt overschreden.
- 3. Indien meer subsidieontvangers aanspraak maken op het onbenutte bedrag, bedoeld in het tweede lid, en het totale beschikbare bedrag, genoemd in de bijlagen 3, 3a en 3b, niet toereikend is, wordt het onbenutte bedrag naar rato van het percentage van de overrealisatie door een subsidieontvanger op het aan hem toegekende bedrag ten opzichte van de totale overrealisatie van alle subsidieontvangers verdeeld.
- 4. De verdeling in het derde lid kan er niet toe leiden dat meer subsidie wordt betaald dan het totale bedrag van de overrealisatie door een subsidieontvanger overeenkomstig de vaststelling van de subsidie. Indien de herverdeling leidt tot een dergelijke situatie, zal de extra subsidie worden vastgesteld op dat bedrag van de overrealisatie, waarna de resterende omvang van het onbenutte bedrag opnieuw wordt verdeeld conform het bepaalde in het derde lid.
- 5. De Minister kan het eventueel onbenutte deel van het subsidieplafond per centrumgemeente voor het aanvraagtijdvak, bedoeld in artikel A3, onderdeel c, en bijlage 3b, na controle en vaststelling, toevoegen aan het subsidieplafond voor de betreffende centrumgemeente in het daaropopvolgende aanvraagtijdvak bedoeld in artikel A3, onderdeel d, en bijlage 3b.
- 1. Het maximaal beschikbare bedrag voor het verlenen van subsidie bedraagt voor het aanvraagtijdvak van 2 februari 2015, 09.00 uur, tot en met 27 februari 2015, 17.00 uur, € 4.730.918,–.
- 2. Het maximaal beschikbare bedrag voor het verlenen van subsidie bedraagt voor het aanvraagtijdvak van 5 december 2016, 09.00 uur, tot en met 27 januari 2017, 17.00 uur, € 26.000.000,–.
- 1. Een project in het kader van dit hoofdstuk heeft tot doel het bevorderen van actieve inclusie, gericht op het vergroten van mogelijkheden tot arbeidsinpassing van personen die op het moment van hun start van deelneming aan een project een UWV-uitkering ontvangen dan wel recht hebben op arbeidsondersteuning in het kader van de WIA, WAO, ZW en Wajong.
- 2. Indien sprake is van een persoon die deelneemt aan twee opeenvolgende projecten en deze persoon behoort bij instroom in het eerste project aantoonbaar tot de doelgroep, dan behoort deze persoon ook het opvolgende project tot de doelgroep mits voor deze deelnemer sprake is van een individueel traject dat onafgebroken doorloopt in beide projecten.
- 3. Een project in het kader van dit hoofdstuk heeft mede tot doel de bevordering van de gelijkheid van vrouwen en mannen en de bevordering van gelijke kansen en non-discriminatie.
- 1. Een project komt slechts voor subsidie in aanmerking indien:
- a. het project past binnen de in artikel A13 omschreven doelen;
- b. het project een duur heeft tot en met uiterlijk 31 december 2020.
- 2. Door de minister kan in de beschikking tot subsidieverlening in plaats van de datum van ontvangst van de volledige subsidieaanvraag een andere startdatum van het project worden vermeld.
- 1. Voor subsidie komen slechts in aanmerking activiteiten direct gericht op het vergroten van de mogelijkheden tot arbeidsinpassing, voor zover zij de doelstelling uit artikel A13 ondersteunen.
- 2. In afwijking van artikel 12, eerste lid, onderdeel a, zijn enkel de volgende externe kosten subsidiabel: de kosten van extern ingekochte trajecten voor zover de relatie met de activiteiten genoemd in het eerste lid voldoende aannemelijk is.
- 3. Voor de doelgroep job coaching kunnen de kostensoorten, bedoeld in artikel 12, twaalfde lid, en bijlage IX van de Gedelegeerde Verordening (EU) 2015/2195 van de Commissie van 9 juli 2015 tot aanvulling van Verordening (EU) nr. 1304/2013 van het Europees Parlement en de Raad betreffende het Europees Sociaal Fonds, wat betreft de definitie van de standaardschalen van eenheidskosten en vaste bedragen voor de terugbetaling van uitgaven door de Commissie aan lidstaten (PbEU 2015, L 313) voor subsidiëring in aanmerking komen. De Minister specificeert nadere voorwaarden met betrekking tot het afrekenen op basis van deze kostensoorten in de in artikel 9 bedoelde beschikking tot subsidieverlening.
