Art. 6.1.12 Jeugdwet, Machtiging
1. De beschikking van de kinderrechter is bij voorraad uitvoerbaar.
2. De kinderrechter bepaalt de geldigheidsduur van de machtiging op ten hoogste één jaar, de eerste voorwaardelijke machtiging op ten hoogste zes maanden en verlengingen van voorwaardelijke machtigingen op ten hoogste een jaar. De spoedmachtiging geldt tot het tijdstip waarop een beslissing op een verzoek om een machtiging is genomen, doch ten hoogste vier weken.
3. De machtiging vervalt indien deze gedurende drie maanden niet ten uitvoer is gelegd.
4. De machtiging of spoedmachtiging vervalt indien de gecertificeerde instelling die de ondertoezichtstelling uitvoert of de voogdij uitoefent, heeft bepaald dat een voorziening, inhoudende verblijf niet zijnde verblijf bij een pleegouder, niet langer nodig is.
5. De tenuitvoerlegging van de machtiging kan door de jeugdhulpaanbieder worden geschorst, indien het naar zijn oordeel niet langer nodig is te voorkomen dat de jeugdige zich aan de jeugdhulp die hij nodig heeft onttrekt of daaraan door anderen wordt onttrokken. De schorsing kan worden ingetrokken indien blijkt dat de tenuitvoerlegging nodig is om te voorkomen dat de jeugdige zich aan de jeugdhulp die hij nodig heeft onttrekt of daaraan door anderen wordt onttrokken. Schorsing vindt niet plaats dan nadat een gekwalificeerde gedragswetenschapper daarmee heeft ingestemd. Met betrekking tot de intrekking van de schorsing is artikel 6.1.7 van overeenkomstige toepassing.
6. Het college doet aan de raad voor de kinderbescherming mededeling van het vervallen van de machtiging op grond van het vierde lid, alsmede van het besluit geen nieuwe machtiging aan te vragen na afloop van de geldigheidsduur van een machtiging. De jeugdhulpaanbieder doet aan de raad voor de kinderbescherming en aan het college mededeling van een besluit tot schorsing en intrekking als bedoeld in het vijfde lid.
7. Tegen de beschikking van de kinderrechter op een verzoek om een machtiging, een spoedmachtiging of een voorwaardelijke machtiging te verlenen en een beschikking als bedoeld in artikel 6.1.7, eerste lid, staat hoger beroep bij het gerechtshof open.
Uitspraken die dit artikel aanhalen
- Rb. Gelderland 16 februari 2015, ECLI:NL:RBGEL:2015:1159
- Rb. Gelderland 16 februari 2015, ECLI:NL:RBGEL:2015:1016
- Rb. Noord-Nederland 7 oktober 2020, ECLI:NL:RBNNE:2020:3672
- Hof Arnhem-Leeuwarden 23 september 2021, ECLI:NL:GHARL:2021:9010
- Hof Arnhem-Leeuwarden 13 oktober 2016, ECLI:NL:GHARL:2016:8227
- Rb. Zeeland-West-Brabant 3 januari 2025, ECLI:NL:RBZWB:2025:44
- Rb. Zeeland-West-Brabant 4 juli 2025, ECLI:NL:RBZWB:2025:4242
- Rb. Zeeland-West-Brabant 25 september 2024, ECLI:NL:RBZWB:2024:6651
- Rb. Zeeland-West-Brabant 11 juli 2024, ECLI:NL:RBZWB:2024:4784
- Rb. Zeeland-West-Brabant 21 maart 2024, ECLI:NL:RBZWB:2024:2142
- Rb. Zeeland-West-Brabant 30 oktober 2023, ECLI:NL:RBZWB:2023:7968
- Rb. Zeeland-West-Brabant 31 oktober 2023, ECLI:NL:RBZWB:2023:7904
- Rb. Rotterdam 25 januari 2022, ECLI:NL:RBROT:2022:602
- Rb. Rotterdam 3 september 2021, ECLI:NL:RBROT:2021:9503
- Rb. Rotterdam 18 mei 2021, ECLI:NL:RBROT:2021:5142
- Rb. Rotterdam 8 juni 2016, ECLI:NL:RBROT:2016:7507
- Rb. Rotterdam 7 mei 2015, ECLI:NL:RBROT:2015:3242
- Rb. Noord-Nederland 23 maart 2023, ECLI:NL:RBNNE:2023:4684
- Rb. Noord-Nederland 8 mei 2023, ECLI:NL:RBNNE:2023:4650
- Rb. Noord-Nederland 26 januari 2022, ECLI:NL:RBNNE:2022:470