- 1. De subsidieontvanger dient een tussentijdse declaratie in bij de minister, direct voorafgaand aan de in het tweede lid genoemde data, met daarbij een verantwoording van de kosten onder gelijktijdige verstrekking van de burgerservicenummers van de deelnemers aan het project, als bedoeld in artikel A17a.
- 2. De tussentijdse declaraties, bedoeld in het eerste lid, worden ingediend voorafgaand aan de volgende data:
- a. 31 december 2017 en
- b. 31 december 2019.
- 3. In afwijking van het eerste en tweede lid kan de minister besluiten tot het opvragen van een extra tussentijdse declaratie dan wel het laten vervallen van een tussentijdse declaratie.
- 4. Artikel 18, tweede en vierde lid, is van overeenkomstige toepassing op de tussentijdse declaratie, bedoeld in het eerste lid.
- 5. De minister betaalt binnen negentig dagen nadat een tussentijdse declaratie is ontvangen, de op dat moment bekende verschuldigde subsidie.
- 6. De einddeclaratie, bedoeld in artikel 18, bevat de som van alle tussentijdse declaraties en het resterend eindbedrag. De verantwoording van de kosten en de burgerservicenummers van de deelnemers, bedoeld in artikel 18, eerste lid, hebben betrekking op het resterend eindbedrag opgenomen in de einddeclaratie.
- a. het aanvraagtijdvak van 2 oktober 2017, 9.00 uur, tot en met 31 oktober 2017, 17.00 uur;
- b. het aanvraagtijdvak van 1 oktober 2018, 9.00 uur, tot en met 31 oktober 2018, 17.00 uur;
- c. het aanvraagtijdvak van 1 oktober 2019, 9.00 uur, tot en met 31 oktober 2019, 17.00 uur;
- d. het aanvraagtijdvak van 1 oktober 2020, 9.00 uur, tot en met 30 oktober 2020, 17.00 uur.
- a. het aanvraagtijdvak, bedoeld in artikel A19 aanhef en onderdeel a, € 9.200.000;
- b. het aanvraagtijdvak, bedoeld in artikel A19 aanhef en onderdeel b, € 9.200.000;
- c. het aanvraagtijdvak, bedoeld in artikel A19 aanhef en onderdeel c, € 9.200.000;
- d. het aanvraagtijdvak, bedoeld in artikel A19 aanhef en onderdeel d, € 9.000.000.
- 1. Een project in het kader van dit hoofdstuk heeft tot doel de arbeidsmarktpositie van gedetineerden en jongeren verblijvend in een Justitiële jeugdinrichting dan wel een gesloten accommodatie als bedoeld in artikel 1.1 van de Jeugdwet dan wel personen die in de periode twaalf maanden onmiddellijk voorafgaand aan de start van hun deelname aan het project in een gevangenis, tbs-kliniek of jeugdinrichting of een gesloten accommodatie als bedoeld in artikel 1.1 van de Jeugdwet hebben verbleven, zodanig te verbeteren, dat zij naar werk bemiddelbaar zijn of na detentie direct inpasbaar zijn in een arbeidsmarkt gerelateerd programma of regulier opleidingstraject.
- 2. Indien sprake is van een persoon die deelneemt aan twee opeenvolgende projecten en deze persoon behoort bij instroom in het eerste project aantoonbaar tot de doelgroep, dan behoort deze persoon ook het opvolgende project tot de doelgroep mits voor deze deelnemer sprake is van een individueel traject dat onafgebroken doorloopt in beide projecten.
- 3. Een project in het kader van dit hoofdstuk heeft mede tot doel de bevordering van de gelijkheid van vrouwen en mannen en de bevordering van gelijke kansen en non-discriminatie.
- 1. Een project komt slechts voor subsidie in aanmerking indien:
- a. het project past binnen de in artikel A21 omschreven doelen;
- b. het project een duur heeft van ten hoogste vijftien maanden, gerekend vanaf de datum van ontvangst van de volledige subsidieaanvraag, dan wel, indien toepassing wordt gegeven aan het tweede lid, de startdatum van het project, genoemd in de beschikking tot subsidieverlening;
- c. in afwijking van onderdeel b, een project als bedoeld in artikel A19, onderdeel d, een duur heeft van ten hoogste vierentwintig maanden, gerekend vanaf 1 januari 2021.
- 2. Door de minister kan in de beschikking tot subsidieverlening in plaats van de datum van ontvangst van de volledige subsidieaanvraag een andere startdatum van het project worden vermeld.
- 1. Voor subsidie komen slechts in aanmerking activiteiten direct gericht op het vergroten van de mogelijkheden tot arbeidsinpassing, respectievelijk gericht op het volgen van scholing of een opleiding, voor zover zij de doelstelling uit artikel A21 ondersteunen.
- 2. In afwijking van artikel 12, eerste tot en met elfde lid, komen voor subsidiering uitsluitend in aanmerking de kostensoorten, bedoeld in artikel 12, twaalfde lid, en bijlage IX van de Gedelegeerde Verordening (EU) 2015/2195 van de Commissie van 9 juli 2015 tot aanvulling van Verordening (EU) nr. 1304/2013 van het Europees Parlement en de Raad betreffende het Europees Sociaal Fonds, wat betreft de definitie van de standaardschalen van eenheidskosten en vaste bedragen voor de terugbetaling van uitgaven door de Commissie aan lidstaten (PbEU 2015, L 313). De Minister specificeert nadere voorwaarden met betrekking tot het afrekenen op basis van deze kostensoort in de in artikel 9 bedoelde beschikking tot subsidieverlening.
- 1. Bij een project met een duur van meer dan 12 maanden, kan de Minister besluiten tot het opvragen van een tussentijdse declaratie over de eerste 12 maanden van het project, met daarbij een verantwoording van de kosten onder gelijktijdige verstrekking van de burgerservicenummers van de deelnemers aan het project.
- 2. De tussentijdse declaratie wordt uiterlijk binnen drie maanden na een daartoe strekkend verzoek ingediend onder gebruikmaking van een daartoe door de Minister elektronisch beschikbaar gesteld formulier, voorzien van de vereiste bijlagen en een door hem erkende elektronische handtekening.
- 3. Artikel 18, tweede en vierde lid, zijn van overeenkomstige toepassing op de tussentijdse declaratie.
- 4. De Minister betaalt binnen negentig dagen nadat een tussentijdse declaratie is ontvangen, de op dat moment bekende verschuldigde subsidie.
- 5. De einddeclaratie, bedoeld in artikel 18, bevat de som van de tussentijdse declaratie en het resterend eindbedrag. De verantwoording van de kosten en de burgerservicenummers van de deelnemers, bedoeld in artikel 18, eerste lid, hebben betrekking op het resterend eindbedrag opgenomen in de einddeclaratie.
- 6. In afwijking van artikel 14 kan de Minister besluiten tot het verstrekken van een voorschot tot maximaal de op basis van de tussentijdse declaratie verschuldigde subsidie.
- a. het college van burgemeester en wethouders van een centrumgemeente als bedoeld in artikel 1;
- b. het UWV;
- c. de Minister van Justitie en Veiligheid.
- a. methodiek- of instrumentontwikkeling: het testen, verbeteren, onderzoeken, evalueren, innoveren en implementeren van bestaande of nieuwe instrumenten en werkwijzen uit de praktijk van arbeidstoeleiding van mensen met een afstand tot de arbeidsmarkt; of
- b. kennisdeling: bevorderen dat partijen van elkaar leren op basis van praktijkervaringen bij arbeidstoeleiding van mensen met een afstand tot de arbeidsmarkt.
- 1. Een project, in het kader van dit hoofdstuk, komt slechts voor subsidie in aanmerking indien:
- a. het project past binnen het doel, genoemd in artikel A28;
- b. het project een duur heeft van ten hoogste 24 maanden, gerekend vanaf de datum van ontvangst van de volledige subsidieaanvraag dan wel, indien toepassing wordt gegeven aan het vierde lid, de startdatum van het project, genoemd in de beschikking tot subsidieverlening;
- c. de subsidieaanvraag een concrete omschrijving bevat van de wijze waarop de resultaten tijdens of na afronding van het project worden verspreid;
- d. de subsidieaanvraag in het kader van transnationale samenwerking een transnationale partnerschapsovereenkomst bevat;
- e. de subsidieontvanger bij het verzoek tot vaststelling van de subsidie voegt:
- 1°. een verslag van de activiteiten gericht op de totstandkoming van ten minste één product als bedoeld in artikel A31, eerste lid;
- 2°. het product zelf, indien de activiteiten geresulteerd hebben in de totstandkoming hiervan;
- 3°. ten behoeve van verspreiding een samenvatting van het verslag, en, indien van toepassing, een samenvatting van het product.
- 2. Onverminderd het eerste lid komt een project ter bevordering van sociale innovatie slechts voor subsidie in aanmerking, indien in de subsidieaanvraag het sociaal innovatieve karakter van het project wordt onderbouwd aan de hand van een beschrijving van:
- a. de mate waarin het project een maatschappelijke uitdaging betreft die door middel van sociale innovatie tot actieve inclusie van de doelgroep kan leiden;
- b. de behoefte, waarin de gewenste uitkomst van de methodiek- of instrumentontwikkeling of kennisdeling, bedoeld in artikel A28, tweede lid, voorziet;
- c. de wijze waarop de doelgroep bij de aanpak van de maatschappelijke uitdaging betrokken is;
- d. de wijze waarop belanghebbende partijen bij de aanpak van de maatschappelijke uitdaging betrokken zijn;
- e. de redenen waarom en de mate waarin het project en de voorgestelde methodiek- of instrumentontwikkeling of kennisdeling, bedoeld in artikel A28, tweede lid, innovatief, creatief of onconventioneel is en bijdraagt aan de vermogens tot actieve inclusie van de doelgroep, respectievelijk aan de vermindering van barrières in de samenleving ten behoeve van actieve inclusie van de doelgroep;
- f. de mate waarin verschillende aspecten die tot sociale exclusie kunnen leiden, aan bod komen in de aanpak;
- g. de criteria, die worden gebruikt om aan te tonen dat sprake is van succes of falen.
- 3. De transnationale partnerschapsovereenkomst, bedoeld in het eerste lid, onderdeel d, bevat:
- a. een beschrijving van het onderliggende probleem of gemeenschappelijk belang;
- b. een omschrijving van de gemeenschappelijke transnationale doelstelling;
- c. een beschrijving van de activiteiten, bedoeld in artikel A31, eerste lid;
- d. een beschrijving van de toegevoegde waarde die verwacht wordt van de transnationale samenwerking;
- e. afspraken op het gebied van organisatie met betrekking tot:
- 1°. de bijdrage en verantwoordelijkheden van elke transnationale partner;
- 2°. de coördinatie en besluitvorming;
- 3°. de werktaal of werktalen;
- 4°. monitoring van de voortgang;
- 5°. budgetspecificatie en kostendeling, financieel beheer en het voorkomen van dubbele financiering;
- 6°. het om niet ter beschikking stellen aan derden van de producten, bedoeld in artikel A31.
- 4. Door de minister kan in de beschikking tot subsidieverlening in plaats van de datum van ontvangst van de volledige subsidieaanvraag een andere startdatum van het project worden vermeld.
- a. een methode;
- b. een instrument;
- c. een kennisnetwerk;
- d. een onderzoek;
- e. een evaluatie.
- a. een voor het project aangetrokken externe partij uit Nederland ten behoeve van de uitvoering van subsidiabele activiteiten als bedoeld in artikel A31 ten hoogste € 125–, exclusief btw, per uur;
- b. de inzet van een buitenlandse partij of transnationale partner tijdens een internationale reis € 250,– per werkdag;
- c. een internationale vliegreis binnen Europa: het economy class tarief;
- d. een internationale treinreis binnen Europa: het tweede klas tarief;
- e. verblijf in het geval van een internationale reis binnen Europa: de bedragen per overnachting ter dekking van hotelverblijf, maaltijden, drankjes, lokaal vervoer en overige kleine uitgaven, genoemd in bijlage 4.
- a. loonkosten van medewerkers in dienst van een in Nederland gevestigde organisatie die direct te relateren zijn aan coördinatie en administratie van het project;
- b. externe kosten projectcoördinatie en -administratie;
- c. een internationale vliegreis binnen Europa: het economy class tarief;
- d. een internationale treinreis binnen Europa: het tweede klas tarief;
- e. verblijf in het geval van een internationale reis binnen Europa: de bedragen per overnachting ter dekking van hotelverblijf, maaltijden, drankjes, lokaal vervoer en overige kleine uitgaven, genoemd in bijlage 4.
- a. overhead- en exploitatiekosten, waaronder in ieder geval huisvestingskosten, kosten voor een werkplek, afschrijvingskosten en relatiegeschenken;
- b. kosten gemaakt door transnationale partners, met uitzondering van reis- en verblijfskosten en het dagtarief, bedoeld in artikel A32, derde lid, onderdelen b, c, d en e;
- c. reiskosten, met uitzondering van de reiskosten, genoemd in de artikelen A32, derde lid, onderdelen c en d, A33, eerste lid, onderdelen c, d en e, en bijlage 4.
- a. de subsidieontvanger dit heeft verzocht;
- b. een voortgangsrapportage is ontvangen en beoordeeld; en
- c. uit de beoordeling van de voortgangsrapportage blijkt dat de gerapporteerde kosten zijn gespecificeerd en financieel en inhoudelijk voldoende zijn onderbouwd.
- a. het aanvraagtijdvak van 25 juni 2018, 09.00 uur, tot en met 29 juni 2018, 17.00 uur;
- b. het aanvraagtijdvak van 12 november 2018, 09.00 uur, tot en met 16 november 2018, 17.00 uur;
- c. het aanvraagtijdvak van 8 april 2019, 09.00 uur, tot en met 12 april 2019, 17.00 uur.
- a. voor het aanvraagtijdvak, bedoeld in artikel B2, aanhef en onderdeel a, € 15.000.000;
- b. voor het aanvraagtijdvak, bedoeld in artikel B2, aanhef en onderdeel b, € 15.000.000;
- c. voor het aanvraagtijdvak, bedoeld in artikel B2, aanhef en onderdeel c, € 15.000.000.
- 1. Een project in het kader van dit hoofdstuk heeft tot doel de bevordering van duurzame inzetbaarheid van werkenden door:
- a. het verkrijgen van advies met een implementatieplan; of
- b. het verkrijgen van begeleiding bij de implementatie van een advies, waaronder het in dialoog met de werkenden aanpassen van de organisatie van het werk.
- 2. Een project als bedoeld in het eerste lid is gericht op:
- a. het bevorderen van gezond en veilig werken, waaronder een gezondere leefstijl, het terugdringen van werkstress en ongewenst gedrag in de werksfeer;
- b. het bevorderen van een leercultuur voor werkenden, waaronder het erkennen van niet-bedrijfsspecifieke kennis en vaardigheden;
- c. het stimuleren van interne mobiliteit van werkenden, het anticiperen op individuele ambities en ontwikkelmogelijkheden en het begeleiden van werknemers naar ondernemerschap; of
- d. het bevorderen van een flexibele werkcultuur, waaronder het invoeren van flexibel arbeidstijdenmanagement.
- a. Het project past binnen het in artikel B4 omschreven doel, een toelichting bevat op de relevantie voor de aanvrager en een advies met implementatieplan oplevert of een verslag van de implementatie van een advies gericht op een van de thema’s of activiteiten uit artikel B4;
- b. Bij het verzoek tot vaststelling van de subsidie tevens wordt aangetoond dat de aanvrager op het moment dat de projectactiviteiten werden uitgevoerd tenminste twee werknemers in dienst had;
- c. De subsidiabele kosten worden gemaakt in een door de minister aangewezen periode. Deze periode start de dag na dagtekening van het besluit tot verlening van de subsidie en eindigt ten hoogste twaalf maanden daarna;
- d. De aanvraag wordt voorzien van een projectbeschrijving, die bestaat uit een probleemanalyse, de concretisering van activiteiten die worden opgevoerd, het beoogde resultaat en de wijze waarop medewerkers worden betrokken bij het project;
- e. De werkenden actief worden geïnformeerd over en betrokken bij de planvorming, implementatie en evaluatie van het project, en de wijze waarop dit is gebeurd wordt weergegeven in het advies met implementatieplan dan wel in het verslag van de begeleiding bij de implementatie van een advies;
- f. Per adviseur investeringsprioriteit B twee referenties worden ingediend, afkomstig van twee verschillende opdrachtgevers. Deze hebben betrekking op de relevante kennis en ervaring van de beoogde adviseur investeringsprioriteit B op het terrein van duurzame inzetbaarheid. Ter vervanging van bovengenoemde twee referenties per adviseur investeringsprioriteit B, kan er ook één referentie van een O&O-fonds worden ingediend. Geen referentie hoeft te worden ingediend wanneer wordt aangetoond dat de beoogde adviseur investeringsprioriteit B in dienst is bij een O&O-fonds, dan wel een deskundige is als bedoeld in artikel 2.7, tweede lid, van het Arbeidsomstandighedenbesluit of als bedrijfsarts is ingeschreven in een erkend specialistenregister als bedoeld in artikel 14 van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg;
- g. voor het project ten minste € 12.000,– aan subsidiabele kosten zijn begroot.
- 1. op grond van een subsidieaanvraag ontvangen in een van de aanvraagtijdvakken, bedoeld in artikel B2, reeds subsidie met betrekking tot een project in het kader van dit hoofdstuk is verleend;
- 2. op grond van enige andere subsidieregeling voor het project of vergelijkbare doeleinden subsidie is verstrekt.
- a. het opstellen van een advies met implementatieplan;
- b. het begeleiden bij het implementeren van een advies.
- a. procesverbetering, met uitzondering van de activiteiten, bedoeld in artikel B4, tweede lid;
- b. scholing;
- c. technische innovatie;
- d. activiteiten die plaatsvinden in het kader van een wettelijke verplichting;
- e. een advies of begeleiding bij de implementatie van een advies, niet zijnde door de adviseur duidelijk toegesneden op de aanvrager en de werkenden middels maatwerk.